Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boomsma over het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen
Vragen van het lid Boomsma (JA21) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen (ingezonden 20 april 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 8 juni
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1908.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in
Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders
worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid
vormen?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde
en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279
van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van
de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Antwoord 2
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment
nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het
artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers
voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst
voor studiejaar 2025–20262
Bouwkunde
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
Technische informatica
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
Werktuigbouwkunde
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke
deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan
uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen.
Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze
ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren.
Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking:
ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich
aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570
vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten
zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU
Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers
voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
X Noot
1
Bron: TU Delft.
X Noot
2
Bron: DUO.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de
regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl
de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici,
de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en
bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Antwoord 3
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden
toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun
eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid
van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel,
waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste
vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer
beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen
mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft
om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld
omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen
geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts
5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats
niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld
voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken.
Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een
plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten
niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede
keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op
basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie.
In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage
Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse
studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Vraag 4, 5 en 6
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse
studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden?
(Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR)
plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld).
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed
scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen
dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het
mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij
voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Antwoord 4, 5 en 6
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap
en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt
aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart-
en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent
heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet
wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs
geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit
het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten
goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal
bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen
de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat
een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste
keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de
technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het
Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies
nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek
is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen
in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten
steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel
kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds
aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid
voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede
komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid.
Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve
selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure.
Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Vraag 7 en 8
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge
kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan
Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Antwoord 7 en 8
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen
als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst
wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering
in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden
(zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen
een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen
dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering
ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject
te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is
wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal
dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de
zelfregie.
Vraag 9
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen
te reserveren voor Nederlandse studenten?
Antwoord 9
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op
de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen.
Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit
en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt
worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel
Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk
te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor
instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten
hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan
een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging
oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg
van dit wetsvoorstel.
Vraag 10
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook
terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren,
met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Antwoord 10
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten
(95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen
studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken
naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen
een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan
een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector;
in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve
techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten
van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel
ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s
(Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen
beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang
leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Vraag 11
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten
vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Antwoord 11
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen.
Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de
beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen
en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk
geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van
buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor
Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure
bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding,
ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen
ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten
uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland
altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie
toegankelijk is.
Vraag 12
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in
studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer
te krijgen?
Antwoord 12
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure,
maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten
en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op
basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten
tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid
een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de
vrije markt.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.