Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Moorman over de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders'
Vragen van het lid Moorman (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Werk en Participatie over de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» (ingezonden 10 april 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 5 juni 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders»
uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat
pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat
uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover,
zoals in het Parool?1,
2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van
ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds
massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
Antwoord 2
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming
voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang3 van hun pleegkinderen4. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders, ook in het vrijwillig kader, en vergoedt
(deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. Ik begrijp de frustratie van pleegouders
als zij nog geen tegemoetkoming gehad hebben, maar wel kosten maken voor de kinderopvang
van hun pleegkind.
De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan
het gemeentefonds via de algemene uitkering. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen
direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders.
De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen
de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar
aanbieders en van aanbieders naar pleegouders.
Vanwege de systematiek van het gemeentefonds kunnen er geen sluitende afspraken gemaakt
worden die garanderen dat elke euro bij pleegouders terechtkomt. Gemeenten zijn vrij
in de bestedingen van de middelen. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te
zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen
met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd
in Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de vertegenwoordiging van pleegouders in de Nederlandse
Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden
deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders5. JZNL en VNG werken in afstemming met elkaar aan communicatie richting hun achterban
om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren.
Vraag 3
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke
vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd
moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid
weg te nemen?
Antwoord 3
Sinds het besluit met de Voorjaarsnota 2025 om deze middelen vrij te maken heb ik
samen met NVP, JZNL en VNG uitgewerkt hoe dit geld aan pleegouders uitgekeerd kon
worden. Zoals in het antwoord onder 2 reeds genoemd, bleek uiteindelijk de enige haalbare
optie voor de periode 2025–2027 om de middelen aan gemeenten over te maken via het
gemeentefonds. Dit is in het najaar van 2025 definitief besloten. Hierdoor kon er
pas laat via de landelijke partijen gecommuniceerd worden naar pleegouders waar zij
zich kunnen melden om aanspraak te maken op de tegemoetkoming. De komende periode
werk ik samen met NVP, JZNL en VNG aan duidelijkheid voor pleegouders, via verschillende
vormen van communicatie. Pleegouders met vragen over deze tegemoetkoming kunnen zich
in de tussentijd het beste melden bij hun eigen pleegzorgaanbieder.
Vraag 4
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd
aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Antwoord 4
Nee. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd.
De verantwoordelijkheid voor de besteding en de verantwoording daarover vindt plaats
op lokaal/gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn niet verplicht om hierover ook nog specifiek
informatie aan te leveren richting het Rijk, conform de interbestuurlijke verhoudingen
zoals deze in ons staatsbestel zijn ingericht. Zie ook het antwoord onder vraag 2.
Vraag 5
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel
vormt om pleegouder te worden of te blijven?
Antwoord 5
We weten dat er verschillende drempels zijn om pleegouder te worden en te blijven.
Financiën zijn er daar een van. Ik span me samen met de sector in om zoveel mogelijk
pleegouders te werven en de bestaande pleegouders te behouden – dat is cruciaal. Dit
doe ik onder andere via de landelijke campagne «Jouw huis een tweede thuis», kindgerichte
werving door pleegzorgaanbieders en het uitbreiden van de mogelijkheden van bijzondere
kostenvergoeding naar pleegouders in het vrijwillig kader6.
Vraag 6
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende
oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te
weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief
geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Antwoord 6
Ik ben het ermee eens dat het voor pleegouders onduidelijk is hoe zij aanspraak kunnen
maken op deze financiële tegemoetkoming – en dat trek ik mij aan. De aanleiding om
deze middelen vrij te maken was om juist aan deze pleegouders een tegemoetkoming te
kunnen bieden, omdat zij de kosten voor kinderopvang van hun pleegkinderen voor een
groot deel zelf dragen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat gemeenten en pleegzorgaanbieders
in de uitvoering voor een grote opgave staan om deze middelen eenvoudig maar snel
bij de betreffende pleegouders te krijgen. Daarom ontwikkelen VNG en JZNL handvatten
voor hun achterban. Een belangrijk onderdeel daarvan is om pleegouders duidelijkheid
te bieden over hoe ze aanspraak kunnen maken.
Vraag 7
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten
en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak
en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke
regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen
en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Antwoord 7
Ik snap de wens van pleegouders. Voor de uitkering van deze middelen zijn we gehouden
aan het (decentrale) jeugdstelsel, waarbij het onuitvoerbaar bleek om tot een centrale
regeling te komen. Zie ook het antwoord onder vraag 2. Binnen deze context span ik
me met de sector in om tot een zo uniform mogelijke uitvoering te komen, waarin pleegouders
weten waar zij terecht kunnen om aanspraak te maken op een financiële tegemoetkoming.
Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met
gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Vraag 8
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt
en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te
betalen en wat is hierbij het tijdspad?
Antwoord 8
VNG en JZNL zijn aan de slag om handvatten voor de uitvoering van deze tegemoetkoming
te ontwikkelen, zoals genoemd onder vraag 6. In aanvulling op eerdere communicatie
vanuit pleegzorgaanbieders richting pleegouders verwachten JZNL en VNG voor de zomer
extra te communiceren over op welke wijze pleegouders aanspraak kunnen maken op de
tegemoetkoming.
Vraag 9
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Antwoord 9
Ja.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.