Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2025 (Kamerstuk 36945-XXII-1)
36 945 XXII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 11 juni 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een aantal
vragen voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over
de brief van 20 mei 2026 over het Jaarverslag Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening 2025 (Kamerstuk 36 945 XXII, nr. 1).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 11 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
Vraag 1:
Wat exact heeft u ondernomen en/of wat gaat u ondernemen om Utrecht, Zuid-Holland
en Zeeland te bewegen zo snel mogelijk een bruto plancapaciteit van minimaal 130%
te behalen?
Antwoord:
In de bestuurlijke overleggen over de regionale woondeals, die ik twee keer per jaar
met alle provincies heb, spreek ik provincies en gemeenten erop aan als er onvoldoende
plannen voor woningbouw zijn. Afgesproken is een bruto plancapaciteit van minimaal
130%. Het is aan de gemeenten en provincie om de afweging te maken waar woningbouw
kan plaatsvinden en de ruimtelijke afwegingen te maken. Mijn rol bestaat uit het bestuurlijk
aanspreken van partijen om met alternatieve locaties in hun ruimtelijke plannen te
komen als projecten afvallen of flink vertragen. In Zeeland is de plancapaciteit met
163% meer dan voldoende.
Met Zuid-Holland (116%) en Utrecht (120%) ben ik zeer regelmatig in gesprek om de
plancapaciteit op te hogen. Voor de zomer verschijnen nieuwe cijfers over de plancapaciteit
in de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw.
Vraag 2:
Wat zijn de exacte afspraken die met provincies gemaakt zijn waar het gaat om de 130%
plancapaciteit?
Antwoord:
In de regionale woondeals is met provincies en gemeenten bestuurlijk afgesproken dat
gemeenten 30% overprogrammeren ten opzichte van de bruto woningbouwopgave. Er kan
immers altijd sprake zijn van planuitval of grote vertraging. Samen met de provincies
spoor ik gemeenten daarom aan met alternatieve locaties te komen als projecten afvallen
of flink vertragen.
Vraag 3:
Wat exact heeft u ondernomen en/of gaat u ondernemen om Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Holland
te bewegen zo snel mogelijk voldoende woningbouwplannen te concretiseren?
Antwoord:
In de bestuurlijke overleggen over de woondeals heb ik met de partijen afspraken gemaakt
om de realisatie van het aantal woningen te verhogen door het vaststellen van nu nog
zachte plannen, het versnellen van de realisatie in harde plannen of het verhogen
van de capaciteit in harde plannen. Daarnaast bespreek ik hoe de realisatie kan worden
versneld ondermeer door het oplossen van knelpunten op gebied van stikstofbeperkingen,
netcongestie, mobiliteitsvraagstukken en gebrek aan ambtelijke capaciteit.
Het kabinet zet landelijk in op het versnellen van de woningbouw, onder andere via
bestuurlijke afspraken in de woondeals, de Wet versterking regie volkshuisvesting
en de ondersteuning van woningbouwlocaties met subsidies en expertise, bijvoorbeeld
voor parallel plannen. Deze inzet komt ook ten goede aan de provincies met een grote
bouwopgave, zoals Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Ik volg proactief de voortgang
van de gesubsidieerde woningbouwprojecten en maak aanvullende afspraken waar deze
niet goed lopen.
Vraag 4:
Welk deel van de 104.000 vergunde woningen worden naar verwachting daadwerkelijk binnen
twee, drie en vijf jaar opgeleverd, en welke aannames worden daarbij gehanteerd over
uitval, vertraging en beroepsprocedures
Antwoord:
In opdracht van mij maakt ABF research jaarlijks een prognose van (onder meer) de
woningbouw. Input voor deze prognose is onder andere de hoeveelheid verleende vergunningen,
zowel de hoeveelheid die het afgelopen jaar verleend is, als de totale hoeveelheid
reeds verleende, maar nog niet gerealiseerde vergunningen. Ik maak zelf bewust geen
prognose, maar laat dat aan onafhankelijke partijen zoals ABF.
Ter indicatie: Het CBS publiceerde december vorig jaar inzichten in de realisatieduur
van woningen na de bouwvergunningverlening. Voor gerealiseerde woningen geldt dat
25% gereed was 17,5 maanden na de vergunningverlening, 50% was gereed na 24 maanden
en 75% was gereed na 32,4 maanden. Zie hierover: Bouw nieuwbouwwoningen duurt steeds langer | CBS.
Vraag 5:
Kan per provincie worden aangegeven met hoeveel woningen er wordt achtergelopen ten
opzichte van de woondealopgave, welke rol onvoldoende vastgestelde omgevingsplannen
daarbij spelen en welke aanvullende maatregelen het kabinet specifiek voor Utrecht,
Zuid-Holland en Noord-Holland neemt?
Antwoord:
Uit publicatie van het CBS Levensloop van woningen en niet-woningen; gebruiksfunctie, regio | CBS kan onderstaande informatie in tabel 1 per provincie worden gehaald over het (eventueel)
achterlopen op de woondealopgave.
Tabel 1
Provincie
Woondealafspraak 2022–2030
Proportionele opgave t/m april 2026
Realisaties t/m april 2026
Percentage Woondeal gerealiseerd t/m april 2026
Drenthe
16.200
7.800
6.792
87%
Flevoland
40.243
19.376
12.720
66%
Fryslân
22.406
10.788
9.425
87%
Gelderland
109.117
52.538
40.149
76%
Groningen
28.509
13.727
13.324
97%
Limburg
29.550
14.228
18.325
129%
Noord-Brabant
157.095
75.638
58.432
77%
Noord-Holland
190.600
91.770
68.985
75%
Overijssel
47.300
22.774
22.784
100%
Utrecht
87.455
42.108
28.738
68%
Zeeland
16.500
7.944
8.053
101%
Zuid-Holland
247.896
119.357
75.460
63%
Het achterblijven van de realisatie kent verschillende oorzaken die in veel provincies
spelen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
In alle drie de provincies zijn versnellingstafels ingesteld waar partijen met behulp
van diverse instrumenten zoals een Publiek Private Monitor afspraken maken om de woningbouwplannen
te versnellen.
Vraag 6:
Kan u, gelet op het Jaarverslag Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
2025, pagina 13 en 14, waar staat dat in 2025 is gewerkt aan de Publiek Private Monitor
en versnellingstafels, dat vier aanvullende nationaal grootschalige woningbouwlocaties
zijn aangewezen, dat 127 regionaal grootschalige woningbouwlocaties zijn benoemd en
dat 24 doorbraaklocaties zijn aangewezen, feitelijk aangeven hoeveel concrete woningen
in 2025 per instrument daadwerkelijk extra zijn gerealiseerd of versneld?
Antwoord:
Zoals aangegeven onder het antwoord op vraag 3 ondersteunt het Rijk op verschillende
manieren (met bestuurlijk overleg, met geld, met expertise en capaciteit en met wetgeving)
gemeenten in de realisatie van woningbouw op locaties. Dit geldt voor alle locaties:
zowel nationaal grootschalig, regionaal grootschalig, als overige locaties. Het is
niet mogelijk om het aantal extra gerealiseerde of versnelde woningen eenduidig toe
te schrijven aan afzonderlijke instrumenten. Woningbouw is inherent complex en het
effect van individuele maatregelen op versnelling is niet eenvoudig te kwantificeren.
Wel kan voor specifieke onderdelen een indicatie worden gegeven. Nationaal Grootschalige
Woningbouwlocaties vragen gezien hun omvang en complexiteit om extra Rijksregie, zoals
vastgelegd in de Ontwerp-Nota Ruimte. Daarnaast krijgen nationaal grootschalige woningbouwlocaties
extra ondersteuning met gebiedsbudgetten en een community of practice. Op deze locaties
is er volgens informatie vanuit de grootschalige gemeenten voor zo’n 25.000 woningen
gestart met de bouw in 2025, en zijn zo’n 12.500 woningen opgeleverd in 2025.
In 2025 zijn in de ontwerp-Nota Ruimte ook 127 regionaal grootschalige woningbouwlocaties
benoemd vanwege hun ruimtelijke component in samenhang met de grootte van de opgave.
Op dit moment is de ondersteuning daar generiek.
De doorbraakaanpak heeft op enkele nationaal grootschalige en regionaal grootschalige
locaties tot doorbraken in samenwerking tussen publieke en private partijen geleid,
waarmee de bouw van woningen is versneld. Voor 2025 is voor de Stougjeswijk (Oud-Beijerland)
een akkoord bereikt, waarmee de bouw van 2.500 woningen is versneld. In 2026 worden
verdere doorbraken verwacht, zoals in het antwoord op de volgende vraag nader toegelicht.
Vraag 7:
Kan er nadere invulling worden gegeven aan «in 2026 zullen meer doorbraken volgen»?
Wat zijn de verwachtingen voor 2026?
Antwoord:
In 2026 volgen naar verwachting voor de volgende gebieden een doorbraakaanpak via
een akkoord op hoofdlijnen:
– Haarlemmermeer West, deelgebied Lissebroek (4.850 woningen).
– Binckhorst Den Haag (fase 2, 8.000 woningen)
– Schieveste Schiedam (3.000 woningen)
– Groote Wielen Noord (6.000 woningen)
– Bovenduist Amersfoort (3.300 woningen)
– Entree Zoetermeer (7.000 woningen)
Daarnaast lopen er in andere gebieden processen waarin de betrokken gemeenten, projectontwikkelaars/grondeigenaren
en woningcorporaties werken aan versnelde besluitvorming over uitvoeringsconvenanten.
Deze kunnen mogelijk nog voor het eind van het jaar afgerond worden. Gebiedsontwikkeling
en ook de afspraken daaromheen zijn complexe zaken en laten zich niet eenvoudig op
een kalender plannen, dus enige slag om de arm op bovenstaande is altijd gerechtvaardigd.
Vraag 8:
Kan nader worden toegelicht wat er is gebeurd en/of gaat gebeuren met aanvragen die
buiten het subsidieplafond van de SOO vielen? Om hoeveel aanvragen gaat het, waarom
vielen ze buiten het subsidieplafond en wat is/wordt ondernomen om deze aanvragen
toch (deels) tegemoet te komen?
Antwoord:
Aanvragen voor de SOO worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst tot het subsidieplafond
is bereikt. De derde tranche (2024/2025) had een budget van € 23 mln. en er zijn aanvragen
ingediend bij RVO voor ruim € 36 mln. Daarmee was er een overtekening van het budget
met ruim € 13 mln. Deze aanvragen (94) zijn afgewezen, omdat het budget ontoereikend
was. Iemand die in de derde tranche subsidie heeft aangevraagd, maar waarbij de subsidie
om deze reden niet is verleend, kan in de vierde tranche opnieuw een (vergelijkbare)
aanvraag indienen. De vierde tranche is afgelopen 18 mei opengesteld, op het moment
van schrijven is nog voldoende budget beschikbaar om voor een subsidie in aanmerking
te komen indien de aanvraag aan de voorwaarden van de regeling voldoet. De aanvragen
worden dan beoordeeld op volgorde van binnenkomst.
Vraag 9:
Hoe beoordeelt u of gemeenten, corporaties en het Rijk gezamenlijk voldoende randvoorwaarden
creëren voor de afgesproken doorstroming en passende huisvesting van ouderen, en welke
rol spelen financiële ondersteuning, locaties en planvorming daarbij?
Antwoord:
In de woondeals heb ik afspraken gemaakt over de benodigde woningen geschikt voor
ouderen. Ook in de volkshuisvestingsprogramma’s onder het wetsvoorstel versterking
regie volkshuisvesting vraag ik gemeenten en provincies de opgave ouderenhuisvesting
in kaart te brengen en aan te geven hoe zij daar invulling aan geven en op welke locaties.
Daarnaast moeten gemeenten en provincies aangeven hoe zij invulling geven aan doorstroming
in de volkshuisvestingsprogramma’s, in de prestatieafspraken is met de corporaties
een inspanningsverplichting op doorstroming afgesproken. Om de bouw van deze woningtypen
in het betaalbare segment te stimuleren zijn er stimuleringsregelingen voor geclusterde
en zorggeschikte woningen. Door continu het gesprek met medeoverheden, corporaties,
de zorgsector, investeerders en ouderen zelf te voeren binnen de stuurgroep wonen
en zorg voor ouderen en binnen de woondeals, houd ik in de gaten of deze inzet voldoende
is of bijsturing nodig heeft.
Vraag 10:
Waarom blijft u goedpraten dat woningcorporaties geen gebruik kunnen maken van de
Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH), terwijl zij wel bestaande
huurwoningen moeten verduurzamen en vaak huishoudens met lage inkomens huisvesten?
Antwoord:
De SVOH is niet beschikbaar voor woningcorporaties, omdat voor woningcorporaties een
ander beleids- en afsprakenkader geldt. Ik onderken dat ook woningcorporaties een
grote verduurzamingsopgave hebben en dat zij veel huishoudens met lage inkomens huisvesten.
Juist daarom maakt het Rijk met woningcorporaties afzonderlijke afspraken over verduurzaming,
betaalbaarheid, beschikbaarheid en leefbaarheid via de Nationale Prestatieafspraken
(NPA). De eerste versie van de NPA zijn in juni 2022 gemaakt. Deze afspraken vormen
een samenhangend pakket, waarin verduurzaming niet los wordt gezien van andere volkshuisvestelijke
opgaven, zoals nieuwbouw, betaalbaarheid en leefbaarheid. De afspraken zijn tot stand
gekomen in de context van de afschaffing van de verhuurderheffing per 1 januari 2023.
Daardoor is extra investeringsruimte ontstaan bij woningcorporaties, waartegenover
onder meer afspraken zijn gemaakt over de verduurzaming van het corporatiebezit. Onderdeel
daarvan is het uitfaseren van woningen met energielabel E, F en G uiterlijk in 2028.
Corporaties zijn daarin goed op weg: het aantal EFG-labels bij woningcorporaties is
tussen 2022 en 2025 gedaald van circa 247.000 naar 115.000. Vanaf 1 april 2023 zijn
woningcorporaties, gegeven de afschaffing van de verhuurderheffing, uitgesloten van
de SVOH.
De SVOH kent een andere oorsprong en doelgroep. De regeling is in 2022 opgezet als
compensatie voor kleinere verhuurders, met maximaal 100 huurwoningen in bezit, in
het gereguleerde segment vanwege de destijds aangekondigde huurbevriezing. Het openstellen
van de SVOH voor woningcorporaties zou ten koste gaan van de financiële mogelijkheden
voor private verhuurders om te voldoen aan de aangekondigde regelgeving ten behoeve
van het uitfaseren van energielabels EFG bij huurwoningen per 2029. En dat terwijl
de verduurzamingsopgave bij deze doelgroep flink achterloopt ten opzichte van woningcorporaties.
Private verhuurders hebben naar schatting nog 220.000 EFG-woningen in bezit van de
totaal circa 1,2 miljoen huurwoningen. Bij corporaties gaat dat om 115.000 van de
circa 2,3 miljoen.
Het kabinet is continu in gesprek met woningcorporaties over de uitvoerbaarheid van
de opgaven, de betaalbaarheid voor huurders en de balans tussen nieuwbouw, onderhoud
en verduurzaming. Zoals in de Kamerbrief van 29 januari 2026 (Kamerstuk II, 2025–2026,
29 453, nr. 582) aangegeven loopt de sector tegen een fors financieel tekort aan. In mijn Kamerbrief,
naar uw Kamer verzonden op 5 juni, heb ik de positieve effecten van het coalitieakkoord
op het tekort geschetst. Daarnaast is het van belang dat het (financiële) perspectief
voor de corporatiesector op de langere termijn ook verbetert om te voorkomen dat corporaties
al de komende jaren hun investeringen voor 2030 en later zullen moeten terugschroeven.
Hierover informeer ik uw Kamer na de zomer middels de uitkomsten van de Taskforce
versnelling woningbouw.
Vraag 11:
Zijn er signalen dat de deadline van eind 2027 nog steeds voor veel gemeenten moeilijk
haalbaar is inzake het vaststellen van warmteprogramma’s en zo ja, wat wordt met deze
signalen gedaan? Wat gebeurt er met een gemeente, als deze niet voor eind 2027 een
warmteprogramma heeft gerealiseerd, ondanks serieuze pogingen?
Antwoord:
Mij hebben geen signalen bereikt dat de deadline van eind 2027 moeilijk haalbaar is
voor gemeenten. Wel begrijp ik dat er in het maken van het warmteprogramma vaak lastige
keuzes voorliggen, waardoor het opstellen ervan geen makkelijke taak is. Mede daarom
is er eerder voor gekozen de deadline voor het vaststellen een jaar te verlengen tot
eind 2027. In algemene zin geldt dat de provincie als toezichthouder kan gaan handhaven
als de gemeente niet voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen
Vraag 12:
Wordt er door koplopergemeenten ter realisatie van een gebiedsgerichte aanpak ook
gekeken naar «best practices» in andere landen die te maken hebben met funderingsproblematiek?
Antwoord:
In de gebiedsgerichte leeraanpak zetten de betrokken gebieden en het Rijk in op leren
door te doen. We maken daarin gebruik van effectieve praktijkvoorbeelden uit Nederland
en andere landen om vergelijkbare funderingsproblematiek aan te pakken. Dat wordt
gecombineerd met nieuwe maatregelen die ontwikkeld moeten worden om passende oplossingen
voor het gebied te vinden. Voor het aanpakken van ondiepe funderingen in Nederland
kunnen we bijvoorbeeld leren van ervaringen van andere landen zoals Frankrijk, waar
ze hiervoor al beleid hebben ontwikkeld. De partners die betrokken zijn bij gebiedsgerichte
leeraanpak, zoals kennisinstellingen, aannemers en financiers, brengen eveneens hun
ervaringen en kennis uit binnen- en buitenlandse projecten en praktijk mee.
Vraag 13:
Kunt u nader toelichten welke locaties van (tijdelijk) leegstaand rijksvastgoed zijn
gebruikt voor de opvang van statushouders, asielzoekers en Oekraïners? Graag ook met
info over aantallen, tijdsduur van de opvang en totale kosten per locatie. Kunt u
tevens aangeven of er ook (tijdelijk) leegstaand rijksvastgoed is/wordt gebruikt voor
de opvang van dakloze Nederlanders en Nederlandse spoedzoekers?
Antwoord:
Het Rijksvastgoedbedrijf stelt (tijdelijk) overtollig rijksvastgoed ter beschikking
aan het COA voor de opvang van asielzoekers. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft regulier
contact met het COA om te bezien of er vastgoed is dat – om welke reden dan ook –
tijdelijk inzetbaar is voor asielopvang. Dit geldt zowel voor gebouwen als voor gronden.
De panden die op dit moment (stand mei 2026) worden ingezet staan hieronder in tabel
2.
Wanneer het Rijksvastgoedbedrijf een pand beschikbaar stelt aan het COA verlengt het
de huurovereenkomsten in beginsel totdat de gemeente besluit om met inzet te stoppen
of wanneer het vastgoed nodig is voor de oorspronkelijke functie. De uitvoeringskaders
van het Rijksvastgoedbedrijf schrijven voor dat het een marktconforme huur in rekening
brengt, waarvan de exacte hoogte commercieel vertrouwelijk is.
Tabel 2
Locatie
Status
Oppervlakte
Plekken (circa)
Nassau Dietzkazerne Budel
Overeenkomst Defensie en COA
43.636 m2 vvo
1.500 asielzoekers
PI Zoetermeer
Verhuring aan COA
21.668 m2 vvo
630 asielzoekers
Transformatorweg 6 Amsterdam
Verhuring aan gemeente Amsterdam
5.437 m2
50 statushouders en daklozen
Hoogte Kadijk 401 Amsterdam
Verhuring aan gemeente Amsterdam
4.147 m2
60 statushouders
PI Maashegge, Overloon Land van Cuijk
Verhuring aan gemeente Land van Cuijk
14.239 m2 vvo
150 staushouders en Oekraïners
PI Overmaze
Verhuring aan gemeente Maastricht
16.690 m2 vvo
400 Oekraïners
Daarnaast heeft het Rijksvastgoedbedrijf de afgelopen jaren ook vastgoed verkocht
aan gemeenten en het COA, die worden gebruikt als opvanglocatie. Bij afstoot van panden
vindt overleg met de gemeente plaats over een volgende bestemming van het pand. Dit
leidt vaak tot woningbouw waarin ook de brede groep spoedzoekers op de woningmarkt
een plek kan krijgen. Dit gebeurt echter nadat het Rijksvastgoedbedrijf het vastgoed
heeft verkocht. Het Rijksvastgoedbedrijf gaat daarmee niet over de functie van het
pand en beschikt niet over de exacte aantallen die in het vastgoed worden opgevangen.
Vraag 14:
Is het formeel/juridisch mogelijk om onderuitputting van de Stimuleringsregel Flex-
en Transformatiewoningen door te laten stromen naar andere stimuleringsregelingen
die met volkshuisvesting te maken hebben en met tekorten kampen?
Antwoord:
Indien sprake is van onderuitputting zal eerst binnen de regeling van de SFT een kasschuif
naar een later jaar worden aangevraagd, als hier verplichtingen tegenover staan en
de middelen dan beschikbaar blijven voor dezelfde regeling. Dit moet dan wel gebeuren
in afstemming met het Ministerie van Financiën en na autorisatie door beide Kamers.
Voor onderuitputting SFT waar geen verplichting tegenover staat, is het mogelijk om
het door te laten stromen naar andere stimuleringsregelingen die met volkshuisvesting
te maken hebben. Uiteraard ben ik hier wel gebonden aan de begrotingsregels.
Vraag 15:
Welk van de drie genoemde belangrijke risico’s is op dit moment het meest bepalend
voor het achterblijven van betaalbare woningbouw, en welke concrete maatregel heeft
in 2026 per risico het grootste verwachte effect?
Antwoord:
In het jaarverslag worden drie risico’s genoemd: 1) financiële (on)haalbaarheid van
woningbouw, 2) vertraging; duur van planvorming en vergunningverlening en 3) capaciteit
van mensen en middelen. De genoemde risico’s zullen in de praktijk vrijwel altijd
tegelijk aan de orde zijn. Een project kan tegelijkertijd tegen zowel een financiële
belemmering als vertragingen aanlopen (juist vanwege die financiële belemmering of
vanwege andere oorzaken zoals de stikstofproblematiek). Hetzelfde geldt voor capaciteit
van mensen en middelen. Als de eerste twee risico’s aan de orde zijn dan is er juist
veel (ambtelijke) capaciteit nodig en is daarmee het derde risico ook actueel. Het
isoleren van concrete maatregelen en het inschatten van de verwachte effecten daarvan
in aantallen woningen of gewonnen jaren qua oplevering is daarom niet reëel. Als het
ene risico wordt opgelost, maar de andere niet, is er uiteindelijk nog weinig gewonnen.
Vraag 16:
Kan per genoemd risico worden aangegeven welke concrete beheersmaatregelen in 2026
worden genomen, welke indicatoren worden gebruikt om voortgang te meten en wanneer
de Kamer wordt geïnformeerd over de effectiviteit daarvan?
Antwoord:
Om het eerste genoemde risico, financiële onhaalbaarheid van woningbouw, te beheersen,
wordt in 2026 ondersteuning geboden aan gemeenten via financiële regelingen. Zo zijn
in mei weer middelen toegekend uit de 8e tranche van de Woningbouwimpuls (Wbi) en de 2e tranche van de Regeling Woningbouwversnelling metropoolregio Eindhoven (WMRE) voor
het dekken van publiek onrendabele toppen. Daarnaast zijn of gaan in de rest van 2026
loketten open van de negende tranche van de Wbi, de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen,
de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen en de Regeling Tegemoetkoming
Herplaatsing Flexwoningen (RTHF). Daarnaast vinden eind 2026 de eerste uitkeringen
uit de Realisatiestimulans plaats op basis van woningen waarvan de bouw in 2025 is
gestart.
Projecten die Rijksmiddelen hebben ontvangen worden gemonitord via onder andere de
jaarlijkse SiSa-verantwoording en voortgangsgesprekken. Hierbij wordt specifiek gelet
op de planning (startbouw en oplevering) en het woningprogramma (aandeel betaalbaar).
Wijzigingen in planning en/of programma leiden in sommige gevallen tot terugvordering
van middelen. Aan het eind van ieder jaar wordt de Tweede Kamer per brief geïnformeerd
over de voortgang van projecten met Rijksmiddelen. Daarnaast is in maart 2026 de Nationale
Woningbouwkaart gelanceerd. Deze wordt gedurende 2026 uitgebreid met gegevens over
woningbouwprojecten die een financiële bijdrage vanuit het Rijk ontvangen hebben.
Als het gaat om de duur van de planvorming en vergunningverlening, dan geldt dat hier
niet in directe zin op gestuurd wordt. Er wordt gestuurd op het voldoen aan de met
de woondealpartners afgesproken bouwopgaven. In de monitoring wordt er met het oog
daarop gestuurd op het aanwezig zijn van voldoende woningbouwplannen en op het maken
van voldoende voortang van deze plannen. In de rapportage plancapaciteit wordt de
Kamer hierover tweemaal per jaar geïnformeerd.
De duur van de planvorming is geen doel op zich, maar een inkorting van de duur levert
uiteraard wel een bijdrage aan het realiseren van de bouwopgaven. Vandaar dat zoals
in het jaarverslag 2025 is vermeld ingezet wordt op regionale versnellingstafels,
woondealtafels en de ondersteuning van het Expertteam Woningbouw, waarmee knelpunten
in procedures en besluitvorming eerder in beeld worden gebracht en waar mogelijk worden
opgelost. En dat via het programma STOER gewerkt wordt aan het vereenvoudigen en stroomlijnen
van processen en het versterken van bestuurlijke afstemming, met als doel de doorlooptijden
te verkorten en het proces voorspelbaarder te maken. Hiernaast zijn ook parallel plannen
en digitalisering cruciale pijlers in de kabinetsaanpak om de woningbouw te versnellen.
De ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw zet hier nadrukkelijk op in.
Het derde risico valt zoals het jaarverslag stelt beperkt onder de invloedssfeer van
het Rijk. Wel geldt dat ik via het programma Uitvoeringskracht Woningbouw, samen met
het IPO en de VNG, de ambtelijke capaciteit en deskundigheid bij medeoverheden wil
versterken. Ook bied ik daar waar nodig gerichte ondersteuning, bijvoorbeeld door
kennisdeling of inzet van expertise bij specifieke uitvoeringsvragen van gemeenten.
Verder geldt dat in samenwerking met medeoverheden en marktpartijen wordt bekeken
hoe we risico’s kunnen mitigeren en projecten kunnen helpen prioriteren zodat de beschikbare
capaciteit zo effectief mogelijk wordt ingezet. Daarnaast wordt in overleg met decentrale
overheden expliciet afgestemd wat haalbaar is in de uitvoering.
Vraag 17:
Hoe groot is naar schatting de publieke onrendabele top bij woningbouwprojecten, uitgesplitst
naar sociale huur, middenhuur, betaalbare koop en overige woningbouw, en welk deel
daarvan wordt met bestaande regelingen afgedekt? (blz: 39)
Antwoord:
De onrendabele top behorende bij woningbouwprojecten is in 2025 onderzocht in aanloop
naar de Woontop. Naar schatting van onderzoeksbureau Rebel en Stadkwadraat is de aan woningbouw toerekenbare onrendabele top ongeveer € 9,9
mld. tot en met 2035. Deze schatting is op basis van gegevens uit onder meer de Woningbouwimpuls
en gaat uit van een woningbouwprogramma bestaande uit tweederde betaalbaar en 30%
sociaal.
De onrendabele top is niet uit te splitsen naar de verschillende woonsegmenten. Dit
is omdat er volledige wijken worden gerealiseerd met gemengde woonmilieus en woningtypen.
Het Rijk ondersteunt woningbouw via de Realisatiestimulans, de Woningbouwimpuls en
andere regelingen zoals de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen en de Stimuleringsregeling
Flex- en Transformatiewoningen. De bijdrage uit deze instrumenten tot 2030 (dus exclusief
de middelen van dit kabinet) zou toereikend moeten zijn om de opgave tot 2030 te dekken;
tijdens de Woontop is namelijk afgesproken dat gemeenten de helft van de onrendabele
top zelf dragen. Middels deze regelingen wordt dus de helft van de aan woningbouw
toerekenbare onrendabele top afgedekt. Hierbij zijn dus nog niet voldoende middelen
beschikbaar gesteld voor ook de andere aanpalende benodigde investeringen zoals investeringen
in infrastructurele ontsluiting en maatschappelijke voorzieningen.
De Taskforce Versnelling Woningbouw is op dit moment bezig met het opstellen van een
actieplan, waarin inzicht wordt gegeven in de wijze waarop gemeenten worden ondersteund
tot en met 2035.
Vraag 18:
Welke wettelijke, procedurele en bestuurlijke stappen in het woningbouwproces veroorzaken
de meeste vertraging, en welke concrete vereenvoudigingen gaat het kabinet wanneer
doorvoeren om de doorlooptijd te verkorten?
Antwoord:
Vertraging van woningbouw vindt allereerst plaats in de voorfase van de ruimtelijke
planvorming die voorafgaat aan de besluitvorming van een gemeente over een woningbouwlocatie.
Dit is een relatief informele fase, waar verschillende partijen bespreken of een locatie
verder wordt ontwikkeld. Om ook deze fase te versnellen is samenwerking tussen marktpartijen
en overheden aan de regionale versnellingstafels belangrijk om te bezien waar kansen
en risico’s liggen. Mochten er knelpunten zijn dan kunnen deze door inzet op lokaal
of regionaal niveau mogelijk vlot worden getrokken. Een snelle inschatting kan helpen
in de voortgang of prioritering.
Verder zet het kabinet via de ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw in op
het versneld realiseren van 100.000 woningen per jaar. Daarbij worden in het actieplan
de knelpunten rondom de procedures en de randvoorwaarden, zoals netcongestie, aan
de orde gesteld. Eén van de opdrachten van deze taskforce is ook het versimpelen en
versoepelen van de woningbouw. Samen met de andere departementen uit het fysieke domein
werk ik aan de gezamenlijke opgave. Na de zomer komen we met een gezamenlijke aanpak
voor de fysieke leefomgeving en volkshuisvesting. Hierbij komt ook input voor de nieuwe
jaarlijkse Vereenvoudigingswet, waar bijvoorbeeld het verlengen van de geldigheidstermijn
van onderzoeken ten behoeve van woningbouw onderdeel van worden.
Naast vertraging in de voorfase en ontwerpfase vindt ook veel vertraging plaats in
de fase van bezwaar en beroep. Via het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting
zet ik in op het versnellen van de beroepsfase door versnelde behandeling van beroep
bij woningbouw, met beroep in één instantie. Versnelling in de fase van bezwaar kan
worden gerealiseerd binnen de bestaande wetgeving, bijvoorbeeld door bezwaarschriften
af te handelen binnen de wettelijke beslistermijnen. Een ander voorbeeld is door het
benutten van wettelijke mogelijkheden om in het omgevingsplan al te voorzien het woningbouwproject,
waardoor een extra vergunningprocedure (met een extra bezwaarmogelijkheid) achterwege
kan blijven. Bovenstaande vraagt versnelling vereist ook versterking van de uitvoeringskracht
bij gemeenten belangrijk, zoals versterking van de kennis en capaciteit en delen van
goede voorbeelden. In het programma uitvoeringskracht zet ik in op versterking van
kennis en capaciteit van medeoverheden in samenwerking met IPO en VNG.
Vraag 19:
Kan worden uitgesplitst uit welke soorten woningen de 79.900 gerealiseerde woningen
in 2025 zijn opgebouwd, en aangegeven welke categorieën het meest achterbleven bij
de doelstellingen?
Antwoord:
In 2025 zijn er 79.900 woningen gerealiseerd. 69.200 daarvan betrof nieuwbouw. De
andere 10.700 betrof andere toevoegingen zoals transformaties, splitsingen of optoppingen.
Het CBS rapporteert voor de 69.200 nieuwbouwwoningen welk type woningen dit betreft.
58% waren appartementen en 42% eengezinswoningen. Voor wat betreft deze eengezinswoningen
gaat het voor 26% om vrijstaande woningen, 13% om twee-onder-één-kapwoningen, 21%
om hoekwoningen en 40% om tussenwoningen. De 10.700 toevoegingen zijn over het algemeen
appartementen, omdat de meeste toevoegingen transformaties van kantoor- en winkelpanden
zijn.
Voor wat betreft de vraag naar doelstellingen voor categorieën geldt dat er geen doelstelling
voor type woningen zijn. De enige doelstelling die er is, betreft het totaal aantal,
namelijk 100.000.
Vraag 20:
Kan het netto positieve saldo bij de huurtoeslag van € 381,5 miljoen ook worden gezien
als een signaal dat de regeling mogelijk minder huishoudens bereikt dan beoogd? Welke
lessen trekt u hieruit voor de raming en uitvoering van inkomensondersteuning bij
wonen?
Antwoord:
Met de huurtoeslag wordt beoogd huishoudens te ondersteunen van wie de huur relatief
hoog is in verhouding tot het inkomen. De huurtoeslaguitgaven in het jaar 2025 vallen
lager uit dan vooraf geraamd omdat de inkomensontwikkeling hoger uitviel dan verwacht.
Daarnaast is het aantal huurtoeslagontvangers lager dan geraamd. Dit hoeft niet automatisch
een signaal te zijn dat de regeling haar doelgroep niet bereikt. Bij de raming wordt
een zo realistisch mogelijke inschatting gemaakt van de doelgroep. Afwijkingen kunnen
ontstaan door ontwikkelingen in onderliggende factoren, bijvoorbeeld de inkomensontwikkeling
en de werkloosheid uit het Centraal Economisch Plan (CPB) of de demografische ontwikkeling.
De doorwerking van deze verschillende factoren wordt continu beoordeeld om zo te komen
tot een zo realistisch mogelijke raming. Doorgaans leidt dit tot een ramingsbijstelling
in het voorjaar, in 2025 zijn de uitgaven daarbij met € 236,7 mln. naar beneden bijgesteld.
Wanneer een beleidswijziging leidt tot een nieuwe groep rechthebbenden, wordt ingezet
op communicatie om deze doelgroep te bereiken.
Vraag 21:
Hoe wordt geborgd dat de landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving
op geen enkele manier hindernissen opwerpt voor de realisatie van broodnodige woningbouwprojecten?
Antwoord:
De Ministeries van IenW en van (toenmalig) VRO hebben onderzoek uit laten voeren om
de instrumenten uit het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving
(waar te bouwen) en de Landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving
(hoe te bouwen) te toetsen of deze de woningbouwopgave niet onevenredig te bemoeilijken.
De motie van het lid Peter de Groot c.s. (Kamerstuk II 2024–2025, 27 625, nr. 680) heeft hierom gevraagd.
In het uitgevoerde onderzoek is gekeken naar mogelijke effecten op locatiekeuze, kosten
en baten en snelheid van de ontwikkeling. Daaruit komt naar voren dat klimaatadaptief
bouwen en het principe van rekening houden met water en bodem niet nieuw zijn. Uit
het onderzoek blijkt niet dat de maatlat en het ruimtelijk afwegingskader woningbouw
als zodanig bemoeilijken of daarvoor nieuwe belemmeringen opwerpen. Bovenal zijn deze
instrumenten een formalisering en uniformering van een werkwijze die al langer gangbaar
was op locaties die uitdagingen kennen ten aanzien van water en bodem. Er is geen
directe belemmering voor het aantal te realiseren woningen geconstateerd; ruimtelijke
keuzes binnen de gekozen locatie kunnen wel veranderen. De locatiekeuze wordt niet
wezenlijk beïnvloed. Ook komt naar voren dat de instrumenten niet leiden tot vertraging,
mits tijdig toegepast. Verder blijkt dat kosten aan de voorkant van een ontwikkeling
hoger kunnen zijn op locaties die een opgave hebben ten aanzien van water en bodem,
bijvoorbeeld omdat daar meer vooronderzoek en afstemming nodig is, en maatregelen
in het ontwerp moeten worden opgenomen. Gemeenten verwachten daarentegen dat dergelijke
investeringen in klimaatadaptiviteit zich later terugbetalen in de vorm van onder
andere lagere beheers- en onderhoudskosten.
Dit betekent dat vroegtijdig bij woningbouwprojecten rekening gehouden moet worden
met lokale water- en bodemopgaven, bijvoorbeeld om verzakkingen of wateroverlast te
voorkomen. Via de uitwerking van de Woontopafspraak over water en bodem zet het kabinet
daarom in op uniforme kaders, duidelijke en vroegtijdige afspraken daarover, en wordt
handelingsperspectief geboden door middel van innovatieve ontwerpconcepten.
Vraag 22:
Hoe ziet u de balans tussen normeren, stimuleren en regisseren bij energiebesparing
en CO₂-reductie in de gebouwde omgeving, met name voor woningcorporaties die verduurzamingsopgaven
hebben maar bijvoorbeeld niet voor de SVOH in aanmerking komen?
Antwoord:
Het kabinet ziet normeren, stimuleren en regisseren als complementaire instrumenten,
die allemaal nodig zijn om voldoende energiebesparing en CO₂-reductie in de gebouwde
omgeving te realiseren. Normering biedt duidelijkheid en draagt bij aan daadwerkelijke
verduurzaming, bijvoorbeeld via de uitfasering van woningen met de slechtste energielabels.
Op dat vlak heeft de corporatiesector overigens al grote stappen gezet. Stimulering
helpt de doelen te realiseren. Voor verschillende doelgroepen bestaan subsidieregelingen
en financieringsinstrumenten. De SVOH richt zich specifiek op particuliere verhuurders,
waar nog een aanzienlijke verduurzamingsopgave ligt. Woningcorporaties komen hiervoor
niet in aanmerking, omdat zij via andere routes worden ondersteund, onder meer via
de NPA en borgingsmogelijkheden via het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Daarnaast
ziet het kabinet een belangrijke regisserende rol voor Rijk, gemeenten en corporaties
gezamenlijk. Via prestatieafspraken, wijkgerichte aanpakken wordt gestuurd op een
samenhangende verduurzamingsaanpak.
Vraag 23:
Kan worden aangegeven hoe de verdubbeling van het aangevraagde SVOH-budget naar € 23,8 miljoen
zich verhoudt tot het totale budget van € 152 miljoen en het op 30 april 2026 nog
steeds beschikbare bedrag van € 113,7 miljoen?
Antwoord:
De verdubbeling van het aantal aanvragen betekent dat meer private verhuurders met
verduurzaming aan de slag gaan en de SVOH daarbij beter weten te vinden. Dit heeft
onder andere te maken met het feit dat de SVOH per 2025 sterk is verbeterd. De SVOH
is in 2025 uitgebreid en de looptijd is verlengd tot en met 2029. Zo zijn de subsidiebedragen
verhoogd en kan er nu bij de SVOH subsidie worden aangevraagd voor warmtepompen en
zonneboilers. Bovendien is de stijging te verklaren vanwege de aangekondigde uitfasering
van energielabels EFG per 2029, waardoor private verhuurders richting 2029 steeds
meer inzetten op verduurzamen.
Het toegekende budget in 2025 lag op € 13,9 mln., waarbij opgemerkt dient te worden
dat een deel van de aanvragen uit 2025 in 2026 toegekend zullen worden. Een verdere
stijging in het aantal aanvragen is te verwachten door de aangekondigde uitfasering
van energielabels EFG per 2029 en de opgave die er nog ligt: er zijn naar schatting
nog ongeveer 220.000 private huurwoningen die verduurzaamd dienen te worden. De verwachte
stijging wordt ondersteund door prognoses van RVO voor 2026, onder meer op basis van
gesprekken met de doelgroep. De komende jaren zullen we het plafond in relatie tot
de aanvragen en toekenningen monitoren.
Vraag 24:
Kan u verklaren waarom op 30 april 2026 nog 75% van het SVOH-budget beschikbaar was,
en welke conclusie u hieruit trekt over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de
regeling?
Antwoord:
De lagere realisatie van de SVOH tot 2025 wijst niet op één enkele oorzaak. De regeling
loopt tot 2030 en heeft in de eerste jaren te maken gehad met bredere onbekendheid.
In de private huurmarkt zien we, ondanks het stijgend aantal aanvragen en toename
in verduurzaming, een meer afwachtende houding ten aanzien van verduurzaming. Dit
komt onder meer door de «split incentive», wat inhoudt dat de directe voordelen van
de investering door de verhuurder (grotendeels) ten gunste van de huurder komen in
de vorm van een lagere energierekening. Daarnaast hebben verhuurders te maken met
een minder voorspelbaar en aantrekkelijk investeringsklimaat door maatregelen in het
huurbeleid en de fiscaliteit, zoals de Wet Betaalbare Huur en box 3. Dat kan ertoe
leiden dat zij verduurzamingsinvesteringen uitstellen.
Daarnaast kan er een verschil zitten tussen het moment waarop subsidie wordt aangevraagd
en verleend en het moment waarop middelen daadwerkelijk tot uitbetaling komen. De
SVOH-subsidie wordt pas vastgesteld en uitbetaald nadat werkzaamheden (tot € 25.000)
zijn uitgevoerd en de aanvrager een vaststellingsverzoek heeft ingediend. Een deel
van de verplichtingen kan daardoor pas in latere jaren tot kasrealisatie leiden.
Dat op 30 april 2026 nog een aanzienlijk deel van het budget beschikbaar was, betekent
daarom niet zonder meer dat de regeling niet doelmatig of niet doeltreffend is. De
regeling heeft inmiddels geleid tot circa 30.000 maatregelen die bijdragen aan de
verduurzaming van huurwoningen. Daarmee levert de SVOH concreet resultaat op voor
de daartoe bestemde doelgroep.
De SVOH wordt later dit jaar breder geëvalueerd in verband met de verplichte beleidsmatige
evaluatie die voor subsidieregelingen periodiek plaatsvindt. In die evaluatie zullen
ook de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling onderzocht worden.
Vraag 25:
Waarom sluit u woningcorporaties uit van de SVOH, terwijl de regeling bedoeld is voor
verduurzaming en onderhoud van huurwoningen en op 30 april 2026 nog 75% van het budget
beschikbaar was?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 10.
Vraag 26:
Waarom kiest u ervoor de SVOH te richten op private verhuurders, terwijl huurders
van corporatiewoningen eveneens belang hebben bij lagere energielasten, beter wooncomfort
en verduurzaming?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 10.
Vraag 27:
Waarom is bij de SVOH in 2025 € 5,895 miljoen minder gerealiseerd dan begroot, en
wijst dit op onvoldoende belangstelling, ontoereikende regelingvoorwaarden, uitvoeringsproblemen
of een andere oorzaak?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 24. Aanvullend zien we in de praktijk geen uitvoeringsprobleem
bij de regeling: de aanvragen worden door RVO binnen de wettelijke termijn verwerkt.
Wel valt op, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de ISDE en SVVE, dat de kwaliteit van
de aanvragen bij de SVOH-doelgroep aanzienlijk lager ligt. Dit leidt tot een hoger
percentage afwijzingen en vraagt om intensievere begeleiding. RVO optimaliseert daartoe
de communicatie en de aanvraagprocedure. We zien dat het aantal aanvragen stijgt,
mede door het verbeteren van de regelingsvoorwaarden per 2025. Dit wijst erop dat
er behoefte is en deze toeneemt.
De regeling blijft wel aandacht vragen, ook in de communicatie. De bekendheid van
de SVOH is in 2025 verder ondersteund met aanvullende communicatieactiviteiten. In
2026 wordt daarnaast een bredere campagne gericht op de verduurzaming van private
huurwoningen uitgezet, waarin ook aandacht zal zijn voor de SVOH. Hetzelfde geldt
voor de normering (uitfaseren EFG-labels in de huursector) die per 1 januari 2029
zal ingaan.
Vraag 28:
Waarom is in 2025 € 5,895 miljoen minder gerealiseerd dan begroot voor de subsidie
verduurzaming en onderhoud huurwoningen, en bent u bereid dit bedrag en/of resterende
SVOH-middelen beschikbaar te stellen voor verduurzaming door woningcorporaties?
Antwoord:
Zie voor het antwoord over de lagere realisatie het antwoord op vraag 27. Aanvullend
zou het beschikbaar stellen van een relatief klein bedrag voor woningcorporaties alleen
na een voorafgaande wijziging van de subsidieregeling mogelijk zijn en vooral leiden
tot aanvullende uitvoeringskosten. Dat zal ten koste gaan van de doelmatigheid van
de subsidiegelden. Met woningcorporaties worden andere afspraken gemaakt om hen te
ondersteunen richting verduurzaming. Zie daarvoor het antwoord op vraag 10.
Vraag 29:
Wat is tot op heden de meerwaarde geweest van de onafhankelijke hoogleraar Omgevingsrecht
in gebiedsontwikkeling? (blz: 68)
Antwoord:
Het doel van aanstellen van een onafhankelijk hoogleraar Omgevingsrecht in gebiedsontwikkeling
is:
1. Het evalueren van wetgeving rond gebiedsontwikkeling;
2. Het ontwikkelen en verspreiden van kennis over de wisselwerking tussen het omgevingsrecht
en de praktijk van gebiedsontwikkeling;
3. Het ontwerpen van handreikingen voor de toe- en aanpassing van het omgevingsrechtelijke
instrumentarium, waaronder dat van de Omgevingswet.
De positie van hoogleraar Omgevingsrecht aan de TU Delft wordt sinds november 2023
ingevuld door prof. Marlon Boeve.
De afgelopen periode kenmerkt zich door de eerste, voorzichtige, inzichten in praktijkervaringen,
omgevingsdocumenten en jurisprudentie onder de Omgevingswet. In samenwerking met de
Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) zijn in 2025, onder voorzitterschap van
prof. Boeve, meerdere thematafels georganiseerd. Er wordt actief kennis uitgewisseld
over de eerste ervaringen met de Omgevingswet in de praktijk van gebiedstransformatie.
Daarbij worden acties voor de praktijk, beleid en/of regelgever geformuleerd. Verder
is door prof. Boeve een bijdrage geleverd aan meerdere publicaties. Bijvoorbeeld een
publicatie over de eerste ervaringen met participatie onder de Omgevingswet. Ook is
een bijdrage geleverd aan een (deels) evaluerende bundel over de eerste ervaringen
met de provinciale omgevingsverordening. Daarbij wordt bij de werkzaamheden waar mogelijk
samengewerkt met de regeringscommissaris Omgevingswet, de heer Kars de Graaf. Verder
heeft prof. Boeve samen met prof. Frank Groothuijse (UU) een paper over de woningbouwopgave
voor «Parlement en Wetenschap» geschreven die is gepresenteerd en bediscussieerd in
een technische briefing aan de Tweede Kamercommissie Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening op 12 maart 2025. Hiermee draagt de hoogleraar Omgevingsrecht op dit moment
onder andere bij aan het evalueren van de wetgeving rond gebiedsontwikkeling en het
verspreiden van kennis (kennisdeling), waarmee zij van meerwaarde is.
Vraag 30:
Wordt het Atelier Rijksbouwmeester ook ingezet om gemeenten met capaciteitsproblemen
inzake volkshuisvesting en ruimtelijke ordening bij te staan? Zo nee, liggen daar
misschien mogelijkheden?
Antwoord:
Het Atelier Rijksbouwmeester heeft als taak om het College van Rijksbouwmeester en
Rijksadviseurs (CRa) te ondersteunen in haar rol om het Rijk, vanuit een onafhankelijke
positie, gevraagd en ongevraagd te adviseren over actuele ruimtelijke en maatschappelijke
opgaven. Het bijstaan van gemeenten met capaciteitsproblemen past om die reden naar
haar aard en omvang niet binnen het takenpakket van het atelier. Tegelijkertijd is
wel duidelijk dat er bij gemeenten behoefte is aan hulp bij specifieke kennishiaten.
Mede daarom onderhoudt het atelier vanuit haar bovengenoemde verantwoordelijkheid
contacten met onder anderen stadsbouwmeesters in het kader van ruimtelijke ordeningsvraagstukken
en ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Ook leveren de adviezen die het CRa opstelt vaak welkome
inzichten op voor gemeenten. Daarnaast zet ook de rijksoverheid in bredere zin ontwerpkracht
en ontwerpend onderzoek in om die hiaten te vullen, onder meer in het kader van het
Programma NOVEX en via de Werkplaatsen in het kader van de Actieagenda Ruimtelijk
Ontwerp.
Vraag 31:
Kan zo exact mogelijk worden toegelicht voor de jaren 2023 t/m 2025 hoeveel agrarische
compensatiegronden zijn gebruikt voor alle relevante beleidsdoelen waarvoor ze zijn
ingezet?
Antwoord:
Het Rijksvastgoedbedrijf zet agrarische compensatiegronden in voor verschillende doelen,
zoals het realiseren van woningbouw, huisvesting voor het Rijk of Defensie, de verbetering
van waterkwaliteit of de uitbreiding van het stroomnet. De systemen die het RVB hiervoor
hanteert houden niet bij ten behoeve van welk doel een specifiek perceel wordt verkocht.
Het is daarom niet mogelijk om op korte termijn exact per jaar toe te lichten met
welk specifiek doel een perceel is verkocht. Het RVB gaat dit vanwege de toenemende
vraag naar en belang van de inzet van ruilgrond in de toekomst wel nauwkeurig bijhouden.
Wel kan nu aangegeven worden dat in 2023 57 hectare verkocht is, in 2024 175 hectare
en 2025 66 hectare.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier