Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord opvragen van het lid Schenk over de stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF
Vragen van het lid Schenk (FVD) aan de Ministers van Financiën, van Economische Zaken en Klimaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF (ingezonden 20 mei 2026).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën), mede namens de Ministers van Economische
Zaken en Klimaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 16 juni 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de
Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland
stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische
vooruitzichten?
Antwoord 2
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke
onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt
voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten
als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook
het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk
op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse
economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van
het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en
conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het
gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele
economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei
van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%)
en 2023 (-0,6%).
Vraag 3
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen
die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Antwoord 3
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland,
conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie
en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren
in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best
investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet
onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Vraag 4
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 4
Niet van toepassing.
Vraag 5
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct
gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking)
vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Antwoord 5
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de
energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in
sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet
zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de
problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden
van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale
samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers
door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers,
3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren
en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit
door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte
in het net.
Vraag 6
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie
met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
Antwoord 6
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische
schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie
van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend
dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40
miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur.
Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of
adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren
blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom
ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Vraag 7
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug
te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Antwoord 7
Zie vraag 8.
Vraag 8
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 8
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door
maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren
in de energietransitie weg te nemen.
Vraag 9
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen
een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling
in Nederland?
Antwoord 9
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze
economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof
nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor
de zomer wordt geïnformeerd.
Vraag 10
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten,
uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
Antwoord 10
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand
is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden
belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel
van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet
van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om
te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het
slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een
brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor
de zomer wordt geïnformeerd.
Vraag 11
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 11
Niet van toepassing.
Vraag 12
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen
om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Antwoord 12
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de
stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies
te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening.
De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Vraag 13
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze
hervormingen vereist?
Antwoord 13
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak.
Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw
aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie
van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september
stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Vraag 14
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet
bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Antwoord 14
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende
mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur
en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen
2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke
bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met
de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in
voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Vraag 15
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig
zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in
de komende tien jaar?
Antwoord 15
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen
aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie
van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt
neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld
geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen
samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming,
inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen
van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur,
en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde
arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Vraag 16
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort,
de Nederlandse economie afremt?
Antwoord 16
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken
zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze
kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie.
Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie
zich over tijd kunnen aanpassen.
Vraag 17
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 17
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Vraag 18
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten
op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Antwoord 18
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit
het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van
burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor
dat de begroting op orde blijft.
Vraag 19
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 19
Niet van toepassing.
Vraag 20
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen
om hier verandering in te brengen?
Antwoord 20
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het
oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs.
Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid,
en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk
de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten
voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen
die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag
22).
Vraag 21
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage)
terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte
uren en lagere arbeidsparticipatie?
Antwoord 21
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien
van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals
defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd
werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel,
waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Vraag 22
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Antwoord 22
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat
het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden
om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender
te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet
zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan
werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma
Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor
meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven
in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel
en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur
door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met
alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers.
Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede
aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan,
en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert
de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma.
Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe,
brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Vraag 23
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter
Gautier7 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat
dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Antwoord 23
Ja.
Vraag 24
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze
realiteit?
Antwoord 24
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp
wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat
vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk
worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting-
en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen
is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers
van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch.
Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen,
maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet
werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids-
en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken
onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de
fiscaliteit te beperken.
Vraag 25
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt
tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor
Nederlandse burgers en ondernemers?
Antwoord 25
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen
in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld
toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij
aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties
kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld
minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door
de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert
om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie
in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat
de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere
vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge
zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van
maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd
worden met terugvorderingen.
Vraag 26
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel
fundamenteel te vereenvoudigen?
Antwoord 26
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te
werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen
met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel.
Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden
van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag
af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de
kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede
spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen
de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren
van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met
een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen.
Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid
en werken moet lonen.
Vraag 27
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn
richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde
uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Antwoord 27
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk
van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport
Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven
en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s
lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Vraag 28
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde
lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische
groei?
Antwoord 28
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie
kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen
verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven
zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn
concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele
brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin
concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor
is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke
handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Vraag 29
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen
aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Antwoord 29
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van
het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het
kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees
beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen
in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor
dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor
bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings-
en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische
kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit
aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen
bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie
en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Vraag 30
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 30
n.v.t.
Vraag 31
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen
om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Antwoord 31
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie
van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet
inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele
energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op
een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten
voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de
bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht
op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Vraag 32
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen
Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende
klimaatverplichtingen?
Antwoord 32
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van
bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen
is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke
redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk
aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak
Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Vraag 33
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie
ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Antwoord 33
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie
en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar
afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede
economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Vraag 34
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen
om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Antwoord 34
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse
concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van
de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder
regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren
en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit
en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende
en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met
name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën
en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland
aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel
is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken
van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Vraag 35
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse
economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Antwoord 35
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen
in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart
en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van
investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal
Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit,
gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal
talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt
het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals
het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen
in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast
worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse
vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich
ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma
Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een
aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen
gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van
best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt
er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse
educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar
meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis
om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Vraag 36
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat
het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen
uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen
(geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Antwoord 36
Nee.
Vraag 37
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 37
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie.
Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie,
arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft
dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet
aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Vraag 38
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen
aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie
van Nederland te verbeteren?
Antwoord 38
Niet van toepassing.
Vraag 39
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het
IMF?
Antwoord 39
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken.
Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar
adviezen mee in de besluitvorming.
Vraag 40
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Antwoord 40
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede namens
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat -
Mede namens
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.