Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Maeijer over het oplopende medicijntekort
Vragen van het lid Maeijer (PVV) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het oplopende medicijntekort (ingezonden 13 mei 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 2 juni
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen
in Nederland?
Antwoord 2
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het
kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal
fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het
kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze
signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel
produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde
als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl
de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren
ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de
markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het
nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders
actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in
het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder
veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen
tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk
minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders.
Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde
geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen
waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen
bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste
geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in
de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover
een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars
en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer
op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke
verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente
gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Vraag 3
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen
10 jaar?
Antwoord 3
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten
dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het
kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen
tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds
2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd
meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen).
Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief
uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact
te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar
is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid
aan oplossingsrichtingen.
Vraag 4
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of
drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Antwoord 4
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten
dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het
aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest
gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder
handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder.
In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de
twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Vraag 5
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor
de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
Antwoord 5
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer
handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks
is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers
zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging
Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van
de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om
onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke
geneesmiddelen te behouden.
Vraag 6
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Antwoord 6
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de
leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten
voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig
probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid
te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet
werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem,
het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet
samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid
en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de
productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren.
Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het
kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen
is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen
te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over
de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen
uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om
een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Vraag 7
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen
op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames
of aanvullende behandelingen?
Antwoord 7
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom
is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten
op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van
zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met
alle betrokken partijen.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent
van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze
middelen extreem wordt bezuinigd?
Antwoord 8
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd
niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget
niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime
tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot
taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat
zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen
doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid
maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders
uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod
doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van
de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan
leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en
baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen,
laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze
evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Vraag 9
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek
te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee
te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om
leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de
uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met
betrokken partijen.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.