Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schutz over motie Veltman (Kamerstuk 36563, nr. 11)
Vragen van het lid Schutz (VVD) aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over motie Veltman (Kamerstuk 36 563, nr. 11) (ingezonden 8 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 2 juni
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met motie-Veltman over het aanpassen van het Besluit capaciteitsverdeling
om juridisch bindende kaderovereenkomsten mogelijk te maken die spoorvervoerders meerjarige
zekerheid bieden, voor nationale én internationale treinverbindingen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van deze motie? Welke concrete stappen
zijn inmiddels gezet richting ProRail en wanneer verwacht u uitgewerkte voorstellen
en een concreet tijdpad met de Kamer te kunnen delen?
Antwoord 2
ProRail heeft een onderzoek uitgevoerd waarin zij enkele aanbevelingen doet om juridisch
bindende kaderovereenkomsten mogelijk te maken. Het onderzoeksrapport is half mei
opgeleverd en 2 juni aan de Tweede Kamer verstuurd. ProRail is, zoals zij in het rapport
stelt, reeds aan de slag gegaan met de uitkomsten van het rapport. IenW is in gesprek
met ProRail over de vervolgstappen die samen gezet kunnen worden.
Vraag 3
Welke mogelijkheden bestaan binnen de huidige Nederlandse regelgeving om spoorvervoerders
meerjarige zekerheid te bieden over toegang tot capaciteit op het spoor? Acht u deze
mogelijkheden toereikend voor investeringen in nationale én internationale treinverbindingen?
Antwoord 3
Er bestaan binnen de huidige Nederlandse wet- en regelgeving mogelijkheden om spoorvervoerders
meerjarige zekerheid te bieden over toegang tot capaciteit op het spoor, voornamelijk
voor internationaal personenvervoer. Het is echter aan geldverstrekkers om te beoordelen
of de zekerheid over toegang tot capaciteit toereikend is voor investeringen. Ook
bedrijfseconomische aspecten, vervoersprognoses of macro-economische omstandigheden
kunnen meespelen bij het al dan niet doen van een investering.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat meerjarige zekerheid over spoorcapaciteit van groot belang
is voor investeringen in (inter)nationaal spoorvervoer, mede gezien de lange levertijden
van nieuw treinmaterieel? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Ja.
Vraag 5
In hoeverre klopt het dat in andere Europese landen, waaronder Frankrijk, reeds wordt
gewerkt met zogenoemde framework agreements of vergelijkbare meerjarige capaciteitsafspraken? Welke lessen kunnen daaruit worden
getrokken voor Nederland?
Antwoord 5
Meerdere Europese infrastructuurbeheerders werken met framework agreements of meerjarige
capaciteitsafspraken. Lessen die daaruit getrokken kunnen worden voor Nederland heeft
ProRail in haar rapport opgenomen. In het algemeen geldt dat de karakteristieken van
het Nederlandse spoornet ertoe leiden dat de Nederlandse situatie niet een-op-een
te vergelijken is met een land als Spanje, Frankrijk of Duitsland. Desalniettemin
kan geleerd worden van onder meer de manier waarop de kaderovereenkomsten vormgegeven
worden en hoe de overeenkomsten in de markt worden gezet. Ook kan geleerd worden van
de manier hoe wordt toegezien op de naleving van de overeenkomsten.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u het huidige systeem van capaciteitsverdeling als het gaat om het
bieden van voldoende zekerheid aan nieuwe toetreders en private aanbieders van (inter)nationale
treinverbindingen? Waar zitten volgens u de belangrijkste knelpunten?
Antwoord 6
ProRail doet in haar rapport enkele constateringen en aanbevelingen op het gebied
van capaciteitsverdeling. Deze aanbevelingen worden meegenomen bij de implementatie
van de verordening spoorweginfrastructuurcapaciteit en het opstellen van de nationale
beleidssturing («strategic guidance») die onder die verordening aan ProRail kan worden
gegeven.
Vraag 7
In hoeverre kunnen kaderovereenkomsten bijdragen aan een beter gebruik van bestaande
infrastructuur, waaronder de HSL-Zuid (hogesnelheidslijn), en aan het versterken van
internationale treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten?
Antwoord 7
Kaderovereenkomsten kunnen op internationale verbindingen een positieve bijdrage leveren
aan een beter gebruik van bestaande infrastructuur en het versterken van internationale
treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten.
Vraag 8
Hoe verhoudt de ontwikkeling van kaderovereenkomsten zich tot de ambitie om ruimte
te bieden aan innovatieve en nieuwe aanbieders op het spoor?
Antwoord 8
Kaderovereenkomsten zouden voor innovatieve en nieuwe aanbieders mogelijk een positieve
bijdrage kunnen leveren in het verkrijgen van financiering en het afdekken van een
deel van het bedrijfsrisico.
Vraag 9
Deelt u de opvatting dat verdere Europese harmonisatie van capaciteitsverdeling kan
bijdragen aan betrouwbaardere en eenvoudiger te organiseren internationale treinverbindingen?
Welke inzet kiest Nederland hierin richting Europa?
Antwoord 9
Ja, die opvatting deel ik. In Europa pleit Nederland voor een harmonisering van wet-
en regelgeving aangaande internationale kaderovereenkomsten. Dit gebeurt onder andere
in de EU SERAF-werkgroep aangaande kaderovereenkomsten en in gesprekken met mijn buitenlandse
collega’s. Ook wordt met de verordening capaciteitsmanagement de harmonisering van
capaciteitsverdelingsregels beoogd. Hierover is de Kamer 2 juni per brief geïnformeerd.
Vraag 10
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Spoor van 3 juni
2026?
Antwoord 10
Ja.
Ondertekenaars
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.