Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Kamerstuk 36945-VI-2)
36 945 VI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie en Veiligheid 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de brief van 20 mei 2026 over het
Rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Justitie en
Veiligheid (Kamerstuk 36 945 VI, nr. 2). De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 8 juni
2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Paauwe
Vraag (1):
Is de regering het eens met de observatie van de Algemene Rekenkamer dat het gebrek
aan stuurinformatie over de (strafrecht)ketenprestaties een effectieve aanpak in de
weg staat?
Antwoord:
Het is belangrijk om te beschikken over juiste en tijdige informatie om de voortgang
en de prestaties in de strafrechtketen te kunnen monitoren. Deze informatie is van
belang om samen met de keten te kijken of er tussentijds bijsturing nodig is, en of
wij als verantwoordelijke bewindspersonen de ketenorganisaties extra kunnen ondersteunen
om de prestaties te verbeteren. Er zijn al verschillende instrumenten beschikbaar
om de prestaties in de keten te kunnen monitoren. Om beter vooruit te kunnen kijken
en tijdig bij te kunnen sturen wordt hard gewerkt aan belangrijke aanvullende instrumenten.
In de strafrechtketen is de nodige informatie voorhanden over de voortgang in strafzaken,
zoals de (factsheet) Strafrechtketenmonitor. Om intern te sturen beschikken de ketenorganisaties
over eigen dashboards en monitors op grond waarvan wordt gestuurd. Om in de toekomst
gezamenlijk beter te kunnen sturen wordt bovendien gewerkt aan enkele aanvullende
instrumenten.
Naast de landelijke monitors wordt er hard gewerkt aan lokale strafrechtketenmonitors
op de geprioriteerde zaakstromen. Er is inmiddels een pilot uitgevoerd op een regionale
zedenmonitor en een regionale jeugdmonitor. In verschillende regio’s wordt van deze
monitors gebruik gemaakt.
In dit licht is tevens in de afgelopen periode een verkenning uitgevoerd naar de bruikbaarheid
van een tool om in de keten vooruit te kijken, op basis van het PMJ-model. Deze tool
zou kunnen helpen om beter zicht te krijgen op hetgeen op de partners afkomt, specifiek
met betrekking tot de te verwachten hoeveelheid zaken. Op grond hiervan kunnen de
organisaties preciezer inschatten welke capaciteitsinzet benodigd zal zijn. De komende
tijd wordt samen met de ketenorganisaties gekeken hoe deze door het WODC ontwikkelde
tool het beste kan worden ontwikkeld en gebruikt.
Vraag (2):
Kan de regering aangeven hoe zij van plan is om het gebrek aan stuurinformatie in
de (strafrecht)keten weg te nemen?
Antwoord:
De komende periode wordt de informatie waarmee binnen de keten kan worden gestuurd
verbeterd. Actuele informatie vanuit de keten, zoals hierboven toegelicht, wordt al
op verschillende manieren gedeeld. Dit gebeurt niet alleen via bestuurlijke gesprekken
die wij met individuele ketenorganisaties voeren, maar ook via het Bestuurlijk Ketenberaad,
waar J&V thans voorzitter van is. Ook beschikken we over de strafrechtketenmonitor
en de jeugdmonitor.
Op het terrein van jeugd is het gelukt om een doorbraak te bereiken in het delen van
data, waardoor er kan worden gewerkt aan ketenbrede informatie over de doorlooptijden
ten aanzien van deze zaakstroom. Deze systematiek kan in de toekomst ook voor andere
zaakstromen gaan helpen.
Daarnaast heeft het CJIB in het kader van het deltaplan strafrechtketen de opdracht
gekregen om ten aanzien van de geprioriteerde zaakstromen een verkenning te doen naar
de mogelijkheid van het ontwikkelen van een strafrechtketen breed dashboard en een
bijbehorend systeem van besturen naar het model van de executieketen.
De afgelopen periode is een verkenning uitgevoerd naar de bruikbaarheid van een tool
om in de keten vooruit te kijken, op basis van het PMJ-model. Deze tool kan helpen
om beter zicht te krijgen op de te verwachten hoeveelheid zaken voor verschillende
ketenpartners. Wij zullen de komende tijd samen met de ketenorganisaties kijken hoe
deze tool het beste kan worden ontwikkeld en gebruikt.
Vraag (3):
Kan de regering aangeven hoe zij van plan is om te zorgen dat de keten op zijn minst
aan de voorwaarden voor decharge gaat voldoen?
Antwoord:
Die voorwaarden behelzen de beschikbaarheid van essentiële informatie over doorlooptijden
van individuele zaken, en hoe de bewindspersonen hun wettelijke bevoegdheid om aanwijzingen
te geven en regie te voeren inzetten ter bevordering van de bedrijfsvoering.
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven wordt bezien of gekomen kan worden tot een
ketenbreed dashboard naar het model van de executieketen. Het CJIB heeft al de opdracht
gekregen om hiertoe een verkenning te doen. Hiermee wordt onderzocht op welke wijze
individuele zaken door de keten kunnen worden gevolgd en wat daar voor nodig is.
Wat betreft de inzet van aanwijzingsbevoegdheid past hierbij uiterste terughoudendheid.
De aanwijzingsbevoegdheid komt bijvoorbeeld in geval van de Rechtspraak pas in beeld
bij zwaarwegende beheer- of stelselrisico’s, nadat regulier overleg, afspraken en
escalatie binnen de governance met de Raad voor de Rechtspraak geen oplossing hebben
geboden. De aanwijzing moet beperkt zijn tot zuiver beheer en organisatie en mag derhalve
ook niet indirect eventueel kunnen leiden tot beïnvloeding van te maken keuzes in
individuele zaken of rechterlijke oordeelsvorming.
De huidige omstandigheden geven ons geen aanleiding nu een dergelijke aanwijzing te
overwegen. Wij zien dat alle partijen binnen de strafrechtketen zeer gemotiveerd zijn
de resultaten in de keten in brede zin te verbeteren. Er is evident geen sprake van
onwil bij partijen, maar de materie is weerbarstig en complex. Dit laat onverlet dat
wij de regie op de strafrechtketen op andere manieren versterken. Zo is er sinds kort
binnen het departement een programmadirecteur strafrechtketen aangesteld om de coördinatie
binnen en vanuit het departement richting de strafrechtketen steviger vorm te geven.
Zijn taak is om samen met de ketenorganisaties de prestaties in de strafrechtketen
te helpen verbeteren en een soepele en ordentelijke implementatie van het nieuwe Wetboek
van Strafvordering te bevorderen. In de voortgangsbrief Strafrechtketen wordt nader
op het versterken van de regie en de aanwijzingsbevoegdheid ingegaan.
Vraag (4):
Kan de regering aangeven hoe zij van plan is om duidelijke doelen voor de prioriteiten
uit de beleidsagenda op te gaan stellen, zodat het voor de Tweede Kamer duidelijker
is hoe de regering voortgang op beleidsprioriteiten bijhoudt en zij daarop kan controleren?
Antwoord:
Zoals door het kabinet is toegezegd in het verantwoordingsdebat van 3 juni jl., zullen
in de Ontwerpbegroting 2027 duidelijke doelen worden opgenomen waarbij ook risico’s
zullen worden benoemd. Dit is een Rijksbrede uitwerking van de motie Van der Lee c.s.
(Kamerstuk 36 740, nr. 7) en het verzoek van de Commissie Rijksuitgaven (Kamerstuk 31 865, nr. 284).
Vraag (5):
De Algemene Rekenkamer licht ook de Nederlandse score op de Rule of Law-index uit:
kan de regering aangeven of zij deze index (al dan niet wettelijk vastgelegd) zou
willen benutten als een vaste indicator en richtlijn voor de publieke dienstverlening
op het gebied van justitie en veiligheid?
Antwoord:
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke democratische rechtsstaat en van
betrouwbare indicatoren die inzicht geven in het functioneren van de instituties die
deze rechtsstaat vormgeven, waaronder de justitiële en veiligheidsketen. De internationale
Rule of Law Index vormt in samenhang met andere kwalitatieve en kwantitatieve bronnen/instrumenten
een waardevolle bron van informatie, omdat deze inzicht biedt in aspecten zoals toegang
tot het recht, onafhankelijkheid van instituties, transparantie, corruptiebestrijding
en vertrouwen in de rechtsorde.
De index biedt een nuttig signalerend en spiegelend perspectief, vergelijkbaar met
rapportages van de European Commission for the Efficiency of Justice (CEPEJ), het
jaarlijkse EU-Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie en adviezen en standaarden
van de Venetië Commissie van de Raad van Europa. Deze rapporten en instrumenten bieden
in samenhang een breed en verdiepend beeld van onder andere toegang tot het recht,
kwaliteit en efficiëntie van de rechtspraak, institutionele checks and balances en
de bescherming van fundamentele rechtsstatelijke beginselen.
Het kabinet onderstreept het belang van het structureel en in samenhang monitoren
van ontwikkelingen op het terrein van de rechtsstaat, rechtsbescherming en toegang
tot het recht. Omdat een zorgvuldige beoordeling van het functioneren van de rechtsstaat
vraagt om een bredere weging van verschillende kwalitatieve en kwantitatieve bronnen
en instrumenten zijn internationale rapportages en vergelijkende indicatoren juist
als onderdeel van een bredere beoordeling een waardevol ijkpunt voor beleidsreflectie
en beleidsontwikkeling. Een wettelijke verankering van één specifieke internationale
index acht het kabinet daarom op dit moment niet wenselijk.
Vraag (6):
Kan de regering per ketenpartner (Openbaar Ministerie, politie, rechtspraak) de actuele
gemiddelde doorlooptijden per zaakstype (zeden, jeugd, verkeer) over 2023 tot 2025
geven voor zover beschikbaar?
Antwoord:
In de Factsheet Strafrechtketenmonitor wordt niet gerapporteerd over gemiddelde doorlooptijden.
De achtergrond is dat gemiddelde doorlooptijden sterk beïnvloed kunnen worden door
extreme waarden. Gemiddelden geven daardoor een vertekend beeld. In de Factsheet is
ervoor gekozen om te rapporteren over het percentage dat binnen een bepaald aantal
dagen wordt afgedaan. Hiermee wordt de voortgang met betrekking tot de gestelde streefnormen
gemonitord. De factsheet is opgenomen onder het antwoord op vraag 29.
Vraag (7):
Kan de regering uiteenzetten welke afwegingen er worden gemaakt bij de zaken die de
doorlooptijd beïnvloeden? Achterblijven van het beloop van het recht schaadt vertrouwen
in de overheid: wat als naast zorgvuldigheid ook snelheid wordt gewogen? En hoe heeft
dat dan invloed op een score van de Algemene Rekenkamer?
Antwoord:
Focus op doorlooptijden alleen is uiteindelijk onvoldoende is om de prestaties als
geheel te verbeteren. Een goed functionerende strafrechtketen is een keten die er
niet alleen voor zorgt dat strafzaken binnen redelijke termijn tot een einde komen,
maar ook dat straffen rechtvaardig en effectief zijn. Wij zijn daarom voornemens om
samen met de ketenorganisaties de focus te verbreden en daarbij te kijken naar de
gehele keten, van het begin van de opsporing tot en met de executie hoe die maatschappelijke
doelstellingen het beste gehaald kunnen worden, inclusief het vergroten van het vertrouwen
van de samenleving in het strafrecht.
Vraag (8):
Welke ambitieuze en haalbare doelstellingen denkt de regering dat vastgesteld kunnen
worden op basis van de indicatoren in het justitie- en veiligheidsdomein die de Algemene
Rekenkamer deelt, bijvoorbeeld de Rule of Law-index, het aantal geregistreerde en
opgehelderde meldingen, etc.?
Antwoord:
De werkwijze voor doelstellingen en indicatoren is andersom. Het kabinet stelt doelstellingen
vast aan de hand van het coalitieakkoord. Daarbij worden passende acties gezocht en
indicatoren om de voortgang op en de effectiviteit van de acties te kunnen meten,
monitoren en evalueren.
Vraag (9):
Welke risico’s ziet de regering ten aanzien van de foutieve tenaamstellingen in het
komende jaar, bijvoorbeeld ten aanzien van met terugwerkende kracht herstellen van
fouten, het herstellen van fouten samen met andere organisaties zoals Openbaar Ministerie
en Rechtspraak en hoe nieuwe wetsvoorstellen of koppelingen (zoals het Europees strafregistratiesysteem
Ecris van een tijdje terug) hier weer een foutmarge in brengen? Hoe voorkomen we dat
het volgend jaar weer verergerd is?
Antwoord:
Voor de risico’s van foutieve tenaamstellingen is van belang om welke fase van het
strafproces het gaat. Voordat een strafvonnis onherroepelijk is geworden, stelt de
Matching Autoriteit binnen Justid conform de bestaande werkwijzen de Leidende Administratieve
Identiteit vast.
Daarnaast wordt dit verwerkt in de strafrechtketendatabank. Hiermee worden de ketenpartners
die dit register raadplegen voorzien van adequate informatie. Nadat een strafvonnis
onherroepelijk is geworden, kan de Matching Autoriteit zelf correcties doorvoeren
als het gaat om gevallen die zich lenen voor een administratieve correctie. In andere
gevallen is rechterlijke tussenkomst vereist. In beide soorten gevallen wordt in de
systemen een markering aangebracht, zodat de raadplegende organisaties op de hoogte
kunnen zijn. Voor systemen zoals ECRIS, waarbij het justitiële documentatiesysteem
betrokken is, geldt ook dat daarin is gemarkeerd wanneer sprake is van een mogelijk
identiteitsconflict, zodat de organisaties die dit raadplegen kunnen voorkomen dat
onjuiste informatie zonder nader onderzoek gebruikt wordt.
Daarmee zijn de risico’s niet volledig weggenomen. Volledige foutloosheid is niet
realistisch, omdat identiteitsgegevens op verschillende momenten in de strafrechtketen
worden vastgesteld, verwerkt en gebruikt door meerdere organisaties. De inzet is daarom
om risico’s voor burgers en ketenprocessen zo snel mogelijk te beperken, signalen
sneller te herkennen en herstel zorgvuldig te organiseren. Daarvoor lopen momenteel
diverse trajecten in verband met de aanpak van de problematiek van onjuiste tenaamstellingen
in onherroepelijke vonnissen. Over de voortgang hiervan wordt de Kamer periodiek bij
brief geïnformeerd.
Vraag (10):
Kan de regering uiteenzetten waarom het niet mogelijk is om de omvang van het probleem
van de foutieve tenaamstellingen vast te stellen? Zijn daar randvoorwaardelijke oorzaken
voor, zoals tekortschietende ICT-toepassingen? Zo ja, hoe is de regering voornemens
om die randvoorwaardelijke oorzaken aan te pakken?
Antwoord:
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer heeft Justid een haalbaarheidsonderzoek
gedaan naar de totale omvang van mogelijke onjuiste tenaamstellingen over de periode
2011–2024. Uit de nu beschikbare uitkomsten daarvan kan nog geen eindconclusie worden
getrokken. Dat houdt verband met enkele knelpunten in de strafrechtketen, waaronder
bij de informatievoorziening rondom identiteitsvaststelling, versnipperde ICT, onvoldoende
uniforme werkwijzen en fouten in de registraties en gegevensuitwisselingen. Binnen
het Programma Modernisering Identiteitsbehandeling en Vindbaarheid, wordt gewerkt
aan structurele verbetering van identiteitsbehandeling en vindbaarheid in de strafrechtketen,
onder andere door om verbetering van werkprocessen, informatie-uitwisseling en onderliggende
systemen. Voor het zomerreces informeer ik uw Kamer hier nader over in de volgende
voortgangsrapportage.
Vraag (11):
Wat is de rol van ICT in alle vastgestelde onvolkomenheden? Kan een betere IT-organisatie
bij het Rijk en uitvoerders zorgen voor een voortvarendere aanpak en signalering van
fouten? En wanneer wordt deze achterstand van de kwaliteit van de ICT-huishouding
een onacceptabel risico?
Antwoord:
Het is gezien de reikwijdte van de vraag lastig deze te beantwoorden. Naast de Rijksbrede
focus van de vraag zijn veel factoren van invloed op de voortvarende aanpak en signalering
van fouten. Het is vooraf niet mogelijk vast te stellen welke invloed een «betere
ICT-organisatie» hierop heeft.
Iedere organisatie binnen het Ministerie van JenV pakt de bevindingen en onvolkomenheden
met urgentie op gezien de risico’s. Er is door zowel de Audit Dienst Rijk (ADR) als
de Algemene Rekenkamer (ARK) geconstateerd dat er in 2025 opvolging is gegeven en
voortgang is geboekt op nagenoeg alle bevindingen (ADR) en onvolkomenheden. (ARK).
Voor de coördinatie strafrechtketen specifiek geldt naast aanscherpen van het verbeterplan
en de problematiek van doorlooptijden en werkvoorraden van een beperkt aantal zaakstromen,
de focus ook wordt verbreed naar de gehele keten. Bij dit traject betrekken we ook
de motie Mutluer waarin wordt verzocht om een «deltaplan» voor de strafrechtketen
(Kamerstuk 36 800 VI, nr. 86).
Vraag (12):
Wat waren de directe operationele gevolgen van de recente ICT-inbreuk bij het Openbaar
Ministerie, bijvoorbeeld in uitgestelde zaken, doorlooptijden, etc.?
Antwoord:
De ICT-verstoring waarmee het OM in de zomer van 2025 te maken kreeg, had een grote
impact op het OM en de strafrechtketen. Hierdoor zijn administratieve achterstanden
ontstaan in de verwerking in de ICT-systemen. Aan het einde van 2025 waren deze achterstanden
bij het OM voor het grootste deel weggewerkt. De inbreuk heeft ook effect gehad op
de doorlooptijden, maar het is niet mogelijk om de omvang van dit effect in getallen
te duiden. De Tweede Kamer ontvangt op korte termijn het jaarbericht van het OM over
2025 waarin nader wordt ingegaan op de gevolgen van de ICT-inbreuk.
Vraag (13):
Wat wordt er ondernomen om de ICT-huishouding van ministerie en uitvoerders I) slagvaardig
en toekomstbestendig te maken en II) beter op elkaar aan te laten sluiten?
Antwoord:
Zowel binnen als buiten het Ministerie van JenV staat werken aan een slagvaardige
en toekomstbestendige ICT-huishouding centraal. Voor de ICT-huishouding geldt dat
maatregelen nauw verbonden zijn met de doelen uit regeerakkoord, CIO-stelsel en wijzigingen
voor de interdepartementale inrichting met focus op de veranderingen in de digitaliseringsopgave.
We zetten in op een robuustere ICT-infrastructuur door middel van structurele modernisering,
waaronder de verdere sanering van legacy-systemen, aangescherpte I-Governance, investeren
in intern IT-vakmanschap en efficiënter maken van de gegevensuitwisseling. Voor de
onderlinge aansluiting en verbinding is de ketenarchitectuur en verbeteringen ketengovernance
belangrijk.
Vraag (14):
Hoe gaat het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen optrekken met andere ministeries
aan Rijksbrede sturing op een veiligheidsstrategie en waarom is dat tot op heden nog
niet gebeurd?
Antwoord:
Verantwoordelijkheden op grond van de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der
Nederlanden (verder: de Veiligheidsstrategie) zijn belegd bij de (vak)departementen.
Op deelthema’s die onder de reikwijdte vallen van de Veiligheidsstrategie vindt zo
nodig op verschillende ambtelijke niveaus interdepartementale afstemming en besluitvorming
plaats. Politieke beslissingen worden genomen in de ministeriële onderraden. Het is
een bewuste keuze geweest geen integrale, centrale sturing op de Veiligheidsstrategie
te organiseren maar per dreigingsthema gebruik te maken van de bestaande departementale
sturings- en verantwoordingslijnen1. Zo blijft de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de strategie op de plaats
waar ook de expertise is en wordt voorkomen dat er dubbele sturings- en verantwoordingslijnen
ontstaan. Hoe de strategie concreet wordt uitgevoerd staat in domeinspecifieke strategieën,
zoals bijvoorbeeld de Nationale Contraterrorisme Strategie. Ook de domeinspecifieke
strategieën komen in afstemming met alle relevante (overheids)partners tot stand.
In algemene zin is het zo dat op thema’s waar dat op grond van de dreiging tegen onze
nationale veiligheidsbelangen noodzakelijk wordt geacht de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid een coördinerende rol kan nemen om de samenhang en effectiviteit van
het nationale veiligheidsbeleid te bevorderen.
Vraag (15):
Kan de regering alsnog uiteenzetten wat het escalatiemodel van de veiligheidsstrategie
is?
Antwoord:
In de onderraden, zoals ook de RDINEV, vindt politieke besluitvorming plaats over
complexe onderwerpen, veelal betreft dit thema’s of besluiten waar meerdere departementen
een verantwoordelijkheid in hebben. De besluiten worden altijd goedgekeurd in de ministerraad.
Tevens kunnen in deze gremia besluiten voor de ministerraad zelf voorbereid worden.
Onderwerpen die onder de reikwijdte vallen van de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk
der Nederlanden – zoals de uitvoering hiervan – kunnen hier worden besproken. Ook
is het mogelijk om meer strategische discussies rond de Veiligheidsstrategie te voeren
in de Nationale Veiligheidsraad. Agendapunten worden op verschillende ambtelijke niveaus
voorbereid. Daarmee zijn de onderraden en ministerraad niet van zichzelf een escalatiemiddel,
maar vindt er wel besluitvorming plaats op een hoger en politieker niveau.
Vraag (16):
Kan uiteengezet worden in hoeverre het aandeel van de uitgaven van de begroting dat
naar de politie ging in de afgelopen 10 jaar, zich heeft ontwikkeld? Hoeveel procent
van de begroting Justitie en Veiligheid komt per jaar ten goede aan de politie?
Antwoord:
In onderstaande tabel zijn de uitgaven op het artikel 31 Politie afgezet tegen de
totale JenV begroting. De hoge uitgaven van het Ministerie van Justitie en Veiligheid
in 2023 en 2024, komen grotendeels door een stijging van de uitgaven aan immigratie,
asielopvang en de opvang van Oekraïense ontheemden. Vanaf 2025 zijn deze uitgaven
opgenomen in een apart begrotingshoofdstuk (Hoofdstuk 20, AenM). Voor de vergelijking
van de jaren is bij het percentage uitgaan van de bedragen op de JenV begroting, ex.
AenM.
Budgetontwikkeling JenV in relatie tot artikel 31. Politie (bedragen * 1 mrd)
jaar
JenV
Wv AenM
ex AenM
artikel 31
percentage
bron
2016
13,2
1,7
11,5
5,6
48,6%
Jaarverslag VenJ 2016
2017
13,1
1,5
11,5
6,0
52,2%
Jaarverslag VenJ 2017
2018
12,8
1,3
11,5
5,9
51,4%
Jaarverslag JenV 2018
2019
13,7
1,3
12,4
6,3
50,9%
Jaarverslag JenV 2019
2020
14,4
1,5
12,9
6,5
50,2%
Jaarverslag JenV 2020
2021
15,0
1,4
13,5
6,6
49,0%
Jaarverslag JenV 2021
2022
18,2
3,3
14,9
7,4
49,4%
Jaarverslag JenV 2022
2023
23,0
7,2
15,8
7,6
47,9%
Jaarverslag JenV 2023
2024
25,5
8,2
17,3
8,3
48,0%
Jaarverslag JenV 2024
2025
18,9
18,9
8,9
47,3%
Jaarverslag JenV 2025
2026
19,1
19,1
8,9
46,3%
eerste supp. JenV 2026
Vraag (17):
Kan de regering bevestigen dat Nederlanders, ook wanneer zij daarnaast de Israëlische
nationaliteit hebben, onder omstandigheden in Nederland vervolgd kunnen worden voor
oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid die zij in Gaza, Israël of
de Westelijke Jordaanoever hebben gepleegd of waaraan zij hebben bijgedragen?
Antwoord:
Ja. Het Nederlands strafrecht is van toepassing op Nederlanders die zich buiten Nederland
schuldig maken aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Dit is
neergelegd in artikel 2 van de Wet internationale misdrijven. Het hebben van een tweede
nationaliteit – naast de Nederlandse nationaliteit – doet daar niet aan af. Het is
aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te beslissen of het opportuun
is om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.
Vraag (18):
Kan de regering uiteenzetten op basis van welke bepalingen in de Wet internationale
misdrijven Nederland rechtsmacht heeft over Nederlandse onderdanen die in dienst van
een buitenlands leger mogelijk internationale misdrijven plegen?
Antwoord:
Op grond van artikel 2, eerste lid onder c, van de Wet internationale misdrijven heeft
Nederland rechtsmacht over Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken aan
in een die wet omschreven internationaal misdrijf.
Vraag (19):
Klopt het dat dienst in de Israel Defense Forces op zichzelf niet strafbaar is, maar
dat individuele deelname aan of medeplichtigheid bij internationale misdrijven dat
wél kan zijn?
Antwoord:
Dat klopt. Het is Nederlandse burgers niet verboden in vreemde krijgsdienst te treden,
tenzij zij militair ambtenaar zijn in Nederland of wanneer zij dit doen terwijl Nederland
in gewapend conflict dreigt te raken met het land in kwestie en oorlog uitbreekt.
Het plegen van internationale misdrijven is echter wel strafbaar.
Vraag (20):
Kan de regering uiteenzetten hoe de Wet internationale misdrijven van toepassing is
op Nederlanders die in dienst van een buitenlands leger mogelijk hebben deelgenomen
aan aanvallen op burgers, vernieling van civiele infrastructuur, gedwongen verplaatsing,
mishandeling van gevangenen of plundering?
Antwoord:
Op grond van artikel 2, eerste lid onder c, van de Wet internationale misdrijven heeft
Nederland strafrechtsmacht over Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken
aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen
verdwijningen of het misdrijf van agressie. Deze misdrijven bestaan elk uit verschillende
elementen en bestanddelen waar aan dient te zijn voldaan. Zo kan bijvoorbeeld het
opzettelijk doden van een persoon een misdrijf tegen de menselijkheid opleveren indien
deze gedraging is gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval
gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval. Dit betreft dus telkens
een casuïstische beoordeling. Belangrijk daarbij is dat individuele strafbare aansprakelijkheid
bij het misdrijf dient te worden bewezen.
Vraag (21):
Kan de regering bevestigen dat het volgen van bevelen geen volledige vrijwaring biedt
bij oorlogsmisdrijven of andere internationale misdrijven?
Antwoord:
Ja. Het volgen van bevelen biedt niet automatisch vrijwaring van individuele strafrechtelijke
aansprakelijkheid. In beginsel heft het uitvoeren van een voorschrift of een bevel
de strafbaarheid van een internationaal misdrijf niet op. Alleen onder strikte voorwaarden
kan een ondergeschikte toch niet strafbaar zijn: het moet gaan om een bevel dat hij
te goeder trouw als bevoegd gegeven heeft aangemerkt en waarvan de uitvoering binnen
zijn ondergeschiktheid viel. Het Openbaar Ministerie beoordeelt per geval of hiervan
sprake is en of vervolging opportuun is. In de Wet internationale misdrijven is bovendien
vastgelegd dat een bevel tot het plegen van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid
of gedwongen verdwijning in elk geval kennelijk onbevoegd is gegeven.
Vraag (22):
Is het Openbaar Ministerie bevoegd om onderzoek te doen naar Nederlanders die in de
Israel Defense Forces hebben gediend wanneer er concrete aanwijzingen zijn van betrokkenheid
bij internationale misdrijven? Zo ja, gebeurt dat ook actief?
Antwoord:
Ja. Op grond van artikel 2, eerste lid onder c, van de Wet internationale misdrijven
heeft Nederland rechtsmacht over Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken
aan een in die wet omschreven internationaal misdrijf. Tot op heden heeft dit nog
niet geleid tot strafrechtelijke vervolging, omdat er geen aanwijzingen zijn van individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Vraag (23):
Doen politie en Openbaar Ministerie proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid
van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven in Gaza of gebeurt dit uitsluitend
naar aanleiding van aangiftes, meldingen of signalen?
Antwoord:
Onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale
misdrijven kan plaatsvinden indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld door signalen,
aangiften of het anderszins beschikbaar komen van informatie. Voor wat betreft dat
laatste kan ook worden gedacht aan berichtgeving in de media. Het Openbaar Ministerie
weegt deze informatie altijd zorgvuldig om te beoordelen of het opportuun is om een
strafrechtelijk onderzoek en (vervolgens) vervolging in te stellen.
Vraag (24):
Is er binnen Buitenlandse Zaken, Justitie en Veiligheid, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid, politie of Openbaar Ministerie een werkwijze om signalen over mogelijke
betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven in Gaza, de
Westelijke Jordaanoever of Israël te verzamelen, te beoordelen en door te geleiden?
Antwoord:
Vooropgesteld moet worden dat het beoordelen van signalen over mogelijke betrokkenheid
van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven gepleegd buiten Nederland
altijd aan het Openbaar Ministerie en politie is. Zowel de politie als het Openbaar
Ministerie beschikken over gespecialiseerde teams die verantwoordelijk zijn voor het
verzamelen en beoordelen van signalen over internationale misdrijven.
Signalen die bijvoorbeeld bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid binnenkomen
worden doorgeleid naar politie en/of het Openbaar Ministerie. Dit geldt voor alle
signalen aangaande internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Vraag (25):
Op welke wijze kunnen slachtoffers, nabestaanden, journalisten en maatschappelijke
organisaties relevante informatie over mogelijke internationale misdrijven in Gaza
delen met de Nederlandse autoriteiten, indien die informatie van belang kan zijn voor
de Nederlandse rechtsmacht?
Antwoord:
Personen en organisaties die beschikken over relevante informatie over internationale
misdrijven kunnen contact opnemen met het Team Internationale Misdrijven van de politie.
Dat kan schriftelijk, per e-mail of telefonisch. De contactgegevens staan vermeld
op de website van de politie.
Vraag (26):
Hoeveel aangiftes, meldingen of signalen zijn sinds 7 oktober 2023 bij politie, Openbaar
Ministerie of het Team Internationale Misdrijven binnengekomen over Nederlanders of
in Nederland verblijvende personen die mogelijk betrokken waren bij internationale
misdrijven in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Antwoord:
Het Team Internationale Misdrijven rapporteert niet over het aantal aangiftes. In
de Rapportagebrief Internationale Misdrijven 2024–2025 is uw Kamer geïnformeerd dat
er de afgelopen jaren sprake is van een toename van aangiftes met betrekking tot internationale
misdrijven gepleegd in Gaza. Deze aangiftes worden door het Landelijk Parket van het
Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld volgens de Instructie afdoening aangiften
Wet Internationale Misdrijven.
Vraag (27):
Beschikt het Team Internationale Misdrijven over voldoende capaciteit en expertise
om mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij misdrijven in Gaza te onderzoeken?
Zo nee, acht de regering uitbreiding wenselijk of nodig?
Antwoord:
Politiecapaciteit is per definitie schaars. Het team internationale misdrijven zet
de bestaande beschikbare capaciteit op basis van professionele analyse. Eind 2021
is de capaciteit en expertise van het Team Internationale Misdrijven uitgebreid.
Vraag (28):
Kan nader worden toegelicht wat in 2025 is gedaan door Justitie en Veiligheid om meer
regie te voeren op de strafrechtketen?
Antwoord:
Er zijn de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen die op termijn bij
zullen dragen aan het verbeteren van de coördinatie vanuit ons departement. Sinds
juni 2025 is het voorzitterschap van het Bestuurlijk Ketenberaad (BKB) in handen van
JenV. In het BKB vindt de afstemming over en sturing op de prestaties in de strafrechtketen
plaats. Wij nemen twee keer per jaar deel aan de vergaderingen van het BKB om ons
door de vertegenwoordigers van de ketenorganisaties te laten informeren over de gemaakte
afspraken en vorderingen. Daarnaast wordt de voortgang gemonitord in de gesprekken
tussen de verantwoordelijke DG’s met de ketenorganisaties, en worden de opdrachten
richting de ketenorganisaties in de aanschrijvingen en opdrachtbrieven beter op elkaar
afgestemd. En om de coördinatie binnen en vanuit het departement richting de strafrechtketen
steviger vorm te geven, is er sinds kort binnen het departement een programmadirecteur
strafrechtketen aangesteld. Zijn taak is om samen met de ketenorganisaties de prestaties
in de strafrechtketen te helpen verbeteren en een soepele en ordentelijke implementatie
van het nieuwe Wetboek van Strafvordering te bevorderen.
Vraag (29):
Deelt de regering de constatering dat er geen vorm is van centrale monitoring van
de veiligheidsstrategie? Zo ja/nee, waarom?
Antwoord:
Ja. De reden hiervoor is dat de sturing en verantwoording op de uitvoering van de
Veiligheidsstrategie plaatsvindt vanuit de bestaande departementale beleidsverantwoordelijkheden.
Waar nodig vindt op verschillende ambtelijke niveaus altijd interdepartementale afstemming
en besluitvorming plaats. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Tabel bij vraag 6
Ernstige verkeersmisdrijven
2023
2024
2025
Plegen feit tot 1e zitting % binnen 360 dagen
27%
20%
25%
1e zitting tot vonnis rechter % binnen 90 dagen
79%
83%
83%
Norm: % binnen gestelde dagen
85%
85%
85%
Ernstige zedenmisdrijven
2023
2024
2025
Aangifte tot inzenden OM % binnen 180 dagen
53%
53%
56%
Instroom OM tot beoordeling dagvaarden OM % binnen 60 dagen
49%
60%
72%
Beoordeling dagvaarden OM tot 1e zitting % binnen 120 dagen
41%
43%
45%
Instroom OM tot 1e zitting % binnen 180 dagen
37%
41%
43%
1e zitting tot eindvonnis % binnen 90 dagen
71%
71%
72%
Groeinorm 2026: % binnen gestelde dagen
70%
70%
70%
Norm: % binnen gestelde dagen
80%
80%
80%
Jeugd
2024
2025
Aanmerken verdachte tot definitieve afdoening politie % binnen 7 dagen
72%
73%
Aanmerken verdachte tot inzenden OM % binnen 60 dagen
67%
67%
Instroom OM tot afdoening (OMSB) % binnen 120 dagen
74%
68%
Instroom OM tot afdoening OM anders dan OMSB % binnen 60 dagen
66%
67%
Instroom OM tot besluit dagvaarden % binnen 60 dagen
70%
71%
Besluit dagvaarden tot vonnis kinderrechter % binnen 120 dagen
52%
53%
Besluit dagvaarden tot vonnis MK % binnen 180 dagen
38%
28%
Groeinorm juni 2026: % binnen gestelde dagen
70%
70%
Norm: % binnen gestelde dagen
80%
80%
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
B.A. Paauwe, adjunct-griffier