Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake inrichting toezicht op de naleving van de AI-verordening
2026D28793 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Digitale Zaken hebben enkele fracties de behoefte om
enkele vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Economische
Zaken en Klimaat inzake «Inrichting toezicht op de naleving van de AI-verordening»
(Kamerstuk 22 112, nr. 4318).
De voorzitter van de commissie,
Dekker
Adjunct-griffier van de commissie,
Muller
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
II
Antwoord/reactie van de bewindspersoon
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de
inrichting van het toezicht op de naleving van de AI-verordening. Deze leden hebben
hierover nog enkele vragen.
Zij lezen dat het kabinet kiest voor een toezichtstelsel met tien verschillende markttoezichtautoriteiten.
Deze leden begrijpen de wens om aan te sluiten bij bestaande expertise en bevoegdheden,
maar constateren tegelijkertijd dat samenwerking, gezamenlijke kennisopbouw en kennisdeling
tussen toezichthouders een belangrijke pijler vormen onder het voorgestelde stelsel.
Zij lezen dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur
(RDI) een coördinerende rol krijgen bij het bevorderen van een uniforme toepassing
van de AI-verordening. Tegen deze achtergrond vragen de leden hoe het kabinet waarborgt
dat de verordening door alle toezichthouders op uniforme wijze wordt uitgelegd en
toegepast. Welke instrumenten krijgen de AP en de RDI om een uniforme benadering van
de AI-verordening te bevorderen? Worden hierover samenwerkingsafspraken gemaakt, zowel
tussen de AP en de RDI als tussen deze toezichthouders en de overige markttoezichtautoriteiten?
Kunnen de AP en RDI bijvoorbeeld gezamenlijke handhavingskaders, interpretatierichtlijnen
of toezichtagenda’s opstellen?
De leden van de D66-fractie lezen dat de financiële consequenties van het toezicht
nog in kaart worden gebracht. Wanneer verwacht het kabinet hierover duidelijkheid
te kunnen geven? Deze leden lezen dat op basis van deze inventarisatie mogelijk aanvullende
financiële middelen nodig zijn of herprioritering binnen bestaande middelen wordt
overwogen. Hoe zal het kabinet deze opties beoordelen en afwegen? Daarnaast vragen
zij of de beoogde markttoezichtautoriteiten momenteel over voldoende technische AI-expertise
beschikken om deze nieuwe taken uit te voeren. Acht het kabinet specifieke investeringen
in kennisopbouw en werving van specialistisch personeel noodzakelijk? En deelt het
kabinet de opvatting dat de uitvoering van bestaande toezichtstaken niet onder druk
mag komen te staan door de invoering van nieuwe toezichtstaken?
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat Nederland een AI-testomgeving voor
regelgeving zal inrichten. Deze leden onderschrijven het belang van een dergelijke
testomgeving om innovatie mogelijk te maken en tegelijkertijd naleving van regelgeving
te bevorderen. Kan het kabinet nader toelichten hoe deze testomgeving wordt ingericht?
Welke organisaties kunnen hiervan gebruikmaken? En hoe wordt geborgd dat deze omgeving
ook toegankelijk genoeg is voor startups, scale-ups en kennisinstellingen met beperkte
juridische capaciteit en specialistische expertise?
Zij vragen daarnaast hoe het kabinet bij de inrichting van het toezicht rekening houdt
met de positie van open-source AI. Welke gevolgen verwacht het kabinet dat de uitvoering
van de AI-verordening in Nederland zal hebben voor ontwikkelaars van open-source AI-modellen
en -toepassingen, waaronder initiatieven vanuit universiteiten en kennisinstellingen?
Hoe wordt geborgd dat ruimte blijft bestaan voor open innovatie en onderzoek, terwijl
tegelijkertijd wordt voldaan aan de eisen van de AI-verordening?
Verder vragen de leden van de D66-fractie hoe de voorgestelde Nederlandse toezichtsinrichting
zich verhoudt tot de keuzes die andere lidstaten maken. Verwacht het kabinet dat de
inrichting met meerdere markttoezichtautoriteiten voldoende aansluit bij de toezichtstructuren
elders in Europa? En hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen lidstaten leiden tot
onduidelijkheid voor organisaties die grensoverschrijdend actief zijn?
Tot slot constateren deze leden dat het kabinet accepteert dat de uitvoeringswet mogelijk
later in werking treedt dan op grond van de AI-verordening wordt voorzien. Zij vragen
op welke wijze het kabinet in de tussenliggende periode duidelijkheid biedt aan organisaties
over hun verplichtingen onder de AI-verordening en het toezicht daarop.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de
inrichting van het toezicht op de naleving van de AI-verordening. Deze leden delen
de opvatting van het kabinet dat AI een steeds belangrijkere rol gaat spelen in de
maatschappij. Zij zien AI als een belangrijke bron van productiviteitsgroei. Tegelijkertijd
erkennen de leden van de VVD-fractie dat vertrouwen in AI-systemen essentieel is voor
een succesvolle toepassing van deze technologie. De leden van de VVD-fractie hebben
nog enkele vragen over de brief.
Deze leden constateren dat het kabinet ervoor kiest tien markttoezichtautoriteiten
aan te wijzen voor het toezicht op de naleving van de AI-verordening. Zij stellen
dat twee overwegingen daaraan ten grondslag liggen. De overwegingen die het kabinet
in de brief in bullets aandraagt, vormen echter geen reden waarom het kabinet ervoor kiest het toezicht te verspreiden, maar enkel een toelichting op
die keuze. Graag ontvangen deze leden een onderbouwing op de keuze van het kabinet
om het toezicht te verspreiden.
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de efficiëntie en de uniformiteit
van het toezicht. Het kabinet stipt dit in de brief aan, maar gaat hier niet verder
op in. Deze leden vragen het kabinet uitgebreider uiteen te zetten hoe het de efficiëntie
en uniformiteit van het toezicht op de AI-verordening waarborgt.
Het kabinet heeft de consequentie geaccepteerd dat de Nederlandse uitvoeringswet naar
verwachting later in werking treedt dan momenteel wordt voorgeschreven vanuit de verordening,
zo lezen deze leden. Een zorgvuldige vormgeving van het toezicht achten de leden van
groot belang, maar zij vragen wel naar de gevolgen van de latere inwerkingtreding.
Is er kans op een inbreukprocedure vanuit de Europese Commissie? Zijn er meer lidstaten
die kiezen voor een latere datum van inwerkingtreding?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat het kabinet wil voldoen aan de verplichting
uit de verordening om tenminste één AI-testomgeving vanaf augustus 2026 aan te bieden,
door een multisectorale NL sandbox in te richten. Hoe moet deze sandbox verschillende
sectoren die willen experimenteren met AI bedienen, bijvoorbeeld tegelijkertijd sectoren
in de fysieke wereld (en dan ook nog te land, te water, te lucht) en sectoren die
hun verdienmodel online willen bouwen? Als er een fysieke sandbox wordt ingericht,
waar in Nederland moet deze dan komen? En waarom kiest het kabinet niet voor meer
dan één sandbox, aangezien de verordening daar wel ruimte voor biedt? Gaat het kabinet
de verplichting uit de verordening om de sandbox vanaf augustus 2026 gereed te hebben
wel halen en zo niet, waarom niet en deelt het kabinet de mening van de leden van
de VVD-fractie dat haast met de ontwikkeling van AI nodig is daar we als Nederland
en EU in deze ontwikkeling nu al fors achterlopen op bijvoorbeeld China en de Verenigde
Staten? Is het juridisch mogelijk om heel Nederland als sandbox aan te wijzen en zo
niet, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de manier waarop het kabinet
het toezicht op de AI-verordening wil inrichten. Deze leden waarderen de uitgebreide
uitleg over hoe het stelsel optimaal kan werken. Wel hebben zij nog vragen en zorgen
die zij hieronder uiteen zullen zetten.
Ten eerste betreuren de leden van de PRO-fractie de late implementatie van de AI-verordening
in Nederland. Het is een patroon dat het kabinet digitale wetgeving te laat implementeert.
Wat bedoelt het kabinet door te zeggen dat zij «de consequentie [heeft] geaccepteerd»
van late implementatie? Welke nadelen heeft dit en is er een kans dat Nederland een
tik op de vingers krijgt? Hoe wordt de periode tussen de inwerkingtreding van de AI-verordening
op Europees niveau en het nationaal implementeren hiervan overbrugd?
Deze leden hebben vragen over het doel van de AI-verordening. Volgens hen is het een
doel op zich om, via Europese wetgeving, de totale dominantie van niet-Europese techgiganten
op de digitale markt te bestrijden. Zij zien de monopolie van enkele bedrijven als
een risico voor onze digitale autonomie. Deelt het kabinet deze analyse? Op welke
wijze draagt de AI-verordening bij aan dit doel? Heeft het kabinet inzicht in welke
lobby heeft plaatsgevonden vanuit niet-Europese techgiganten om de AI-verordening
te beïnvloeden, en zo ja, waaruit blijkt dit?
De leden van de PRO-fractie pleiten voor waardevolle en verantwoorde digitalisering.
Deze leden vragen het kabinet om concreet te maken welke zorgen zij hebben over de
gevolgen van AI voor veiligheid, gezondheid en fundamentele rechten. Kan het kabinet
uitleggen hoe deze belangen in het geding komen zonder de AI-verordening? Welke verbeteringen
brengt de AI-verordening voor deze belangen aan? Ook staan deze belangen soms op gespannen
voet met de doelen van het kabinet om regeldruk te voorkomen en innovatie aan te jagen.
Hoe maakt het kabinet deze afweging? Is er nu voldoende balans tussen de belangen?
Zijwijzen er op dat dingen die de AI-verordening verbiedt, vooralsnog volop gebeuren.
Zo wordt het ongericht scrapen van gezichtsafbeeldingen verboden. Toch is bekend dat
Meta dit volop doet, zoals blijkt uit berichtgeving uit 2024.1 Hier zijn door het lid Kathmann ook vragen over gesteld [2024Z11324]. Wat verandert de AI-verordening concreet aan dit soort praktijken? Wie is er bevoegd
om in te grijpen bij dit soort gedrag van techgiganten?
De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd hoe de AI-verordening onderscheid maakt
tussen algoritmes en AI-systemen. Wat is het technische verschil tussen de definities?
Is in elk geval duidelijk welke bestaande algoritmes onder deze verordening vallen?
Zijn er nog grijze gebieden die vooraf verduidelijkt kunnen worden?
Deze leden zijn blij met de transparantie-eisen voor chatbots en generatieve AI. Te
vaak zorgen «menselijke» chatbots voor verwarring bij mensen, met een vals gevoel
van veiligheid en betrouwbaarheid. Wat gaat het kabinet doen om bij alle chatbots
die worden gebruikt in overheidsdienstverlening, bijvoorbeeld bij de politie of bij
gemeenten, volstrekt helder te maken dat er geen menselijk contact is? Aan welke technische
eisen moeten chatbots voldoen om hierover «transparant» te zijn?
Zij plaatsen een kritische kanttekening bij het toezicht van de Europese Commissie
op algemene AI-modellen die achter chatbots zitten zoals ChatGPT en Gemini. De strijd
om AI-macht is geopolitiek: het is bekend dat AI-regulering een discussie is in onderhandelingen
tussen de Europese Commissie en de Verenigde Staten. De macht van de Amerikaanse overheid
en techgiganten is verknoopt. Onderschrijft het kabinet deze analyse? Wordt het toezicht
op de grootste modellen niet kwetsbaar voor lobby en politieke druk, als de Commissie
hierop toezicht houdt? Deze leden vragen het kabinet om duidelijk uit te leggen hoe
de onafhankelijkheid van dit toezicht wordt gewaarborgd.
De leden van de PRO-fractie hebben vragen over het kennisniveau en de capaciteit bij
sectorale toezichthouders die vooralsnog weinig met AI te maken hebben. Hoe wordt,
bijvoorbeeld in de domeinen rechtshandhaving, migratie-, asiel- en grenstoezichtbeheer,
rechtsbedeling en democratische processen, dit kennisniveau verhoogd? Deze leden vragen
om een onderbouwing welke middelen hiervoor nodig zijn. Als dat niet beschikbaar is,
vragen zij op welke termijn dat wel duidelijk is.
Zij hebben vragen over de derde partijen die hoog-risico AI-systemen moeten certificeren.
Welke derde partijen worden aangewezen en welke eisen zijn er voor hun onafhankelijkheid?
De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat het huidige toezicht- en handhavingsstelsel
voor privacy en digitalisering al mankementen kent. De Autoriteit Persoonsgegevens
(AP) heeft meermaals aangegeven meer middelen nodig te hebben om effectief toezicht
te houden op de bestaande taken. Hoe kijkt het kabinet naar het huidige stelsel? Erkent
zij dat deze niet in alle gevallen optimaal functioneert, en grijpt zij dit moment
aan om hier structurele verbeteringen in te maken? Op welke termijn wordt er een berekening
gemaakt van de aanvullende middelen die voor alle toezichthouders nodig zijn?
Deze leden lezen dat het kabinet het advies van de toezichthouder «grotendeels» heeft
overgenomen. Zij zijn uiteraard benieuwd op welke punten het kabinet afwijkt van het
advies. Kan het kabinet concreet onderbouwen waarom zij dit heeft gedaan en dat dit
niet tot problemen in het toezicht zal leiden? Kunnen de toezichthouders zich vinden
in het huidige voorstel?
De leden van de PRO-fractie steunen het idee om het toezicht sterk te coördineren
en kennisopbouw te bevorderen. Wel zijn deze leden benieuwd hoe dit in de praktijk
vorm krijgt. Hoe wordt kennis en capaciteit in de praktijk uitgewisseld tussen de
verschillende toezichthouders? Hoe wordt voorkomen dat er op grensgebieden van toezicht
handelingsverlegenheid ontstaat? Komt er structureel overleg tussen toezichthouders
om gecoördineerd aan de slag te gaan, en zo ja, met welke regelmaat?
De leden van de PRO-fractie spreken hun vertrouwen uit over de manier waarop de toezichthouders,
met name de AP, haar toezicht zal invullen. Echter stellen deze leden wel dat het
te verwachten is dat, als er geen toereikende middelen worden toegekend, er wel degelijk
keuzes gemaakt moeten worden over de prioritering van de verschillende toezichtstaken
die de AP heeft. Erkent het kabinet dat dit een risico is? Zegt zij toe dat hier geen
sprake van zal zijn, en dat alle taken van de AP naar behoren vervuld zullen blijven?
De leden van de PRO-fractie achten het onrealistisch dat toezicht op de AI-verordening
niet zal leiden tot (aanzienlijk) hogere kosten bij de toezichthouders. Deze leden
hebben zorgen over de stelling van het kabinet dat er mogelijk sprake is van «herprioritering
binnen bestaande middelen.» Het uitgangspunt moet in alle gevallen zijn dat het toezicht
op alle domeinen op orde blijft en dat er geen kwaliteitsverlies komt. Hoe worden
de financiële consequenties en de uitvoerbaarheid van de nieuwe toezichtstaken in
kaart gebracht? Op welke termijn komt dit inzicht, en welke consequenties verbindt
het kabinet aan de uitkomst?
Zij vinden het van groot belang dat het toezichtstelsel blijvend verbeterd wordt.
Hiervoor achten de leden van de PRO-fractie het noodzakelijk dat er een structuur
is waar knelpunten, problemen en verbeteringen blijvend opgehaald worden. Op welke
momenten wordt het stelsel geëvalueerd en hoe worden signalen over de uitvoering opgehaald
en aangepakt?
Deze leden willen weten wanneer de verschillende toetsen, die parallel lopen aan de
internetconsultatie, worden afgerond en gedeeld. Wat doet het kabinet met de uitkomsten?
Zij lezen dat het kabinet het voorstel «volledig van dekking» wil voorzien. Wat bedoelt
het kabinet hiermee? Betekent dit dat alle benodigde extra middelen voor de toezichthouders
worden vrijgemaakt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over
de inrichting van het toezicht op de naleving van de AI-verordening en hebben daarover
de volgende vragen.
Deze leden lezen dat het kabinet kiest voor een toezichtstelsel met tien markttoezichtautoriteiten,
met de RDI als centraal contactpunt en een gezamenlijke coördinatierol voor RDI en
AP. Zij vragen hoe het kabinet voorkomt dat deze inrichting in de praktijk leidt tot
versnippering, onduidelijkheid en verschillen in uitleg of handhaving tussen toezichthouders.
Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe voor bedrijven, burgers en instellingen
duidelijk wordt bij welke toezichthouder zij moeten zijn.
Deze leden lezen dat een groot deel van het toezicht bij de AP wordt belegd, waaronder
verboden AI-praktijken, transparantieverplichtingen en een groot deel van de hoog-risico
toepassingsgebieden. Zij vragen hoe het kabinet waarborgt dat de AP deze brede taak
ook daadwerkelijk aankan, mede gelet op haar bestaande takenpakket. Ook vragen de
leden van de CDA-fractie hoe de beoogde zelfstandige en nevengeschikte positionering
van het AI-toezicht binnen de AP in de praktijk zal functioneren.
Deze leden lezen voorts dat het kabinet bewust kiest voor een zorgvuldige inrichting
van het toezicht, ook als gevolg waarvan de uitvoeringswet waarschijnlijk later in
werking treedt dan de verordening nu voorschrijft. Zij vragen hoe het kabinet in de
tussenliggende periode rechtszekerheid voor bedrijven en burgers wil bieden, nu de
verordening al rechtstreeks geldt maar de nationale toezichtinrichting en bevoegdheidstoedeling
nog niet volledig zijn afgerond.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet de financiering van dit
nieuwe toezichtstelsel wil borgen. Kan het kabinet aangeven wanneer duidelijkheid
wordt verwacht over de structurele dekking, en hoe wordt voorkomen dat nieuwe toezichttaken
wel wettelijk worden opgedragen maar onvoldoende uitvoerbaar blijken door gebrek aan
middelen of specialistisch personeel?
Deze leden lezen dat het kabinet voor bestaande productregelgeving en financiële instellingen
zoveel mogelijk aansluit bij bestaande toezichthouders. Deze leden vragen hoe het
kabinet de samenwerking tussen sectorale toezichthouders en de AP concreet vorm wil
geven, juist op de grensvlakken waar AI, grondrechten, productveiligheid en sectorspecifieke
regels samenkomen. Zij vragen daarbij ook hoe wordt voorkomen dat lacunes of overlap
ontstaan.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet ervoor zorgt dat dit toezichtstelsel
niet alleen juridisch klopt, maar ook past bij de bredere ambitie om Nederland koploper
te maken in verantwoorde AI, met sterke Europese en Nederlandse capaciteit, onafhankelijke
toezichthouders en een overheid die minder afhankelijk is van grote buitenlandse technologiebedrijven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgenomen
inrichting van het toezicht op de Europese AI-verordening in Nederland. Deze leden
onderschrijven het belang van een effectief toezichtstelsel dat zowel innovatie mogelijk
maakt als de bescherming van rechten waarborgt. Zij hebben hierover nog enkele vragen
en opmerkingen.
De leden van de JA21-fractie zijn ervan op de hoogte dat de AI-verordening reeds in
werking is getreden en dat verschillende bepalingen de komende jaren van toepassing
worden. Tegelijkertijd geeft het kabinet aan dat de nationale uitvoeringswet naar
verwachting later in werking zal treden dan oorspronkelijk voorzien. Deze leden vinden
het van belang dat burgers, bedrijven en toezichthouders snel duidelijkheid hebben
over de wijze waarop de verordening wordt gehandhaafd. Kan het kabinet uitleggen welke
gevolgen deze vertraging heeft voor de effectieve handhaving van de AI-verordening?
Kan het kabinet uiteenzetten welke bevoegdheden toezichthouders gedurende deze tussenperiode
wel en niet kunnen uitoefenen? Hoe wordt voorkomen dat een handhavingstekort ontstaat
zolang de nationale uitvoeringswet nog niet volledig van kracht is?
Zij zijn ervan op de hoogte dat het kabinet kiest voor een model waarbij tien verschillende
markttoezichtautoriteiten verantwoordelijk worden voor het toezicht op AI binnen hun
eigen domein. De leden van de JA21-fractie begrijpen dat hiermee gebruik wordt gemaakt
van bestaande expertise, maar constateren tegelijkertijd dat deze keuze, de inrichting
van het toezicht, complex maakt. Kan het kabinet toelichten hoe wordt voorkomen dat
verschillende toezichthouders uiteenlopende interpretaties van de AI-verordening hanteren?
Kan het kabinet eveneens verduidelijken welke instrumenten de Autoriteit Persoonsgegevens
en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur krijgen om de noodzakelijke coördinatie
tussen toezichthouders daadwerkelijk af te dwingen? Kan het kabinet verder toelichten
hoe geschillen tussen toezichthouders worden opgelost wanneer verantwoordelijkheden
elkaar overlappen?
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat effectief toezicht op AI niet alleen juridische
kennis vereist, maar ook diepgaande technische expertise. Deze leden constateren dat
verschillende toezichthouders nog bezig zijn de gevolgen van hun nieuwe taken in kaart
te brengen. Tegelijkertijd is gespecialiseerde AI-kennis schaars op de arbeidsmarkt.
Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokken toezichthouders
over voldoende capaciteit en deskundigheid beschikken om hun taken uit te voeren?
Kan het kabinet verder verduidelijken welke aanvullende financiële middelen beschikbaar
worden gesteld voor de uitvoering van het toezicht?
Zij constateren dat AI-systemen steeds vaker verschillende maatschappelijke domeinen
tegelijk raken. Een AI-toepassing kan bijvoorbeeld zowel gevolgen hebben voor privacy,
arbeidsverhoudingen als de gezondheidszorg. Hoe wil het kabinet voorkomen dat onduidelijkheid
ontstaat over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen toezichthouders wanneer meerdere
toezichtsdomeinen samenkomen? Kan het kabinet toelichten welke toezichthouder uiteindelijk
leidend is wanneer bevoegdheden elkaar overlappen?
De leden van de JA21-fractie zien de meerwaarde van een Nederlandse AI-sandbox ter
ondersteuning van innovatie. Tegelijkertijd vragen deze leden welke waarborgen worden
ingebouwd om te voorkomen dat experimenteerruimte leidt tot risico’s voor grondrechten,
veiligheid of transparantie.
Kan het kabinet toelichten op welke wijze toezicht wordt gehouden op activiteiten
binnen de sandbox?
Deze leden zijn op de hoogte dat een groot deel van de geavanceerde AI-systemen die
in Nederland worden gebruikt, wordt ontwikkeld door internationale technologiebedrijven.
Zij constateren dat effectief toezicht daarom niet uitsluitend op nationaal niveau
kan worden georganiseerd. Kan het kabinet toelichten hoe het Nederlandse toezicht
zich verhoudt tot de Europese toezichtstructuur die voortvloeit uit de AI-verordening?
Kan het kabinet eveneens toelichten op welke wijze wordt samengewerkt met andere lidstaten
en Europese toezichthoudende instanties? Acht het kabinet het huidige toezichtstelsel
voldoende toegerust om toezicht te houden op grote internationale aanbieders van AI-systemen?
De leden van de JA21-fractie constateren tot slot dat bedrijven de komende jaren te
maken krijgen met nieuwe verplichtingen onder de AI-verordening. Tegelijkertijd kunnen
wijzigingen in Europese regelgeving en onduidelijkheid over de planning van bepaalde
verplichtingen leiden tot onzekerheid. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat bedrijven
tijdig duidelijkheid krijgen over hun verplichtingen? Kan het kabinet toelichten op
welke wijze organisaties worden ondersteund bij de naleving van de AI-verordening
en hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over regelgeving leidt tot onnodige administratieve
lasten of terughoudendheid bij innovatie?
II Antwoord/reactie van de bewindspersoon
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.