Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dobbe over toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ
Vragen van het lid Dobbe (SP) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ (ingezonden 8 mei 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 5 juni
2026).
Vraag 1
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025
waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend
waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale
ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden
beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Antwoord 1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in
de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor
passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het
ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing
van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit
gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied
van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken
uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen
dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de
Kamer informeren over de stand van zaken.
Vraag 2
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025
met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat
de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat
beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige
duiding bij te geven?
Antwoord 2
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds
in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang
tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook
wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar
mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders
via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek
tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar
van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar
is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling
in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle
zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover
VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort
van start gaan.
Vraag 3
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026
reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer
verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars,
aanbieders en regio’s dit betreft?
Antwoord 3
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders
met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst
naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds
vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars,
indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht
te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan
deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de
ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid
van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar
kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar
dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke
aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt,
is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage
voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.