Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid El Boujdaini over het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen'
Vragen van het lid El Boujdaini (D66) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het bericht «Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen» (ingezonden 15 april 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 3 juni
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1828.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij
klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de
beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
Antwoord 2
De berichten over grootschalige datalekken zijn zorgwekkend, vooral gezien de mogelijk
schadelijke gevolgen voor getroffen betrokkenen. Het is belangrijk dat getroffen burgers,
wanneer het waarschijnlijk een hoog risico betreft, goed worden geïnformeerd zodat
zij weten waar zij aan toe zijn en daartoe gepaste stappen kunnen ondernemen. Ik wil
voorzichtig zijn met het spreken van «structurele tekortkomingen». Elk incident is
anders en kan een eigen oorzaak hebben, en het is niet uitgesloten dat er sprake kan
zijn van een zeer geavanceerde cyberaanval waartegen zelfs goed beveiligde bedrijven
kwetsbaar zijn.
Vraag 3
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken
en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en
toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Antwoord 3
Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn verplicht om alle datalekken te documenteren,
bijvoorbeeld in een register. Naast het lek zelf moeten ook de feiten en de gevolgen
van het datalek en de genomen corrigerende maatregelen worden geregistreerd. Het doel
van een dergelijk register is bewustwording en te leren van eerdere datalekken, alsook
het nemen van effectieve maatregelen om de kans op nieuwe, soortgelijke datalekken
te verminderen. Ook stelt het de toezichthouder in staat te controleren of de meldplicht
wordt nageleefd. Daarnaast houdt de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de bij haar gemelde
datalekken bij. Niet alle datalekken worden gemeld of zijn meldplichtig: een melding
bij de AP is alleen verplicht als de inschatting is gemaakt dat het waarschijnlijk
is dat het datalek een risico oplevert voor de rechten en vrijheden van betrokkenen,
zoals de bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer. De AP rapporteert
jaarlijks over de meldplicht datalekken. Het kabinet beschikt niet over een register
van alle datalekken, maar ziet vooralsnog niet dat sprake is van een tekort aan inzicht
en van de noodzaak tot het treffen van maatregelen om dat te verbeteren.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele
naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten
signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Een datalek hoeft niet te duiden op onvoldoende structurele naleving van de AVG; ook
goed beveiligde organisaties, overheden en bedrijven kunnen worden getroffen. Daarbij
betekent een datalek op zich niet dat er ook sprake is van een overtreding van de
AVG. Het gaat er verder vooral om hoe bedrijven handelen nadat een datalek is geconstateerd.
Dat handelen kan bestaan uit het nemen van (extra) beveiligingsmaatregelen, het naleven
van de meldingsplicht en transparante communicatie richting de getroffen betrokkenen.
Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn – als verwerkingsverantwoordelijke
– gehouden om gedegen risico-analyses te maken en een daaraan gekoppelde passende
interne beveiligingscultuur en snel en adequaat te handelen in geval van een incident.
Vraag 5
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend
om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen
zijn nodig?
Antwoord 5
Het kabinet is van mening dat de AP over voldoende middelen beschikt om de (toezicht-
en handhavings)taken die voortvloeien uit de AVG en de UAVG uit te voeren. De AP mag
zelf bepalen hoe zij de middelen die zij voor AVG-toezicht ontvangt, verdeelt over
de afzonderlijke AVG-toezichtstaken. Zoals genoemd in de beleidsreactie op de evaluatie
van de AP2 wil het kabinet samen met de AP stappen zetten om te komen tot een meer objectieve
basis die ondersteunend is bij de besluitvorming over een passende hoogte van het
budget van de AP. Een landenvergelijkend onderzoek kan daarbij een nuttig instrument
zijn.
Vraag 6
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven
die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
De AVG biedt in principe voldoende normen voor het nemen van passende beveiligingsmaatregelen
voor alle organisaties en bedrijven die (op grote schaal) persoonsgegevens verwerken.
Passende beveiligingsmaatregelen houden concreet onder meer in dat organisaties en
bedrijven bij risicovolle en/of grootschalige gegevensverwerkingen vooraf een Data
Protection Impact Assessment (DPIA) dienen uit te voeren. Dit is een instrument om
voorafgaand aan de verwerking de privacyrisico’s in kaart te brengen om daarmee de
impact op de rechten van betrokkenen te beoordelen en gerichte maatregelen te nemen
om deze risico’s te verkleinen. Daarnaast zijn organisaties en bedrijven in het geval
van grootschalige gegevensverwerking vaak verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming
(FG) aan te stellen. De FG is een onafhankelijke toezichthouder binnen een organisatie
of bedrijf die toeziet op de naleving van de AVG en adviseert over het zorgvuldig
verwerken van persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke heeft voor het treffen
van passende beveiligingsmaatregelen een verantwoordingsplicht. Gelet hierop zie ik
geen noodzaak voor extra (strenge) maatregelen. Wel geldt straks voor organisaties
en bedrijven die opereren in voor de samenleving cruciale sectoren, waaronder onder
andere de transport- en energiesector, het bankwezen en de digitale infrastructuur,
de Cyberbeveiligingswet. Deze wet is op 15 april jl. door uw Kamer aangenomen en treedt
later dit jaar in werking. De Cyberbeveiligingswet is de doorvertaling van de Europese
NIS2- en CER-richtlijn die lidstaten weerbaarder moeten maken tegen gevaren van buitenaf,
waaronder cyberdreigingen. De wet verplicht onder andere tot het uitvoeren van een
risicoanalyse en het op basis daarvan treffen van passende en evenredige maatregelen
voor het betreffende netwerk- en informatiesysteem. Ook hebben organisaties en bedrijven
op grond van deze wet een zorg-, meld- en registratieplicht.
Vraag 7
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet
in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties,
doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen
met verschillende partijen?
Antwoord 7
Ja. De Europese Digitale Identiteit (EDI) stelt burgers in staat binnen de hele Europese
Unie digitaal te legitimeren of in te loggen op websites. Het veilig delen van persoonsgegevens
behoort daar ook toe, waarbij enkel de gegevens worden gebruikt die strikt noodzakelijk
zijn.
Vraag 8
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 8
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.