Schriftelijke vragen : Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht (ingezonden 11 juni 2026).
Vraag 1
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese
Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling
deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt
de Kamer hierover geïnformeerd?1
Vraag 2
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman
over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met
de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Vraag 3
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten
als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de
wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Vraag 4
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél
gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds)
wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Vraag 5
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Vraag 6
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat)
over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt
u die analyse met de Kamer delen?
Vraag 7
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie
dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds
(Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende
de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt
het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
Vraag 8
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie
van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn)
in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al
tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de
hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)?
Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk?
Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door
de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe
beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke
consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
Vraag 9
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn
sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke
terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis
onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen
of deelnemers?
Vraag 10
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde
sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP
van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan
en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk
niet zal veranderen?
Vraag 11
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort
ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet,
terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen
uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende
activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak
van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast,
en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars
(Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat
er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Vraag 12
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse
uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het
alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het
EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar
een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Vraag 13
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk
toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt
gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een
PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen
kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert
boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Vraag 14
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie
over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003)
waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse
vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen»
rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet
het kabinet dit?
Vraag 15
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten
voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde
regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie
en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Vraag 16
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling,
maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het
polderoverleg met sociale partners?
Vraag 17
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese
Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd
worden met enorme navorderingen?
Vraag 18
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling,
bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele
Europese stappen onomkeerbaar worden?
Vraag 19
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van
pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens)
twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt
u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Vraag 20
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord
in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord
van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan,
in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Indieners
-
Gericht aan
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Indiener
Corrie van Brenk, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.