Schriftelijke vragen : Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’
Vragen van de leden Stoffer (SGP) en Ceder (ChristenUnie) aan de Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie en Veiligheid over het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen» (ingezonden 9 juni 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school
vervolgen»?1
Vraag 2
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren
zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Vraag 3
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming
van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk
voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Vraag 4
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers
nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin
ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Vraag 5
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt
aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en
8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke
verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs
op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit
het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog
opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert
u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt
van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Vraag 6
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit
uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste
lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke
beslissing te nemen?3
Vraag 7
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een
verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet
en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek
de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Vraag 8
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad
van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn
geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs
en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere
lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar
jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Vraag 9
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid
hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang
van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen,
zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat
Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Vraag 10
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen
grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm
van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de
Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de
vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende
status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Vraag 11
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste
nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet
buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties
waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct
voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vraag 12
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek
van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond
dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat
het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door
de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote
zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie
van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders
en kinderen?
Vraag 13
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment
reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers
gewaarborgd?
Vraag 14
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel
23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat
niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vraag 15
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare
school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel
benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze
komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs
juist van alle scholen verwacht wordt?
Vraag 16
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare
school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een
objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning
of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te
verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving
toereikend zijn?
Vraag 17
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over
dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Indieners
-
Gericht aan
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Gericht aan
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Chris Stoffer, Kamerlid -
Medeindiener
Don Ceder, Kamerlid