Schriftelijke vragen : Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie (ingezonden 10 juni 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en
Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder
terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische
uitlatingen?1
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van
voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen
welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd
zijn? Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren»
zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Vraag 4
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers
en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd
dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Vraag 5
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding
van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden,
Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers?
Zo ja, waarom?
Vraag 6
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke
uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende
of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht
u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond
van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting
op geven?
Vraag 7
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing
van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens
de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Vraag 8
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid
juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie
met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis
van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te
selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Vraag 10
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker
eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid
tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in
het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
Ondertekenaars
Shanna Schilder, Tweede Kamerlid