Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op onderzoek herintroductie verzorgingshuizen (Kamerstuk 29389-158)
29 389 Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid
Nr. 167
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport over de brief van 17 september 2025 over de reactie op het onderzoek naar de
herintroductie van verzorgingshuizen (Kamerstuk 29 389, nr. 158).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 november 2025 aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 1 juni 2026 zijn de vragen, mede namens
de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
9
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
10
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
11
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
12
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
12
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
13
II.
Reactie van de Minister
14
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Staatssecretaris over de mogelijke herintroductie van verzorgingshuizen, en delen
de zorg dat een kwetsbare groep ouderen tussen wal en schip dreigt te vallen.
De leden van de D66-fractie zijn echter kritisch over het teruggrijpen naar modellen
uit het verleden die financieel onhoudbaar zijn, geen maatschappelijk draagvlak hebben,
en een enorm beslag leggen op schaarse middelen.
De leden van de D66-fractie benadrukken hierbij dat de focus op een herintroductie
van het verzorgingshuis geen passende oplossing biedt voor de bestaande kloof tussen
thuis en verpleeghuis, doordat dit model financieel onhoudbaar is gezien de dubbele
vergrijzing, de druk op schaarse zorgprofessionals onverantwoord vergroot, en afleidt
van de benodigde ontwikkeling van nieuwe, passende woonvormen. Daarnaast heeft de
herintroductie van de verzorgingshuizen geen draagvlaak bij betrokken organisaties,
zoals ActiZ, VNG, Zorgverzekeraars Nederland en anderen.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om dit gebrek aan maatschappelijk draagvlak
voor verzorgingstehuizen en vragen of de Staatssecretaris deze zorgen deelt en waarom
zij er alsnog voor kiest om de herintroductie van de verzorgingshuizen verder te onderzoeken.
Ook vragen de leden hoe zij deze herintroductie door zou wensen te voeren zonder steun
van veel van de betrokken organisaties.
De leden van de D66-fractie vernemen dat de Staatssecretaris zowel de herintroductie
van de verzorgingshuizen als de mogelijke rol van zorgzame buurten in dit dossier
onderzoekt. Ze geeft hierbij aan dat ze ook wil onderzoeken op welke wijze zorgzame
gemeenschappen het beste gestimuleerd kunnen worden.
De leden van de D66-fractie delen deze wens om het realiseren van de zorgzame buurten
meer prioriteit te geven. Dit sluit beter aan bij de wensen van senioren, en is ook
realistischer met het oog op de consequenties die het herintroduceren van verzorgingshuizen
zou hebben op de financiën en de arbeidsmarkt.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris dan ook of zij het met deze
leden eens is dat de focus niet moet liggen op het heropbouwen van verzorgingshuizen,
maar dat meer prioriteit moet worden gegeven aan het versnellen van de ontwikkeling
van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen, waar ouderen hun privacy en
autonomie behouden.
De leden van de D66-fractie horen dat in de praktijk corporaties, gemeenten en zorgpartijen
tegen verschillende obstakels aan lopen. Welke processen lopen er nu om die obstakels
weg te nemen en is dat afdoende om de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame
gemeenschappen te realiseren in lijn met de ambities van het kabinet?
De leden van de D66-fractie constateren op basis van het uitgevoerde PwC-onderzoek
én cijfers van ANBO-PCOB dat ouderen een duidelijke voorkeur hebben voor zelfstandige
woonconcepten. Slechts acht procent van de thuiswonende ouderen wil verhuizen naar
een verzorgingshuis.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris uit te leggen waarom er in
beleidstermen alsnog voortdurend gesproken wordt over de «herintroductie van het verzorgingshuis»,
terwijl de doelgroep zelf vraagt om zelfstandige woningen met zorg in de nabijheid.
Hoe reflecteert zij op deze eenduidige vraag vanuit senioren en wat betekent het gebrek
aan maatschappelijke steun voor de beoogde herintroductie van de verzorgingshuizen?
De leden van de D66-fractie wijzen op het PwC-rapport waaruit blijkt dat de zorgkosten
per oudere in de onderzochte scenario's met 46 tot wel 124 procent stijgen. Ook blijkt
uit het PwC-rapport dat het aannemelijk is dat de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen
zal stijgen, daar zij een latente zorgbehoefte hebben. Hierbij wordt benoemd dat dit
een kans biedt om delen van de zorgbehoefte op alternatieve wijze in te vullen. Zij
vragen de Staatssecretaris welke andere alternatieve woonvormen worden onderzocht
die wél betaalbaar blijven, door in te zetten op wat ouderen zelf nog kunnen, aansluitend
bij de afspraken over reablement uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO).
De leden van de D66-fractie constateren uit het PwC-rapport dat het verwachte personeelstekort
in de sector zorg en welzijn in 2034, bovenop het reeds voorspelde tekort van 265.600
medewerkers, verder zal toenemen met 2.799 extra medewerkers in scenario 1 (onzelfstandige
kamers) en met 6.345 extra medewerkers in scenario 2 (zelfstandige appartementen).
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris om een nadere toelichting of
de inzet van verzorgingshuizen daadwerkelijk haalbaar is gezien de huidige tekorten
in de zorg en op welke wijze zij van plan is de toenemende zorgvraag bij de introductie
van verzorgingshuizen te mitigeren en zo beheersbaar te houden voor de toekomst.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de Staatssecretaris op
de gepresenteerde cijfers, waarin zij inzet op een invulling met meer welzijnswerkers
en reablement in verzorgingshuizen om de berekende extra vraag naar duizenden zorgmedewerkers te
dempen. Echter, de leden vragen zich af of deze aanpak voldoende zal zijn om het totale
personeelstekort in de sector, dat in 2034 wordt geraamd op 265.600, effectief aan
te pakken. Bovendien stellen deze leden de vraag aan de Staatssecretaris of deze middelen
en maatregelen (voor welzijn en reablement) op zichzelf niet beter ingezet kunnen worden ter directe verlichting van de huidige
personeelstekorten in de zorg.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat van de ouderen die openstaan voor
verhuizen, volgens ANBO-PCOB negentig procent de voorkeur geeft aan een zelfstandig
appartement met eigen voordeursleutel en zorg op afroep, boven een kamer in een verzorgingshuis.
Zij vragen of de Staatssecretaris bereid is de beleidsfocus te verleggen van «verzorgingshuizen»
naar woonvormen waarin wel aan de wens van ouderen kan worden voorzien.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de Staatssecretaris erkent en inziet
dat de behoeften van de huidige en toekomstige generaties senioren niet overeenkomen
met wat het verzorgingshuis van vroeger kan bieden. Zij vragen de Staatssecretaris
of het, om verwarring en valse verwachtingen te voorkomen, niet beter is om definitief
afscheid te nemen van de term «herintroductie verzorgingshuis» en de aandacht, middelen
en inzet te verleggen naar innovatieve woonconcepten voor senioren.
De leden van de D66-fractie signaleren de grote behoefte aan aantrekkelijke ontmoetingsruimtes
waar senioren elkaar kunnen treffen ter bevordering van de samenredzaamheid. Echter,
zij horen ook dat veel van dit soort waardevolle initiatieven stagneren vanwege uitdagingen
in de financiering en exploitatie.
Daarom vragen genoemde leden de Staatssecretaris om te onderzoeken en toe te lichten
welke verschillende financierings- en exploitatiemogelijkheden zij ziet voor dergelijke
initiatieven. Hierbij vragen zij specifiek aandacht voor een samenwerkingsmodel met
cruciale partners zoals gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars, en willen zij weten
welke concrete stappen de regering kan zetten om deze samenwerking te faciliteren
en de initiatieven vlot te trekken.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de in het PwC-rapport becijferde uitkomsten,
waaronder de kostenstijging van 535,7 miljoen euro per jaar in 2040, de cumulatieve
onrendabele top van 846,7 miljoen euro, én de benodigde 6.345 extra voltijds zorgmedewerkers
in 2034. Deze leden vragen de Staatssecretaris om een toelichting op de wijze waarop
zij de kosten en de benodigde capaciteit van dit geschetste scenario doelmatig en
effectief acht, gelet op de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de personeelstekorten
en de dubbele vergrijzing.
Ook vernemen de leden van de D66-fractie graag of de Staatssecretaris breder kijkt
naar alternatieve beleidsscenario's die een mogelijk positiever effect kunnen hebben
op zowel de financiële houdbaarheid als de personele inzetbaarheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie
van de Staatssecretaris op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen.
Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
In het onderzoek van PwC wordt gewerkt met twee scenario’s. In het eerste met onzelfstandige
kamers en in het tweede met zelfstandige appartementen. Kan de Staatssecretaris toelichten
waarom in haar brief vooral wordt voortgeborduurd op het scenario met zelfstandige
appartementen? Betekent dit dat varianten met meer onzelfstandige, klassieke verzorgingshuisachtige
woonvormen voor haar al zijn afgevallen?
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de zorginzet in de nieuwe woonvorm hoger
is dan in de huidige thuissituatie, omdat de huidige zorg voor deze groep ouderen
vaak ontoereikend is. De Staatssecretaris geeft tegelijk aan dat volgens haar niet
dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn als vroeger in het verzorgingshuis.
Genoemde leden zouden dit graag nader toegelicht willen zien. Kan de staatsecretaris
dit nog duidelijker specificeren? De Staatssecretaris schrijft dat zij de zorg- en
ondersteuning in een modern verzorgingshuis wil laten aansluiten bij de ingezette
lijn, om meer uit te gaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen en van reablement. Kan de Staatssecretaris enkele voorbeelden noemen van initiatieven waar dit momenteel
optimaal functioneert? Wat betekent «meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving
nog zelf kunnen» concreet voor de feitelijke zorginzet per dag en per etmaal voor
deze specifieke, kwetsbare groep?
De Staatssecretaris geeft aan te zoeken naar een invulling die relatief minder arbeidskrachten
vraagt en minder inzet van verzorgenden, door meer in te zetten op welzijnswerkers.
Kan de Staatssecretaris concreet toelichten welke taken volgens haar door welke type
professional kunnen worden overgenomen, en waar volgens haar de grens ligt omwille
van kwaliteit en veiligheid van zorg? Hoe worden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) en andere toezichthouders hierbij betrokken? Hoe wordt voorkomen dat complexe
zorgvragen van ouderen terechtkomen bij medewerkers zonder de vereiste verpleegkundige
of verzorgende kwalificaties? Welke minimumvereisten stelt de Staatssecretaris aan
de aanwezigheid van welzijnswerkers? En aan gediplomeerde verzorgenden en verpleegkundigen?
Hoe verhouden zich de aantallen tussen deze functieprofielen ten opzichte van verschillende
hoeveelheden ouderen? Op welke manier investeert de Staatssecretaris in het behoud
en aantrekken van verzorgenden? Verzorgenden en de verzorgenden I.G zijn essentieel
om de zorg in de eerste lijn overeind te houden. Juist hier is er nog steeds geen
antwoord op de loonkloof, het bekende «buikje». Is de Staatssecretaris nog bereid
of bezig om hier een antwoord op te hebben? Zo nee, waarom niet?
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de extra zorg en ondersteuning leidt tot
een extra arbeidsvraag van enkele duizenden medewerkers, bovenop de al verwachte grote
tekorten in zorg en welzijn, en in het bijzonder de ouderenzorg. Genoemde leden willen
graag specifieker weten hoe PwC aan de getallen is gekomen voor wat betreft de impact
op het verwachtte arbeidsmarkttekort. Hoe komt men tot deze cijfers? Hoe kijkt de
Staatssecretaris aan tegen deze aanvullende arbeidsvraag, zoals geschetst in het onderzoek
van PwC? Welke concrete maatregelen neemt zij om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk
niet neerkomt op «lichtere» zorgpakketten omdat het benodigde personeel simpelweg
niet beschikbaar is? De Staatssecretaris benadrukt het belang van «levende gemeenschappen»,
gemeenschappelijke activiteiten en het betrekken van de buurt, onder meer in het kader
van zorgzame buurten. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat het concept «zorgzame buurt»
in de praktijk vooral leidt tot het verminderen van professionele zorg, terwijl de
zorgvraag van bewoners onverminderd hoog blijft? Op welke wijze wordt inzichtelijk
gemaakt welk deel van de benodigde ondersteuning daadwerkelijk door professionals
wordt geleverd en welk deel door vrijwilligers en mantelzorgers?
In het onderzoek wordt ook gewezen op mogelijke besparingen, bijvoorbeeld door minder
ziekenhuiszorg en geriatrische revalidatiezorg. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten
in hoeverre zij bij de verdere uitwerking rekening houdt met deze potentiële besparingen?
Genoemde leden zien deze besparingen graag systematisch in kaart worden gebracht.
Uitgaande van het scenario met zelfstandige appartementen, blijkt er behoefte aan
circa 20.000 extra zorggeschikte woningen tot en met 2030, die binnen de bestaande
opgave van 290.000 ouderenwoningen worden ingepast. Hoe wordt geborgd dat juist de
meest kwetsbare ouderen daadwerkelijk als eerste profiteren van deze nieuwe zorggeschikte
woningen? Hoe verhoudt de beoogde verschuiving in de bouwopgave zich tot de signalen
dat de bestaande ouderenhuisvestingsopgave al moeilijk haalbaar is? Verwacht de Staatssecretaris
dat het toevoegen van extra eisen (zorggeschikt, geclusterd, ontmoetingsruimte) de
realisatietermijn verder vertraagt? Zo ja, welke extra maatregelen neemt zij om de
realisatie toch vlot te trekken?
De onrendabele top voor de bouw van deze zorggeschikte woonvormen loopt in de scenario’s
op tot honderden miljoenen. Op welke wijze is de Staatssecretaris voornemens deze
onrendabele top (gedeeltelijk) te dekken? Worden zorgaanbieders en woningcorporaties
hiervoor structureel gecompenseerd, of verwacht de Staatssecretaris dat deze partijen
de extra risico’s grotendeels zelf dragen? Hoe wordt voorkomen dat de rekening uiteindelijk
bij de oudere bewoner wordt neergelegd in de vorm van hogere huren of bijkomende kosten?
In het onderzoek worden forse extra zorg- en ondersteuningskosten en een aanzienlijke
onrendabele top voor de bouw geraamd. Deelt de Staatssecretaris de onderliggende aannames
van het onderzoek volledig? Op welke punten wijkt zij af en wat betekent dat – volgens
haar eigen inschatting – voor de budgettaire impact? Kan zij uiteenzetten hoe de kosten
zich verhouden tot de kosten van niets doen, bijvoorbeeld meer crisissituaties, valincidenten,
extra ziekenhuisopnames en zwaardere verpleeghuiszorg op termijn? Hoe wordt voorkomen
dat financiële en arbeidsmarkt-overwegingen zwaarder gaan wegen dan de daadwerkelijke
zorgbehoefte van kwetsbare ouderen?
De Staatssecretaris erkent dat veel initiatieven worstelen met de exploitatie van
de ontmoetingsruimte en dat professionele ondersteuning nodig is om gemeenschapsvorming
op gang te brengen. Is de Staatssecretaris bereid hiervoor een structurele financieringslijn
te ontwikkelen, in plaats van tijdelijke of projectmatige subsidies? Hoe wordt voorkomen
dat ontmoetingsruimten na enkele jaren weer moeten sluiten door wegvallende financiering,
waardoor bewoners hun ontmoetingsplek en onderlinge samenhang verliezen?
De Staatssecretaris verwijst naar middelen oplopend tot enkele honderden miljoenen
euro’s vanaf 2030 vanuit de aanvullende post voor kwaliteit van ouderenzorg. Hoe verhouden
deze middelen zich tot de geraamde extra zorgkosten en onrendabele toppen in de bouw
in 2040? Zijn deze middelen uitsluitend bedoeld voor moderne verzorgingshuizen en
zorgzame gemeenschappen, of worden hier ook andere beleidsprioriteiten uit gefinancierd?
Kan de Staatssecretaris per jaar en per regeling inzichtelijk maken welke middelen
beschikbaar zijn, zodat te volgen is of dit voldoende is om de ambities waar te maken?
Omdat de herintroductie van moderne verzorgingshuizen voorlopig nog niet gerealiseerd
is, willen genoemde leden ingaan op de situatie van vandaag de dag. Deze week was
wederom in het nieuws dat ouderen die kleiner willen wonen op verschillende problemen
stuiten1. Het gebrek aan geschikte seniorenwoningen bijvoorbeeld, maar ook de financiële en
fiscale nadelen waar ouderen mee te maken kunnen krijgen. Welk antwoord heeft de Staatssecretaris
op deze financiële en fiscale nadelen? Wordt hier actief aan gewerkt? Genoemde leden
ontvangen graag een overzicht van de inspanningen van de Staatssecretaris hieromtrent,
per financieel en fiscaal nadeel. Hoe wordt met het oog op deze problemen samengewerkt
met andere bewindspersonen en ministeries? Wat is er nog nodig om de financiële en
fiscale nadelen voor ouderen die kleiner willen wonen weg te nemen?
Verder werd ruim een jaar geleden de motie-Thiadens/Eerdmans2 aangenomen, welke verzocht de regering uit te laten spreken dat intramuraal verblijf
niet hetzelfde is als thuis. Is de staatsecretaris het met genoemde leden eens dat
in de huidige situatie intramuraal verblijf niet verward mag worden met «thuis»? Genoemde
leden constateren namelijk dat private investeerders nog steeds miljarden verdienen
in de commerciële ouderenzorg, vanwege het feit dat woon-zorgcomplexen niet worden
gezien als zorg met verblijf (intramuraal), maar als «thuis» wonen waardoor deze investeerders
het winstverbod omzeilen. Is de staatsecretaris bereid om hier iets tegen te doen?
Of heeft zij dit al gedaan? Zo ja, wat precies? Zo nee, waarom niet? Hoe zal de situatie
er bij een herintroductie van verzorgingshuizen gaan uitzien, als we het hebben over
het scheiden van wonen en zorg? Hoe wordt voorkomen dat de herintroductie van verzorgingshuizen
in welke vorm dan ook duurder uitpakt dan nodig, omdat private investeerders er hoge
winsten uit willen behalen?
Daarnaast willen genoemde leden van de Staatssecretaris weten hoe zij ervoor gaat
zorgen dat de enveloppe ouderenzorg (600 miljoen euro/jaar 2027–2029) daadwerkelijk
ingezet gaat worden voor betere ouderenzorg. Hoe waarborgt zij dat deze behouden blijft
voor onze ouderen en niet wordt leeggeroofd ten behoeve van bijvoorbeeld defensie?
De Staatssecretaris geeft aan begin 2026 terug te komen op de resultaten van de verkenning
met het veld. Is de Staatssecretaris bereid de Kamer uiterlijk een week voorafgaand
aan de plenaire behandeling van de begroting van VWS de beantwoording op dit schriftelijk
overleg te doen toekomen, inclusief een tussenstand van de resultaten van de verkenning
mochten deze nog niet volledig zijn? Kan de Staatssecretaris daarbij ook aangeven
welke keuzes nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen tijdig en voldoende
worden gerealiseerd, zodat ouderen die nu tussen wal en schip dreigen te raken daadwerkelijk
uitzicht krijgen op een veilige en fijne woonplek?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het onderzoek over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben nog de volgende
vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat PwC uitgaat van een groep van 56.385 ouderen
die potentieel naar een geclusterde woning zouden verhuizen. Kan de Staatssecretaris
aangeven of zij de huidige woningvoorraad in staat acht om minstens een deel van deze
groep onderdak te geven. Mocht dit het geval zijn, blijft dan de noodzaak over om
extra geclusterde woonvormen bij te bouwen?
De leden van de VVD-fractie lezen ook dat de Raad van Ouderen heeft geschat dat 200.000
woningen nodig zijn binnen geclusterde woonvormen, terwijl PwC zoals benoemd berekend
heeft dat een groep van 56.385 ouderen potentieel naar een geclusterde woning zou
verhuizen. Kan de Staatssecretaris aangeven waar dit verschil in zit? Welk cijfer
acht zij het meest nauwkeurig en waarom?
De leden van de VVD-fractie noteren dat er 2.799 tot 6.345 extra zorgverleners nodig
zullen zijn om de woonvormen zoals genoemd in het PwC-rapport te bemensen. Kan de
Staatssecretaris aangeven of zij mitigerende maatregelen voor zich ziet, die ervoor
kunnen zorgen dat het personeelstekort minder snel stijgt? Vindt zij een maatregel
gerechtvaardigd, als deze een dergelijk aantal extra zorgverleners vereist, terwijl
het tekort in 2034 al geraamd wordt op 265.600? Waarom wel, of waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lezen in het rapport van PwC dat onder ouderen het gevoel
heerst dat er geen privacy is in verzorgingshuizen. Aan de andere kant worden het
sociale contact en de sociale omgeving genoemd als positieve aspecten van verzorgingshuizen.
De leden van de VVD-fractie vragen aan de Staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen
dat privacy gewaarborgd wordt, terwijl tegelijkertijd het sociale contact in verzorgingshuizen
kan blijven doorgaan.
Ook observeren de leden van de VVD-fractie in het PwC-rapport dat er meerkosten zijn
in het realiseren van de woonvorm (16.426,37 euro in scenario 1, 23.645,07 euro in
scenario 2). Dit rapport heeft in de berekeningen geen rekening gehouden met transformatie
van bestaande bouw en noemt dit een beleidskeuze. Kan de Staatssecretaris aangeven
aan de leden van de VVD-fractie, na samen met het veld te kijken naar de mogelijkheden
in de bestaande bouw, wat de totale meerkosten worden en hoeveel er met bestaande
bouw gewerkt kan worden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar
de herintroductie van verzorgingshuizen en de reactie van het kabinet hierop. Zij
hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verkenning mede is ingegeven
door de forse toename van het aantal ouderen met dementie de komende jaren. Zou nader
toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich heeft ontwikkeld
in de afgelopen tien jaar? Zou tevens nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal
ouderen met dementie zich naar verwachting zal ontwikkelen in de komende tien jaar?
Op welke wijze worden dementievriendelijke buurten gestimuleerd?
Genoemde leden lezen daarnaast dat er wordt geconstateerd dat een deel van de ouderen
behoefte heeft aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap. Zij herkennen
dit ook en ontvangen deze signalen ook vaak in hun gesprekken met ouderen en organisaties.
Welke rol voorziet de Staatssecretaris voor zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels
bij het voorzien in deze behoefte aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap?
Welke rol ziet zij voor zichzelf bij deze zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het onderzoek naar de herintroductie
van verzorgingshuizen terug dat er geconstateerd wordt dat er wegens hervormingen
in de langdurige zorg mogelijk een gat zou zijn ontstaan in het woon- en zorgaanbod
voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aan de orde is. Om welke specifieke
hervormingen gaat dit? Welke politieke keuzes liggen eventueel ten grondslag aan deze
hervormingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gekozen is voor een verkenning
naar de herintroductie van verzorgingshuizen om het gat in het woon- en zorgaanbod
voor ouderen te overbruggen. Kan nader toegelicht geworden, op basis van argumenten,
welke afwegingen zijn gemaakt voor de keuze voor verzorgingshuizen? Welke andere alternatieven
zijn er naast verzorgingshuizen? Op welke wijze zouden verzorgingshuizen eventueel
gecombineerd kunnen worden met initiatieven omtrent intergenerationeel wonen, voorzorgcirkels
en zorgzame gemeenschappen?
Welke maandelijkse kosten, waaronder bijvoorbeeld huur, zouden bewoners van een verzorgingshuis
hebben? In hoeverre draagt de herintroductie van verzorgingshuis eventueel bij aan
de kloof tussen verschillende inkomensklassen?
Welke concrete maatregelen zouden er eventueel genomen kunnen worden om erop toe te
zien dat de mate van kwaliteit van wonen en zorg voor ouderen niet gaan afhangen van
hun inkomen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Staatssecretaris voornemens is
om het komende halfjaar te onderzoeken hoe de zorg en ondersteuning voor de groeiende
groep thuiswonende ouderen eruit zou kunnen zien. Zou er een concreet tijdspad aangeleverd
kunnen worden, waarin ook inzichtelijk wordt gemaakt op welke momenten de Kamer geïnformeerd
wordt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen het overigens op prijs dat de Staatssecretaris
aan de slag gaat met de motie-Kröger om in de visie op de ouderenzorg ook zorgzame
buurten mee te nemen als alternatief voor verpleegplekken. Zij kijken ernaar uit om
de resultaten te ontvangen van de inventarisatie van de Staatssecretaris naar de stimuleringsmogelijkheden
voor zorgzame gemeenschappen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende en
verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van Staatssecretaris
en het onderzoek door PwC naar de herintroductie van de verzorgingshuizen. Deze leden
hebben de brief van de staatsecretaris gelezen en delen het uitgangspunt dat woonvormen
tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis voor ouderen nodig zijn.
Het onderzoek van PwC laat zien dat herintroductie van verzorgingshuizen leidt tot
hogere zorguitgaven in de Wet langdurige zorg (Wlz), hogere woonlasten voor ouderen,
een verdere vergroting van het arbeidstekort en een aanzienlijke onrendabele top.
Dit staat haaks op de bevindingen van het rapport IBO Ouderenzorg «Niets doen is geen
optie», waarin juist wordt benadrukt dat betaalbaarheid en beschikbaarheid van personeel
onder druk staan. Hoe beziet de staatsecretaris deze twee rapporten? Waarom denkt
de Staatssecretaris dat de herintroductie van verzorgingshuizen, zoals omschreven
in het rapport, een toekomstbestendige route is? Denkt de staatsecretaris dat er voldoende
personeel voor beschikbaar is? Waarom wel of waarom niet?
Wordt in het vervolgonderzoek expliciet de variant uitgewerkt waarin wonen en zorg
gescheiden zijn en waarin sociale binding, omzien naar elkaar en gemeenschappelijkheid
de basis vormen? Hoe denkt de staatsecretaris dat samenredzaamheid vorm moet krijgen?
De leden van de CDA-fractie zien nieuwe sociale woonvormen, waarin wonen en zorg gescheiden
zijn en ontmoeting en onderlinge hulp centraal staan. Dit is de sleutel voor de toekomst
van de ouderenzorg. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren?
Veel van de randvoorwaarden voor passende extramurale woonzorgconcepten liggen niet
in de zorg, maar in het woondomein. Er wordt onvoldoende gebouwd dat geschikt is voor
ouderen. Denk in dit geval aan de onrendabele top bij de bouw, de financiering van
gemeenschappelijke ruimten en de regels rond huurtoeslag die bepalend zijn voor de
betaalbaarheid voor ouderen. Het is van belang dat de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (VRO) hierin nadrukkelijk eigenaarschap neemt. Het nationale
bouw- en woonprogramma biedt hiervoor een goede insteek, aangezien zorgwoningen daarin
al expliciet zijn opgenomen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de Minister en zijn
ministerie bij het vervolgonderzoek worden betrokken? Genoemde leden vinden dat de
slagingskans van zo zelfstandig mogelijk wonen en samen redzaam zijn ook afhankelijk
is van de locatie waar de ouderenwoningen staan. Is er een bushalte, zijn er winkels
in de buurt en is de huisarts om de hoek? Neemt de staatsecretaris dit punt in de
gesprekken met de VNG mee?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het onderzoeksrapport
over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben hierover meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van de Staatssecretaris dat zij
van mening is dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte
van vroegere verzorgingshuizen. Daarbij noemt ze een aantal denkrichtingen, zoals
minder arbeidskrachten, minder verzorgenden en meer werk vanuit opbouw- of welzijnswerkers.
Kan de Staatssecretaris concreet maken hoe ze dit voor zich ziet – met name bezien
vanuit de zorgkwaliteit die dan geleverd wordt? En heeft ze een indicatie van wat
dit eventueel zou opleveren ten opzichte van de budgettaire impact uit bijlage 6 van
het PwC-rapport.
De berekeningen van PwC laten duidelijk zien dat meer ouderen naar een verzorgingshuis
zouden willen verhuizen onder scenario 2 (zelfstandig appartement) dan onder scenario
1 (onzelfstandige kamer). Steunt de Staatssecretaris de wens van de ouderen om zich
in te spannen voor het realiseren van scenario 2 ten opzichte van scenario 1?
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat de meerkosten een
onrendabele top hebben van respectievelijk 197,1 miljoen euro (scenario 1) en 846,7
miljoen euro (scenario 2). In hoeverre zijn er (zorg)partijen bereid om zich aan deze
onrendabele top te committeren? Wordt hier al onderzoek of een verkenning naar gedaan?
Daarnaast zijn de leden van de JA21-fractie benieuwd of er andere keuzemogelijkheden
bestaan om de om de kosten van de onrendabele top zoveel als mogelijk te mitigeren.
Als deze er zijn, zien zij graag een overzicht hiervan van deze mogelijkheden inclusief
de impact die het zou kunnen maken.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat in beide scenario’s
het totaal personeelstekort in de (ouderen)zorg toeneemt. In hoeverre zijn er mogelijkheden
om een deel hiervan op te vangen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie
in verzorgingshuizen en/of de inzet van Artificiële Intelligentie (AI)? En is er een
indicatie met hoeveel medewerkers het tekort hiermee ingekrompen zou kunnen worden?
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat PwC stelt dat zij
niet kunnen kwantificeren wat de verhouding is tussen de mogelijkheden voor nieuwbouw
versus mogelijkheden binnen bestaand vastgoed. Is de Staatssecretaris van plan, of
is ze bezig, met het uitvoeren van een onderzoek wat de verhouding is qua potentie
voor verzorgingshuizen tussen nieuwbouw en bestaand vastgoed? En als ze dit doet,
zijn hier al cijfers van en zijn deze eventueel deelbaar?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek
naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben de volgende vragen aan de
Staatssecretaris.
Na jaren van afbouw van de ouderenzorg is er eindelijk beweging. De leden van de BBB-fractie
hebben zich vanaf het begin uitgesproken voor het terugbrengen van verzorgingshuizen,
niet als terugkeer naar het verleden, maar als eigentijdse woonvorm voor ouderen die
niet meer zelfstandig kunnen wonen, maar ook nog niet in aanmerking komen voor verpleeghuiszorg.
De herintroductie van verzorgingshuizen is geen vrijblijvende verkenning, maar een
noodzakelijke koerswijziging. De praktijk laat zien dat ouderen vereenzamen, mantelzorgers
overbelast raken en de wijkverpleging tekortschiet. De behoefte aan beschutte woonvormen
is groot, breed gedragen en urgent. Verzorgingshuizen kunnen bovendien bijdragen aan
het ontlasten van de wijkverpleging, doordat zorg geconcentreerd en efficiënter georganiseerd
kan worden binnen een vaste woonomgeving, met minder reistijd en betere samenwerking
tussen zorgverleners.
Worden de nieuwe verzorgingshuizen gerealiseerd als zelfstandige nieuwbouwprojecten,
of wordt ook gekeken naar integratie in bestaande beschutte woonomgevingen zoals geclusterde
ouderenwoningen, Thuisplusflats of herbestemde gebouwen? Hoe wordt hierin regionale
maatwerk en ruimtelijke spreiding geborgd? Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer
de eerste verzorgingshuizen nieuwe stijl daadwerkelijk worden gerealiseerd, en hoe
voorkomt de Staatssecretaris dat deze koerswijziging verzandt in verkenningen zonder
concrete oplevering?
In de begroting is een bedrag van 125 miljoen euro beschikbaar voor de ontwikkeling
van deze woonvorm, oplopend naar 470 miljoen euro vanaf 2031. Kan de Staatssecretaris
toelichten hoe deze middelen concreet worden ingezet? Wordt er onderscheid gemaakt
tussen bouw en ondersteuning van gemeenschapsvorming? Hoe wordt geborgd dat deze middelen
ook terechtkomen bij kleinschalige initiatieven in dorpen en regio’s, en niet uitsluitend
bij grote zorgorganisaties in stedelijke gebieden? Is bij de Staatssecretaris bekend
hoeveel deze woonvormen kunnen bijdragen aan verlichting van de werkdruk en verbetering
van de continuïteit van de wijkzorg? En zo niet, is de Staatssecretaris bereid dit
te onderzoeken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op het
onderzoek van PwC naar de herintroductie van verzorgingstehuizen. Zij willen hierover
graag een aantal vragen stellen.
De leden van de SGP-fractie delen de zorg van de Staatssecretaris over het ervaren
«gat» tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis en vinden het goed dat
er naar een passende oplossing hiervoor wordt gezocht. Ze kijken uit naar de verdere
verkenning van de Staatssecretaris die begin 2026 met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de SGP-fractie zijn daarbij vooral benieuwd hoe de Staatssecretaris het
voor elkaar wil krijgen om nieuwe woonvormen te creëren zonder dat dit leidt tot een
onevenredige druk op de toch al overbelaste arbeidsmarkt in de zorg. Zij stelt in
haar brief dat zij, ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport, van mening
is dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die
vroeger in het verzorgingshuis hadden. Tegelijkertijd schept de «terugkeer» van het
verzorgingstehuis wel bepaalde verwachtingen als het gaat om de zorg en ondersteuning
die daar dan geboden zou worden. Er is ook onder opbouw- en welzijnswerkers een groot
personeelstekort. Kan de Staatssecretaris al meer duidelijkheid geven over hoe zij
het risico op het vergroten van het personeelstekort wil tegengaan? Wordt bijvoorbeeld
onderzocht hoe het creëren van nieuwe en geclusterde woonvormen wellicht ook bij kan
dragen aan vermindering van het personeelstekort? Bijvoorbeeld doordat verpleging
en verzorging efficiënter georganiseerd kan worden.
De leden van de SGP-fractie hebben behoefte aan meer feitelijke informatie over vraag
naar en aanbod van appartementen in verzorgingstehuizen en nieuwe (geclusterde) woonvormen.
Wat betekent de bouw van nieuwe woonvormen bijvoorbeeld voor de vraag naar verzorgingstehuizen?
In hoeverre verdwijnt de vraag naar het verzorgingstehuis 2.0 op het moment dat er
steeds meer nieuwe woonvormen komen? Wordt bijvoorbeeld leegstand in verpleeghuizen
en de opkomst van zorgzame gemeenschappen en nieuwe woonzorgvormen gemonitord? Zo
nee, welke stappen zet de Staatssecretaris om deze gegevens meerjarig wel te verzamelen,
zodat beleid en praktijk beter onderbouwd kunnen worden en vraag en aanbod zo goed
mogelijk op elkaar aansluiten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op het onderzoek naar
de herintroductie van de verzorgingshuizen. Zij zijn groot voorstander van de terugkeer
van de verzorgingshuizen, maar hebben wel een aantal vragen over de precieze invulling
en de tijdslijn hiervan.
De leden van de SP-fractie lezen dat het verzorgingshuis voor veel mensen minder betaalbaar
zou zijn dan thuis blijven wonen. Dat vinden zij opmerkelijk, aangezien de zorg in
een verzorgingshuis door de kortere reistijd van zorgverleners efficiënter gegeven
kan worden en mensen kleiner gaan wonen. Waarom wordt er niet gekeken naar de optie
om mensen hun oude huurbedrag mee te laten nemen naar het verzorgingshuis?
De leden van de SP-fractie lezen ook dat de Staatssecretaris uitgaat van hogere zorgkosten
als mensen naar een verzorgingshuis verhuizen, dan als zij thuis blijven wonen. Anderzijds
stelt PwC in hun rapport dat uit onderzoek blijkt «dat de huidige zorginzet voor deze
ouderen ontoereikend of niet passend is, en de doelgroep zelf geeft aan behoefte te
hebben aan meer zorg en ondersteuning». Is deze toename van zorguitgaven dan niet
sowieso noodzakelijk en dus niet een gevolg van de terugkeer van de verzorgingshuizen?
Sterker nog, zou deze zorg niet efficiënter en dus goedkoper kunnen worden geleverd
wanneer dit geclusterd plaatsvindt?
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of er bij de verdere invulling van de
plannen voor de terugkeer van de verzorgingshuizen ook wordt gekeken naar het model
van het zorgbuurthuis. Worden deze los van dit traject gestimuleerd of wordt dit als
voorbeeld gebruikt voor de nieuwe verzorgingshuizen?
De leden van de SP-fractie vragen hoe het inmiddels staat met de uitvoering van de
aangenomen motie-Dijk3 over een plan om in de komende twee jaar in tenminste honderd buurten in leegstaande
panden in Nederland een zorgbuurthuis op te richten en met het amendement-Dobbe4 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen
en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de personeelstekorten een probleem kunnen vormen
bij de terugkeer van de verzorgingshuizen. Hoe staat het nu met de wervingscampagne
voor de zorg waar de Kamer via de motie-Dobbe5 toe heeft opgeroepen?
De leden van de SP-fractie vragen ten slotte om een tijdspad voor de bouw van de nieuwe
verzorgingshuizen. Hoeveel hiervan zullen er in welk jaar worden gebouwd? Welke garanties
kan de Staatssecretaris geven dat deze bouwdoelstellingen wel worden gehaald?
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de Staatssecretaris voor de Kamerbrief. Zij
hebben nog wel enkele vragen hierbij.
De leden van de 50PLUS-fractie ondersteunen het doel van de Staatssecretaris om een
oplossing te vinden voor het gat tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis,
en een nieuwe vorm van verzorgingshuizen. Zij delen de mening van de Staatssecretaris
dat een gezellige woonomgeving eenzaamheid voorkomt. Hoe denkt de Staatssecretaris
dit te realiseren? Het is goed dat de Staatssecretaris denkt over meer inzet van opbouwwerkers
of welzijnswerkers, maar genoemde leden zien bijvoorbeeld bij zorgbuurthuis ’t Hageltje
in Oss dat de gemeente voor kosten gesteld wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) 2015, omdat zorgverzekeraars dit geen zorg vinden. Hoe ziet de Staatssecretaris
dit? Zou een oplossing zoals in Den Bosch, waar jongeren wonen tussen senioren met
een verplichting om een aantal dagdelen bij te dragen aan sociale activiteiten (dit
wordt het butterfly effect genoemd), ook kunnen bijdragen?
In Eindhoven en omstreken is de samenwerking tussen Wooninc en Vitalis een goed voorbeeld
hoe een en ander kan werken. Senioren huren zelfstandig een appartement en op het
moment dat de zorg zwaarder wordt, wordt de woning «omgeklapt» en wordt de zorgaanbieder
de huurder. Zo kan een senior blijven wonen in zijn eigen appartement, ook als hij
of zij onder de Wlz komt te vallen. Dit geeft veel senioren rust; ze hoeven niet te
verhuizen als hun gezondheid ze in de steek laat. Zou dit een goede bijdrage kunnen
leveren aan de uitdagingen waar wij voor staan en kan de Staatssecretaris kijken of
dit breder ingezet kan worden?
Herkent de Staatssecretaris de wens van senioren om in hun vertrouwde omgeving te
blijven en het sociale netwerk en omgeving waar zij al jaren wonen te behouden? Zeker
in kleinere gemeenschappen, wijken en dorpen zijn flats geen oplossing, een kleinschalige
zorgvoorziening met zelfstandige appartementen zoals buurtwonen of een zorgbuurthuis
is daar naar mening van deze leden meer passend. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
Zou een buurt niet meer gestimuleerd zijn om betrokken te zijn als zij dit als zeer
geschikte toekomstige oplossing voor zichzelf zien? Is een kleinschalige zorgvoorziening
zoals hierboven genoemd niet juist een goede aansluiting bij de pilots van de buurt
als ecosysteem?
De Staatssecretaris stelt op pagina 3 van de Kamerbrief: «Samen met de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik met het veld de mogelijkheid om
de bouw van meer zorggeschikte woningen binnen de woningbouwopgave te stimuleren en
te versnellen.» Zou de Staatssecretaris dit nader willen toelichten? Wat is bijvoorbeeld
de insteek van VWS qua tijdsplanning? En wat is de insteek qua hoeveelheid extra zorggeschikte
woningen?
De leden van de 50PLUS-fractie zien goede ervaringen met buurtondersteuners en voorzorgcirkels
als eerste start om de buurt meer te verbinden. Zou de Staatssecretaris dit ook kunnen
betrekken bij haar uitwerking?
Genoemde leden zijn zeer enthousiast over het zorgbuurthuis en het reeds genoemde
Buurtwonen. Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken of en hoe deze financieel haalbaar
te maken zijn voor gemeenten? Als er een duidelijke financiële paragraaf is en duidelijkheid
waar vanuit de financiële bijdragen komen (Wmo, gemeente, welk deel zorgkantoor of
zorgverzekeraar), helpt dit om meer kleinschalige zorgvoorzieningen gerealiseerd te
krijgen. Wat kan de Staatssecretaris hierin betekenen?
Senioren Netwerk Nederland houdt bijeenkomsten onder de naam «Senioren zelf aan zet,
Praat vandaag over morgen». Inmiddels hebben zij een schat aan kennis en ervaring
opgedaan, vanuit de ruim 17.000 senioren die deze bijeenkomsten bijgewoond hebben.
Van deze bijeenkomsten ging er één specifiek over woonwensen en woonopties. Is de
Staatssecretaris bereid met het genoemde Netwerk over de opgedane ervaringen en resultaten
van deze bijeenkomsten in gesprek te gaan en dit te betrekken bij haar onderzoek?
Reactie van de Minister
Mijn voorganger heeft in de brief van 17 september geconstateerd dat er woonvormen
nodig zijn voor mensen met beginnend regieverlies, waar bewoners zeker kunnen zijn
dat er zorg en ondersteuning direct in de nabijheid is en waar er toezicht in de nacht
is.
Het kabinet is van mening dat er geen nieuwe pijler aan woonvormen hoeft te komen,
maar dat het vooral gaat om het uitbreiden van bestaande woonvormen. De zorg en ondersteuning
kan plaats vinden in woonvormen zoals het Zorgbuurthuis, de Langer Leven thuisflats
en de Thuisplusflats of nieuwbouw locaties met een zorg- en welzijnsteam. Deze woonvormen
sluiten qua fysieke bouweisen goed aan bij de huidige inzet op geclusterde zorggeschikte
woningen. De zorgprofessionals zijn in deze woonvormen minder dominant aanwezig en
hebben een meer faciliterende rol dan in woonvormen waarin alle bewoners een zorgvraag
hebben zoals in een verzorgingshuis of verpleeghuis.
Met het wegvallen van de enveloppe ouderenzorg is de specifieke financiering van deze
plannen weggevallen. Het kabinet is aan het onderzoeken of gemeenschapsvorming in
woonvormen kan worden betrokken bij het aanvullend Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg
(HLO). Over deze gemeenschapsvorming in woonvormen is uitgebreid gesproken met ActiZ,
Aedes, VNG, ZN en de Seniorencoalitie.6 Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde zorggeschikte woningen
zijn t/m 2030 nog middelen beschikbaar vanuit de stimuleringsregeling zorggeschikte
woningen. Daarnaast zijn middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de
Minister van VRO.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om dit gebrek aan maatschappelijk draagvlak
voor verzorgingstehuizen en vragen of de Staatssecretaris deze zorgen deelt en waarom
zij er alsnog voor kiest om de herintroductie van de verzorgingshuizen verder te onderzoeken.
Ook vragen de leden hoe zij deze herintroductie door zou wensen te voeren zonder steun
van veel van de betrokken organisaties.
Het inzicht dat er geen nieuwe woonvormen hoeven te komen naast de woonvormen voor
ouderen waar al aan gewerkt wordt, sluit aan bij het gedachtengoed van de partijen
die betrokken zijn bij het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen, zoals ook aan de
orde is gekomen in de bespreking van de kamerbrief in oktober 2025. Naar aanleiding
van de bespreking is het belang geconstateerd van gemeenschapsvorming in woonvormen,
zowel in nieuwbouw als bestaande bouw. Zoals in het coalitieakkoord is aangegeven
bouwt het kabinet aan zorgzame wijken en buurten door te investeren in de sociale
cohesie. Het kabinet wil een verschuiving bereiken van intramurale zorg naar investeren
in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een
beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning.
Het belang van gemeenschapsvorming wordt breed ondersteund en sluit ook aan bij de
brief aan de informateur, de heer Van Haersma Buma, van de samenwerkende woningcorporaties,
institutionele beleggers, zorginstellingen in de ouderenzorg, zorgkantoren, gemeenten,
Alzheimer Nederland en ouderen. Ook recent hebben ActiZ, Aedes, Alzheimer Nederland,
ANBO-PCOB namens de Seniorencoalitie, Sociaal Werk Nederland, de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, Zorgverzekeraars Nederland en de Coalitie van Zorg naar Gewoon Leven u
nog een brief gestuurd om te zorgen voor structurele financiering van zorgzame gemeenschappen
voor ouderen.7
De leden van de D66-fractie vernemen dat de Staatssecretaris zowel de herintroductie
van de verzorgingshuizen als de mogelijke rol van zorgzame buurten in dit dossier
onderzoekt. Ze geeft hierbij aan dat ze ook wil onderzoeken op welke wijze zorgzame
gemeenschappen het beste gestimuleerd kunnen worden.
De leden van de D66-fractie delen deze wens om het realiseren van de zorgzame buurten
meer prioriteit te geven. Dit sluit beter aan bij de wensen van senioren, en is ook
realistischer met het oog op de consequenties die het herintroduceren van verzorgingshuizen
zou hebben op de financiën en de arbeidsmarkt.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris dan ook of zij het met deze
leden eens is dat de focus niet moet liggen op het heropbouwen van verzorgingshuizen,
maar dat meer prioriteit moet worden gegeven aan het versnellen van de ontwikkeling
van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen, waar ouderen hun privacy en
autonomie behouden.
Ja. Daar ben ik het mee eens.
De leden van de D66-fractie horen dat in de praktijk corporaties, gemeenten en zorgpartijen
tegen verschillende obstakels aan lopen. Welke processen lopen er nu om die obstakels
weg te nemen en is dat afdoende om de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame
gemeenschappen te realiseren in lijn met de ambities van het kabinet? Het is belangrijk om bij de realisatie van geschikte woningen voor ouderen aandacht
te hebben voor welke knelpunten generiek van toepassing zijn op de bouw, zoals bijv.
stikstof, bezwaarprocedures en netcongestie, en welke knelpunten specifiek t.a.v.
deze opgave gelden. Om de woningbouw te versnellen heeft het kabinet de Taskforce
Versnellen Woningbouw geïnstalleerd.
Specifieke knelpunten worden geagendeerd in de landelijke Stuurgroep Wonen en Zorg
en via het Aanjaagteam Wonen Welzijn en Zorg. Via de Voortgangsrapportages Ouderenhuisvesting
informeer ik uw Kamer samen met de Minister van VRO regelmatig over onze aanpak van
de knelpunten die specifiek voor deze opgave gelden. Om kennis te delen met lokale
partijen biedt het kennisinstituut Platform31 o.a. handreikingen, bijeenkomsten en
webinars aan, heeft het Aanjaagteam regionale ondersteuning geboden bij de opgavebepaling
en de slag naar uitvoering en ondersteunt het expertteam huisvesting aandachtsgroepen
de totstandkoming van woonzorgvisies. Alle vraagstukken met betrekking tot de bouw
kunnen ingediend worden op de landelijke versnellingstafel woningbouw (LVW). De LVW
heeft als doel om overheden (gemeenten en provincies), woningcorporaties en woningmarktpartijen
te ondersteunen bij het realiseren van de gemaakte bestuurlijke woningbouwafspraken.
De leden van de D66-fractie constateren op basis van het uitgevoerde PwC-onderzoek
én cijfers van ANBO-PCOB dat ouderen een duidelijke voorkeur hebben voor zelfstandige
woonconcepten. Slechts acht procent van de thuiswonende ouderen wil verhuizen naar
een verzorgingshuis.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris uit te leggen waarom er in
beleidstermen alsnog voortdurend gesproken wordt over de «herintroductie van het verzorgingshuis»,
terwijl de doelgroep zelf vraagt om zelfstandige woningen met zorg in de nabijheid.
Hoe reflecteert zij op deze eenduidige vraag vanuit senioren en wat betekent het gebrek
aan maatschappelijke steun voor de beoogde herintroductie van de verzorgingshuizen?
In het regeerakkoord van het kabinet Schoof was aangekondigd om de terugkeer van het
verzorgingshuis te onderzoeken. Deze term is gekoppeld aan woonvormen tussen thuis
en een verpleeghuis, waarbij de beoogde woonvorm verzorgingshuizen relatief dichter
tegen het verpleeghuis aan zit. Zoals hierboven aangegeven gaat het vooral om het
uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd en is daarmee de term verzorgingshuis
niet nodig. Het kabinet geeft daarom de voorkeur om aan te sluiten bij de terminologie
van de geclusterde zorggeschikte woning, zoals die is geïntroduceerd in het Programma
Wonen en Zorg voor Ouderen. In de brief van 17 september had mijn voorgangster overigens
reeds aangegeven dat voor haar het uitgangspunt is dat woonvormen zelfstandige appartementen
hebben.
De leden van de D66-fractie wijzen op het PwC-rapport waaruit blijkt dat de zorgkosten
per oudere in de onderzochte scenario's met 46 tot wel 124 procent stijgen. Ook blijkt
uit het PwC-rapport dat het aannemelijk is dat de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen
zal stijgen, daar zij een latente zorgbehoefte hebben. Hierbij wordt benoemd dat dit
een kans biedt om delen van de zorgbehoefte op alternatieve wijze in te vullen. Zij
vragen de Staatssecretaris welke andere alternatieve woonvormen worden onderzocht
die wél betaalbaar blijven, door in te zetten op wat ouderen zelf nog kunnen, aansluitend
bij de afspraken over reablement uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO).
De berekening in het PWC-rapport gaat uit van de kosten indien aan alle ouderen uit
de doelgroep een zorgzwaartepakket 2 en 3 zou worden aangeboden.
In mijn gesprekken met de veldpartijen wordt het beeld bevestigd dat met een goede
combinatie van de beschikbare welzijn-, ondersteunings- en zorgactiviteiten (zoals
wijkverpleging) in de behoefte van ouderen kan worden voorzien. Daarbij wordt bij
de verlening van de zorg aangesloten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen,
dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat
ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top
van dergelijke woningtypen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans
bij de Minister van VRO.
De leden van de D66-fractie constateren uit het PwC-rapport dat het verwachte personeelstekort
in de sector zorg en welzijn in 2034, bovenop het reeds voorspelde tekort van 265.600
medewerkers, verder zal toenemen met 2.799 extra medewerkers in scenario 1 (onzelfstandige
kamers) en met 6.345 extra medewerkers in scenario 2 (zelfstandige appartementen).
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris om een nadere toelichting of
de inzet van verzorgingshuizen daadwerkelijk haalbaar is gezien de huidige tekorten
in de zorg en op welke wijze zij van plan is de toenemende zorgvraag bij de introductie
van verzorgingshuizen te mitigeren en zo beheersbaar te houden voor de toekomst.
Het scenario van PwC ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig
zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. In
de brief van 17 september is reeds aangegeven dat ten opzichte van de berekening in
het PwC-rapport dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn zoals
we die vroeger in het verzorgingshuis hadden. Ik vind het belangrijk om de zorg- en
ondersteuning te laten aansluiten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen,
dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat
ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Dit sluit ook aan bij de afspraken over reablement
zoals opgenomen in het HLO. Hiermee ga ik ook op zoek naar een invulling van de zorg
en ondersteuning die relatief minder arbeidskrachten vraagt.
Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd
is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. PwC gaf hierover aan. «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in
verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel
ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk
dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter
ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en
goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee
te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl». Er zijn veel goede voorbeelden die
de inzet van professionele zorg kunnen verlagen. Een lagere inzet van professionele
zorg dan nu verondersteld zou de budgettaire belasting verlagen en tevens invloed
kunnen hebben op de verwachte tekorten op de arbeidsmarkt binnen de zorgsector.»8
Met het inzetten op gemeenschapsvorming, en met het organiseren van veel activiteiten
door bewoners zelf zal minder zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte van situatie
dat er geen gemeenschapsvorming is in een woonvorm. Indien de woonvorm ook een buurtfunctie
heeft, kan dit ook voor de buurt gelden. Naast een efficiëntere manier van Zvw zorg
en Wmo ondersteuning te bieden, zal er ook minder personeel zijn in verpleeghuizen
omdat minder mensen naar verpleeghuizen zullen gaan. Bovenal zal gelden dat de thuiszorg
veel minder reistijd heeft als er gewerkt wordt met een preferente zorgaanbieder (zie
ook het antwoord op de volgende vraag).
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de Staatssecretaris op
de gepresenteerde cijfers, waarin zij inzet op een invulling met meer welzijnswerkers
en reablement in verzorgingshuizen om de berekende extra vraag naar duizenden zorgmedewerkers te
dempen. Echter, de leden vragen zich af of deze aanpak voldoende zal zijn om het totale
personeelstekort in de sector, dat in 2034 wordt geraamd op 265.600, effectief aan
te pakken. Bovendien stellen deze leden de vraag aan de Staatssecretaris of deze middelen
en maatregelen (voor welzijn en reablement) op zichzelf niet beter ingezet kunnen worden ter directe verlichting van de huidige
personeelstekorten in de zorg.
Met de inzet op gemeenschapsvorming en het verleiden van deze groep met beginnend
regieverlies om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen verwacht ik juist dat er
op termijn minder zorgmedewerkers nodig zijn. Ik verwacht om meerdere redenen dat
de totale vraag naar zorg en welzijn lager zal zijn:
– Mensen kunnen in deze woonvorm vaak langer blijven wonen dan als iemand ongeclusterd
zelfstandig woont als de zorgvraag toeneemt, zeker als er een zorg- en welzijnsteam
aanwezig is.
– Het is voor partners van mensen met (beginnende) dementie beter vol te houden en veel
aantrekkelijker om bij de partner te blijven wonen dan als iemand naar het verpleeghuis
moet.
– Iemand kan na een ziekenhuisbezoek soms niet meer naar huis gaan en gaat dan naar
geriatrische revalidatiezorg of een verpleeghuis. Als iemand al in een geclusterde
zorggeschikte woning woont, is het vaak nog wel goed mogelijk om terug te keren naar
de woning waar het zorg- en welzijnsteam kan dan – soms met het oogje in het zeil
van medebewoners – de benodigde zorg en welzijn kan geven.
– Het vermindert de zorgvraag die voortkomt uit eenzaamheid.
– Er is minder formele zorg nodig in de vorm van dagbesteding of begeleiding omdat ouderen
zelf veel meer organiseren.
– Het empoweren van de (mensen in de) gemeenschap zorgt daarbij voor een betere mentale
gezondheid en voor een lagere zorg- en welzijnsvraag.
– Als gewerkt wordt met een preferente zorgaanbieder en er voldoende mensen zijn met
een zorgvraag in de woonvorm zullen zorgverleners ook aanzienlijk minder reistijd
hebben.
Ook zal de woonvorm in veel gevallen een buurtfunctie hebben, zodat ook voor de mensen
in de buurt minder zorg en ondersteuning nodig is. Los hiervan wordt ook in de zorg
ingezet op reablement. Ook dat is makkelijker vorm te geven in een geclusterde zorggeschikte
woning dan in een woning waar bijvoorbeeld drempels aanwezig zijn of die niet geschikt
is voor het plaatsen van hulpmiddelen (bijv. in de badkamer). Om het totale tekort
aan zorgmedewerkers te verhelpen zijn meer maatregelen nodig; het inzetten op gemeenschapsvorming
kan daar wel aan bijdragen.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat van de ouderen die openstaan voor
verhuizen, volgens ANBO-PCOB negentig procent de voorkeur geeft aan een zelfstandig
appartement met eigen voordeursleutel en zorg op afroep, boven een kamer in een verzorgingshuis.
Zij vragen of de Staatssecretaris bereid is de beleidsfocus te verleggen van «verzorgingshuizen»
naar woonvormen waarin wel aan de wens van ouderen kan worden voorzien.
Ja, dat ben ik. Zoals ik al eerder aangaf gaat het vooral om het uitbreiden van de
woonvormen die reeds worden gebouwd. In de brief van 17 september is reeds aangegeven
dat het uitgangspunt is dat woonvormen uit zelfstandige woningen bestaan. De reeds
geformuleerde bouweisen bij een zorggeschikte woning sluiten aan bij de behoefte van
de doelgroep voor verzorgingshuizen. Met deze bouweisen kunnen allerlei innovatieve
woonconcepten voor ouderen worden gerealiseerd.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de Staatssecretaris erkent en inziet
dat de behoeften van de huidige en toekomstige generaties senioren niet overeenkomen
met wat het verzorgingshuis van vroeger kan bieden. Zij vragen de Staatssecretaris
of het, om verwarring en valse verwachtingen te voorkomen, niet beter is om definitief
afscheid te nemen van de term «herintroductie verzorgingshuis» en de aandacht, middelen
en inzet te verleggen naar innovatieve woonconcepten voor senioren.
Het verzorgingshuis is een term die is gekoppeld aan woonvormen tussen thuis en een
verpleeghuis, waarbij veel mensen het verzorgingshuis associëren met een woonvorm
waar de zorg voorop staat. En daarmee op de schaal van zelfstandig thuis tot verpleeghuis,
relatief dicht bij het verpleeghuis staat. Het heeft mijn voorkeur om aan te sluiten
bij de terminologie van de geclusterde zorggeschikte woning, zoals die is geïntroduceerd
in het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen.
De leden van de D66-fractie signaleren de grote behoefte aan aantrekkelijke ontmoetingsruimtes
waar senioren elkaar kunnen treffen ter bevordering van de samenredzaamheid. Echter,
zij horen ook dat veel van dit soort waardevolle initiatieven stagneren vanwege uitdagingen
in de financiering en exploitatie.
Daarom vragen genoemde leden de Staatssecretaris om te onderzoeken en toe te lichten
welke verschillende financierings- en exploitatiemogelijkheden zij ziet voor dergelijke
initiatieven. Hierbij vragen zij specifiek aandacht voor een samenwerkingsmodel met
cruciale partners zoals gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars, en willen zij weten
welke concrete stappen de regering kan zetten om deze samenwerking te faciliteren
en de initiatieven vlot te trekken.
Ik ben aan het onderzoeken of ik de bevordering van gemeenschapsvorming kan laten
meelopen in het aanvullend HLO-akkoord.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de in het PwC-rapport becijferde uitkomsten,
waaronder de kostenstijging van 535,7 miljoen euro per jaar in 2040, de cumulatieve
onrendabele top van 846,7 miljoen euro, én de benodigde 6.345 extra voltijds zorgmedewerkers
in 2034.
Deze leden vragen de Staatssecretaris om een toelichting op de wijze waarop zij de
kosten en de benodigde capaciteit van dit geschetste scenario doelmatig en effectief
acht, gelet op de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de personeelstekorten
en de dubbele vergrijzing.
De berekening van de zorgkosten in het PWC-rapport gaat uit van de kosten indien aan
alle ouderen uit de doelgroep een zorgzwaartepakket 2 en 3 zou worden aangeboden.
Mijn verwachting is dat met een goede combinatie van de beschikbare welzijn-, ondersteunings-
en zorgactiviteiten (zoals wijkverpleging) in de behoefte van ouderen kan worden voorzien
en daarmee de door PwC berekende extra zorgkosten (en inzet van zorgprofessionals)
zich in veel mindere mate zullen voordoen.
Daarnaast houdt PwC rekening met een toename naar de vraag naar zorggeschikte geclusterde
woningen van ouderen. Dit wordt onderdeel van de woondealafspraken die door het Ministerie
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) met de provincies en de gemeenten
worden gemaakt. Onderzoek wijst uit dat de realisatie van deze woningen (via nieuwbouw
of transformatie) extra kosten met zich brengt.9 Met VRO breng ik momenteel in kaart welke financiële inzet vanuit het Rijk nodig
en mogelijk is om de realisatie van deze woningtypen financieel ook na 2030 haalbaar
te maken.
Ook vernemen de leden van de D66-fractie graag of de Staatssecretaris breder kijkt
naar alternatieve beleidsscenario's die een mogelijk positiever effect kunnen hebben
op zowel de financiële houdbaarheid als de personele inzetbaarheid.
Zoals hierboven aangegeven wordt reeds op een alternatieve wijze gekeken om de ouderen
met beginnend regieverlies passend te huisvesten. Doordat daarmee vooral een uitbreiding
van de bestaande woonvormen nodig is en daarbij inzet op gemeenschapsvorming, biedt
dit meer mogelijkheden dat bewoners veel meer zelf organiseren aan activiteiten waardoor
minder zorg en ondersteuning door formele zorg- en welzijnsverleners nodig is. Hiermee
is er ook een positiever effect op de financiële houdbaarheid en personele inzetbaarheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie
van de Staatssecretaris op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen.
Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
In het onderzoek van PwC wordt gewerkt met twee scenario’s. In het eerste met onzelfstandige
kamers en in het tweede met zelfstandige appartementen. Kan de Staatssecretaris toelichten
waarom in haar brief vooral wordt voortgeborduurd op het scenario met zelfstandige
appartementen? Betekent dit dat varianten met meer onzelfstandige, klassieke verzorgingshuisachtige
woonvormen voor haar al zijn afgevallen?
Ja dat klopt. De rapporten van de Raad van Ouderen en de peiling van ANBO-PCOB gaven
duidelijk de voorkeur aan van zelfstandige woningen. Hiermee kan een veel grotere
groep mensen worden verleid om tijdig te verhuizen naar een geclusterde woonvorm.
In de huidige woonvormen die nu gebouwd worden, wordt ook uitgegaan van zelfstandige
wonen in een geclusterde woonvorm. Ik ga daarom uit van een grotere groep die wil
verhuizen.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de zorginzet in de nieuwe woonvorm hoger
is dan in de huidige thuissituatie, omdat de huidige zorg voor deze groep ouderen
vaak ontoereikend is. De Staatssecretaris geeft tegelijk aan dat volgens haar niet
dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn als vroeger in het verzorgingshuis.
Genoemde leden zouden dit graag nader toegelicht willen zien. Kan de staatsecretaris
dit nog duidelijker specificeren? De Staatssecretaris schrijft dat zij de zorg- en
ondersteuning in een modern verzorgingshuis wil laten aansluiten bij de ingezette
lijn, om meer uit te gaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen en van reablement. Kan de Staatssecretaris enkele voorbeelden noemen van initiatieven waar dit momenteel
optimaal functioneert? Wat betekent «meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving
nog zelf kunnen» concreet voor de feitelijke zorginzet per dag en per etmaal voor
deze specifieke, kwetsbare groep?
De berekening in het PWC-rapport gaat uit van de kosten indien aan alle ouderen uit
de doelgroep een zorgzwaartepakket 2 en 3 zou worden aangeboden. Ik vind het belangrijk
dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat
ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Dit sluit ook aan bij de afspraken over reablement
zoals opgenomen in het HLO. Hiermee ga ik ook op zoek naar een invulling van de zorg
en ondersteuning die relatief minder arbeidskrachten vraagt. Of een invulling die
minder uitgaat van de inzet van verzorgenden, waar juist het grootste tekort op de
arbeidsmarkt is, en meer van opbouw- op welzijnswerkers. Een goed voorbeeld in deze
is Zorgorganisatie de Zorgboog in Brabant die door een combinatie van zorg- en welzijnsteams
de zorgvraag van ouderen sterk heeft beperkt.
Daarnaast zijn er goede voorbeelden te vinden in het door ZonMw uitgevoerde programma
over reablement. Als onderdeel van dit programma, is er door de Universiteit Maastricht
en zorgorganisaties die bezig zijn met toepassing van reablement een beleidsbrief
opgesteld.10 Hierin worden de volgende resultaten uitgelicht:
• In de regio West- en Midden-Brabant hebben ruim 1000 cliënten deelgenomen aan het
Langer Actief Thuis programma, waarvan ruim de helft na afronding van het programma
weer zelfstandig was en bijna een kwart van de cliënten minder zorg nodig had.
• In pilotstudies bij Mijzo, Cicero en Samen zijn significante en klinisch relevante
verbeteringen zichtbaar met betrekking tot de doelen die door cliënten gesteld zijn.
• Uit een gerandomiseerde studie blijkt dat zorgprofessionals die getraind zijn in het
gedachtegoed van reablement hun cliënten meer stimuleren om actief te participeren
in dagelijkse activiteiten dan niet getrainde zorgprofessionals, met blijvende effecten
na 3 maanden.
• Verpleeghuisbewoners die op een afdeling woonden waar het ZELF-programma geïmplementeerd
werd, maakten gedurende een periode van 6 maanden € 584 minder kosten dan verpleeghuisbewoners
in de controlegroep; er is een hoge kans op kosteneffectiviteit.
• Gemeente Kerkrade, MeanderGroep en drie andere aanbieders Hulp bij het Huishouden
toonden aan dat reablement bij 393 cliënten leidde tot 17% minder huishoudelijke ondersteuning
én hogere klanttevredenheid.
• Cliënten die meedoen aan een reablement programma ervaren meer zelfstandigheid, geluk
en regie. Daarnaast wordt de mantelzorger deels ontlast en ervaart de professional
meer werkplezier.
De Staatssecretaris geeft aan te zoeken naar een invulling die relatief minder arbeidskrachten
vraagt en minder inzet van verzorgenden, door meer in te zetten op welzijnswerkers.
Kan de Staatssecretaris concreet toelichten welke taken volgens haar door welke type
professional kunnen worden overgenomen, en waar volgens haar de grens ligt omwille
van kwaliteit en veiligheid van zorg? Hoe worden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) en andere toezichthouders hierbij betrokken? Hoe wordt voorkomen dat complexe
zorgvragen van ouderen terechtkomen bij medewerkers zonder de vereiste verpleegkundige
of verzorgende kwalificaties? Welke minimumvereisten stelt de Staatssecretaris aan
de aanwezigheid van welzijnswerkers? En aan gediplomeerde verzorgenden en verpleegkundigen?
Hoe verhouden zich de aantallen tussen deze functieprofielen ten opzichte van verschillende
hoeveelheden ouderen?
In Nederland werken ruim 1,6 miljoen mensen in zorg en welzijn. De uitoefening van
de individuele gezondheidszorg is in principe vrij voor iedereen. Het is belangrijk
om alleen die beroepen wettelijk te reguleren waarvoor dat vanuit patiëntveiligheid
nodig is.
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het
zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen,
het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten
of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een
woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd
en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan.
Als het gaat om wijkverpleging is dat niet anders dan de zorg die nu bij mensen thuis
wordt geleverd. De kwaliteit zal eerder omhoog gaan als gewerkt kan worden met een
preferente zorgaanbieder en er als gevolg daarvan een zorgteam in een woonvorm aanwezig
is. In dat geval zal zo nodig sneller kunnen worden gereageerd in acute situaties.
Als het gaat om de gemeenschapsvorming komen meerdere beroepen in aanmerking. Dit
kan iemand uit het welzijn zijn, maar ook iemand die juist uit de horeca komt of ervaring
heeft met het organiseren van evenementen. Als gewenst is om een verbinding met de
buurt te maken, kan een opbouwwerker daarbij aan de orde zijn.
Voor de volledigheid geef ik hierbij ook aan hoe de veiligheid bij de zorgverlening
verder is geborgd.
Wie welke taken uitvoert en om te garanderen dat de kwaliteit en patiëntveiligheid
van zorg is geborgd is enerzijds op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz) aan de zorgaanbieder en anderzijds in het kader van de Wet op de Beroepen
in de individuele gezondheidszorg (BIG) aan de individuele BIG geregistreerde zorgmedewerker.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet als toezichthouder toe op de kwaliteit
en veiligheid van de zorg en jeugdhulp.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders
te allen tijde eindverantwoordelijk voor het leveren van goede zorg. Zorgaanbieders
dragen de verantwoordelijkheid om te controleren of de zorgverlener geschikt is om
de zorg te verlenen en zich ervan te vergewissen dat zij over de juiste kwalificaties
beschikken. Dit betekent dat iemand op grond van de Wkkgz bepaalde zorgtaken mag uitvoeren
als die persoon de nodige kennis en vaardigheden bezit, in staat is deze handelingen
veilig en verantwoord uit te voeren en het (arbeids)verleden niet in de weg staat
aan het verlenen van die zorg.
De Wet BIG heeft tot doel om de kwaliteit van zorgverleners te bevorderen en de patiëntveiligheid
te bewaken. Rond 385.000 zorgmedewerkers werken in een gereguleerd BIG beroep en zijn
ingeschreven in het BIG-register. Omdat de uitoefening van de individuele gezondheidszorg
in principe vrij is voor iedereen, hoeven niet alle beroepen en handelingen in de
zorg wettelijk te worden gereguleerd. Zoals in de Kamerbrieven van 26 juni 2023 en
12 november 202411 aangegeven biedt de Wet BIG nu al veel flexibiliteit voor de arbeidsmarkt en ruimte
om voorbehouden handelingen te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgverleners.12
Voorbehouden handelingen zijn handelingen die een aanmerkelijk risico voor de patiënt kunnen opleveren als
zij door ondeskundigen worden uitgevoerd. In de Wet BIG zijn veertien voorbehouden
handelingen opgenomen. Deze handelingen mogen niet zelfstandig door een niet BIG-geregistreerde
zorgverlener worden uitgevoerd.
Voorbehouden handelingen mogen uitgevoerd worden in opdracht van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde zorgverlener, de «opdrachtgever»,
zoals bijvoorbeeld een arts. De zorgverlener die de handeling in opdracht gaat uitvoeren,
de «opdrachtnemer», moet dan wel bekwaam zijn. Ook moet toezicht en tussenkomst van
een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde zorgverlener mogelijk zijn. Een zorgverlener
is bekwaam als deze op het moment van uitvoering over de benodigde kennis en ervaring
beschikt. Dit is de verantwoordelijkheid van de BIG-geregistreerde opdrachtgever en
diegene die de handeling uitvoert, de opdrachtnemer. Samen met diverse veldpartijen13 is voorlichting ontwikkeld over de mogelijkheden van deze opdrachtverlening via de
Wet BIG. Deze opdrachtregeling zorgt uiteindelijk voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt
en draagt het bij aan het beter benutten van ieders talent. De informatie is verspreid
onder de doelgroep en te vinden op de site van de Rijksoverheid.14
Daarnaast is door de organisaties betrokken bij de ondersteuning en zorg voor ouderen
het Generiek kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan» (hierna het Kompas) opgesteld.
Het Kompas gaat over kwaliteit van bestaan van mensen met een zorgvraag thuis, in
de wijk of in het verpleeghuis. Onder de reikwijdte van het Kompas valt zorg voor
een diverse groep mensen met verschillende zorgvragen met verschillende zorgzwaartes.
Het Kompas laat de bouwstenen zien die nodig zijn om de kwaliteit van bestaan te versterken.
Het is gericht op de mens met een zorgvraag en op de kracht die al dan niet in de
eigen en de lokale omgeving aanwezig is. Vervolgens worden handvatten gegeven hoe
professionals hierop kunnen aansluiten en wat zij hiervoor nodig hebben en hoe technologie
dit kan versterken.
Op welke manier investeert de Staatssecretaris in het behoud en aantrekken van verzorgenden?
Het aanpakken van de personeelstekorten in zorg en welzijn heeft grote prioriteit
voor dit kabinet. Samen met de Minister van VWS geef ik met de afspraken uit het AZWA
en HLO invulling aan het arbeidsmarktbeleid in de sector. Als het specifiek gaat om
behoud en aantrekken van personeel, dan ligt de primaire verantwoordelijkheid bij
werkgevers. Het kabinet ondersteunt hen hierbij, bijvoorbeeld door goede voorbeelden
en kennis over het terugdringen van verzuim en verloop te delen. De afspraken die
in het AZWA en HLO zijn gemaakt om de tekorten terug te dringen, dragen daarnaast
ook bij aan het behouden en aantrekken van specifieke beroepsgroepen zoals verzorgenden.
Zo zijn er afspraken gemaakt over het meer, beter en sneller opleiden en ontwikkelen
van professionals. De focus ligt hierbij op tekortberoepen, zoals de verzorgende IG,
en sectoren buiten het ziekenhuis. In 2027 is hiervoor € 83 miljoen beschikbaar, oplopend
tot € 129 miljoen voor 2028 en € 185 miljoen per 2029. Ook zullen bestaande loopbaaninstrumenten
die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet
worden met de introductie van het nieuwe loopbaanplatform Zowi en hebben partijen afgesproken om te blijven werken aan een lerende cultuur waarin
zeggenschap een centrale plek krijgt. Met deze investeringen zorgen we er samen met
partijen in het veld voor dat het aantrekkelijk is en blijft om te werken in zorg
en welzijn.
Verzorgenden en de verzorgenden I.G zijn essentieel om de zorg in de eerste lijn overeind
te houden. Juist hier is er nog steeds geen antwoord op de loonkloof, het bekende
«buikje». Is de Staatssecretaris nog bereid of bezig om hier een antwoord op te hebben?
Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek van SEO uit 2023 blijkt dat het gemiddelde uurloon van zorgmedewerkers
redelijk vergelijkbaar is met de vergelijkbare medewerkers in de marktsector. Wel
verschilt de marktconformiteit van het salaris tussen verschillende zorgbranches en
ook tussen verschillende groepen binnen dezelfde branche. Uit ditzelfde onderzoek
blijkt dat verzorgenden ongeveer hetzelfde uurloon verdienen als vergelijkbare personen
uit andere sectoren. Op basis van een vergelijking van cao-lonen door AWVN blijkt
dat de beloning in het midden van het loongebouw van een aantal cao’s binnen de zorg
achterblijft ten opzichte van de markt en de rest van de publieke sector. Voor verzorgenden
is dit verschil echter beperkt, waarbij het precieze verschil afhankelijk is van de
inschaling binnen de cao en de cao waaronder zij vallen. In zijn algemeenheid kan
ik bovendien aangeven dat het kabinet geen ruimte ziet om boven op de jaarlijkse overheidsbijdrage
in de arbeidskostenontwikkeling die dit kabinet al beschikbaar stelt, nog extra middelen
vrij te maken.
Tot slot wil ik erop wijzen dat er binnen de sector zorg en welzijn geen of slechts
in zeer beperkte mate een relatie lijkt te zijn tussen enerzijds de marktconformiteit
van het salaris binnen branches en anderzijds de personeelstekorten binnen die branches.
Zo hebben de umc’s – waar het salaris ruim boven marktconform ligt – in ongeveer dezelfde
mate te maken met personeelstekorten als de andere branches binnen zorg en welzijn.
Dit is aanleiding om te vermoeden dat het beschikbaar stellen van extra middelen voor
hogere lonen in de zorg geen (kosten-)effectieve maatregel is, als het gaat om het
oplossen van de arbeidsmarkttekorten binnen zorg en welzijn.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de extra zorg en ondersteuning leidt tot
een extra arbeidsvraag van enkele duizenden medewerkers, bovenop de al verwachte grote
tekorten in zorg en welzijn, en in het bijzonder de ouderenzorg. Genoemde leden willen
graag specifieker weten hoe PwC aan de getallen is gekomen voor wat betreft de impact
op het verwachtte arbeidsmarkttekort. Hoe komt men tot deze cijfers? Hoe kijkt de
Staatssecretaris aan tegen deze aanvullende arbeidsvraag, zoals geschetst in het onderzoek
van PwC?
PwC heeft gekeken naar de zorg- en ondersteuning die mensen kregen bij een zorgzwaartepakket
VV2 en VV3. Daarbij is dit vergeleken met de zorg die deze mensen nu in de thuissituatie
krijgen. Ook is gekeken naar de verminderde zorg in bijvoorbeeld het ziekenhuis. De
extra benodigde arbeidskrachten is een saldo van deze verschillende onderdelen.
Ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport ben ik van mening dat we niet dezelfde
pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die vroeger in het verzorgingshuis
hadden. Ik vind het belangrijk om de zorg- en ondersteuning in het eventuele moderne
verzorgingshuis te laten aansluiten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen,
dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat
ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Ook PwC geeft in de reflectie aan dat er
mogelijkheden zijn om de zorg en ondersteuning op een andere manier te verlenen. Daarbij
werd toen nog uitgegaan van woonvormen waar alleen mensen met een zorgvraag bij elkaar
wonen. Uitbreiding van de bestaande woonvormen en daarbij inzet op gemeenschapsvorming,
biedt daarbij meer mogelijkheden dat bewoners veel meer zelf organiseren aan activiteiten.
Hierdoor is minder zorg en ondersteuning door formele zorg- en welzijnsverleners nodig.
Welke concrete maatregelen neemt zij om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk niet
neerkomt op «lichtere» zorgpakketten omdat het benodigde personeel simpelweg niet
beschikbaar is? De Staatssecretaris benadrukt het belang van «levende gemeenschappen»,
gemeenschappelijke activiteiten en het betrekken van de buurt, onder meer in het kader
van zorgzame buurten. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat het concept «zorgzame buurt»
in de praktijk vooral leidt tot het verminderen van professionele zorg, terwijl de
zorgvraag van bewoners onverminderd hoog blijft?
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het
zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen,
het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten
of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een
woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd
en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan.
Hulp bij bijvoorbeeld het wassen en aankleden zal niet veranderen en zal hooguit makkelijker
te faciliteren zijn als er een preferent zorgteam aanwezig is in een woonvorm. Welzijn
zal wel meer door niet professionals worden georganiseerd. Dit zie ik niet als een
verschraling maar vooral als een kans. Het organiseren van een gezamenlijke maaltijd
door een kookclub of biljarten door een medebewoner zorgt ervoor dat de talenten van
mensen benut blijven, mensen actief blijven en kan juist voldoening bieden.
Op welke wijze wordt inzichtelijk gemaakt welk deel van de benodigde ondersteuning
daadwerkelijk door professionals wordt geleverd en welk deel door vrijwilligers en
mantelzorgers?
Ik vind het onwenselijk om dit in beeld te brengen. Dit zou een hele grote administratieve
last betekenen voor de zorgverleners.
In het onderzoek wordt ook gewezen op mogelijke besparingen, bijvoorbeeld door minder
ziekenhuiszorg en geriatrische revalidatiezorg. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten
in hoeverre zij bij de verdere uitwerking rekening houdt met deze potentiële besparingen?
Genoemde leden zien deze besparingen graag systematisch in kaart worden gebracht.
In figuur 27 op pagina 55 van het rapport heeft PwC de besparingen van een verzorgingshuis
op een systematische manier in kaart gebracht. Daarin wordt voor o.a. voor de medisch
specialistische zorg, de ziekenhuiszorg, geriatrische revalidatiezorg, eerstelijnsverblijf
aangegeven dat er een besparing is als mensen in een verzorgingshuis zitten.
Uitgaande van het scenario met zelfstandige appartementen, blijkt er behoefte aan
circa 20.000 extra zorggeschikte woningen tot en met 2030, die binnen de bestaande
opgave van 290.000 ouderenwoningen worden ingepast. Hoe wordt geborgd dat juist de
meest kwetsbare ouderen daadwerkelijk als eerste profiteren van deze nieuwe zorggeschikte
woningen? Hoe verhoudt de beoogde verschuiving in de bouwopgave zich tot de signalen
dat de bestaande ouderenhuisvestingsopgave al moeilijk haalbaar is?
De woningtypen wijken qua bouweisen niet af van de zelfstandige geclusterde zorggeschikte
woningen die reeds in de bouwprogrammering zitten. Hierdoor is er geen sprake van
extra eisen ten opzichte van de huidige woningtypen voor ouderen. Gezien de doorlooptijd
van bouwprojecten, zou deze extra opgave aan geclusterde zorggeschikte woningen verwerkt
moeten worden in de bouwopgave vanaf 2030. Hiermee voorkomen we ook dat de huidige
programmering van deze woningtypen (die loopt tot en met 2030) extra vertraging oploopt
doordat deze extra kwantitatieve opgave erin verwerkt zou moeten worden. U stelt terecht
dat ook het halen van de huidige opgave tot en met 2030 uitdagend is. Om die reden
kijk ik samen met de Minister van VRO ook wat er in de bestaande bouw en in de bestaande
wooncomplexen voor ouderen mogelijk is om de zorg en ondersteuning toe te voegen die
nodig is voor de groep die het onderzoek van PwC geïdentificeerd heeft. Gemeenten,
zorgaanbieders en corporaties hebben de benodigde instrumenten om deze woningen toe
te wijzen aan personen die dat nodig hebben en kunnen zo nodig afspraken maken over
de toewijzing van deze specifieke groep, al dan niet in afstemming met zorgaanbieders.
Corporaties moeten zich houden aan wet- en regelgeving bij het toewijzen van de woning,
wat ervoor zorgt dat huishoudens met een laag inkomen in aanmerking komen voor een
sociale huurwoning en de huurprijs in verhouding staat tot de hoogte van het inkomen.
Om de woningbouw te versnellen is het kabinet de Taskforce Versnellen Woningbouw gestart.
Verwacht de Staatssecretaris dat het toevoegen van extra eisen (zorggeschikt, geclusterd,
ontmoetingsruimte) de realisatietermijn verder vertraagt? Zo ja, welke extra maatregelen
neemt zij om de realisatie toch vlot te trekken?
Afgelopen jaar heeft het Ministerie van VRO tezamen met de sector definities vastgesteld
voor de woonfuncties zorggeschikt en nultreden met daaraan gekoppelde bruikbaarheidseisen.
Deze functies worden vastgelegd in het Bbl en gelden voor nieuwbouw. Er ontstaat dan
meer duidelijkheid en uniformiteit voor de sector waardoor minder tijd wordt verloren
aan discussies tussen bouwers, gemeenten en de zorgsector over de te stellen eisen
aan nultredenwoningen, zorggeschikte – of geclusterde woningen. Daarnaast worden gemeenten
door het bepalen van eenduidige definities in staat gesteld hun opgave voor woningen
voor ouderen in de bestaande voorraad helder en concreet te maken en kunnen (industriële)
bouwers hun woonconcepten standaardiseren op landelijke bouweisen. Het toevoegen van
deze eisen leidt daarmee juist tot versnelling van de realisatie.
De onrendabele top voor de bouw van deze zorggeschikte woonvormen loopt in de scenario’s
op tot honderden miljoenen. Op welke wijze is de Staatssecretaris voornemens deze
onrendabele top (gedeeltelijk) te dekken? Worden zorgaanbieders en woningcorporaties
hiervoor structureel gecompenseerd, of verwacht de Staatssecretaris dat deze partijen
de extra risico’s grotendeels zelf dragen? Hoe wordt voorkomen dat de rekening uiteindelijk
bij de oudere bewoner wordt neergelegd in de vorm van hogere huren of bijkomende kosten?
De onrendabele top bij zorggeschikte woningen komt voort uit structurele meerkosten.
De meerkosten zijn dermate hoog dat ontwikkelende partijen deze niet voor eigen rekening
kunnen nemen om tot ontwikkeling te komen. In de vrije marktsegmenten kunnen ontwikkelende
partijen deze meerkosten redelijkerwijs doorberekenen in de huur. Voor de middenhuurwoningen
wordt een redelijke huurprijs geborgd door regulering via het Woningwaarderingsstelsel
(WWS), waarin een puntenopslag voor zorgwoningen zit. Het is niet of nauwelijks mogelijk
om meerkosten terug te verdienen in het sociale huursegment, mede door passend toewijzen.
Voor het dekken van de onrendabele top bij zorggeschikte woningen, ook voor de groep
alleenstaande ouderen met beginnend regieverlies, bestaat reeds een subsidieregeling:
de stimuleringsregeling zorggeschikte woningen (SZGW). Ook de Stimuleringsregeling
Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting kan daarbij worden benut. Bij de verdere
uitwerking van de plannen kijk ik ook wat mogelijk is en welk financieringsinstrument
het meest passend is.
In het onderzoek worden forse extra zorg- en ondersteuningskosten en een aanzienlijke
onrendabele top voor de bouw geraamd. Deelt de Staatssecretaris de onderliggende aannames
van het onderzoek volledig? Op welke punten wijkt zij af en wat betekent dat – volgens
haar eigen inschatting – voor de budgettaire impact?
De kosten voor de onrendabele top sluiten aan bij de kosten zoals door KPMG eerder
berekend.15 Ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport ben ik van mening dat we niet dezelfde
pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die vroeger in het verzorgingshuis
hadden. Ik vind het belangrijk om de zorg- en ondersteuning in het eventuele moderne
verzorgingshuis te laten aansluiten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen,
dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat
ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Ook PwC geeft in de reflectie aan dat er
mogelijkheden zijn om de zorg en ondersteuning op een andere manier te verlenen. Uitgaande
van een uitbreiding van de bestaande woonvormen en daarbij inzet op gemeenschapsvorming,
biedt daarbij meer mogelijkheden dat bewoners veel meer zelf organiseren aan activiteiten.
Hierdoor is minder zorg en ondersteuning door formele zorg- en welzijnsverleners nodig.
Kan zij uiteenzetten hoe de kosten zich verhouden tot de kosten van niets doen, bijvoorbeeld
meer crisissituaties, valincidenten, extra ziekenhuisopnames en zwaardere verpleeghuiszorg
op termijn?
In figuur 27 op pagina 55 van het rapport heeft PwC de besparingen van een verzorgingshuis
op een systematische manier in kaart gebracht. Daarin wordt voor o.a. voor de medisch
specialistische zorg, de ziekenhuiszorg, geriatrische revalidatiezorg, eerstelijnsverblijf
aangegeven dat er een besparing is als mensen in een verzorgingshuis zitten.
Hoe wordt voorkomen dat financiële en arbeidsmarkt-overwegingen zwaarder gaan wegen
dan de daadwerkelijke zorgbehoefte van kwetsbare ouderen?
Bij het stimuleren van woongemeenschappen wordt zowel bereikt dat ouderen fijn en
passend kunnen wonen komen als dat er op termijn besparingen voor de Rijksoverheid
kunnen ontstaan en er minder professionele zorg nodig is.
De Staatssecretaris erkent dat veel initiatieven worstelen met de exploitatie van
de ontmoetingsruimte en dat professionele ondersteuning nodig is om gemeenschapsvorming
op gang te brengen. Is de Staatssecretaris bereid hiervoor een structurele financieringslijn
te ontwikkelen, in plaats van tijdelijke of projectmatige subsidies? Hoe wordt voorkomen
dat ontmoetingsruimten na enkele jaren weer moeten sluiten door wegvallende financiering,
waardoor bewoners hun ontmoetingsplek en onderlinge samenhang verliezen?
Ik onderzoek of ik de bevordering van de gemeenschapsvorming mee kan nemen in het
nieuw af te sluiten Wlz-akkoord.
De Staatssecretaris verwijst naar middelen oplopend tot enkele honderden miljoenen
euro’s vanaf 2030 vanuit de aanvullende post voor kwaliteit van ouderenzorg. Hoe verhouden
deze middelen zich tot de geraamde extra zorgkosten en onrendabele toppen in de bouw
in 2040?
Bij een uitbreiding van de bestaande woonvormen en daarbij inzet op gemeenschapsvorming,
zijn er minder kosten aan de zorg- en welzijnspakketten dan in het geval van woonvormen
waarin alleen mensen met een zorgvraag bij elkaar wonen (waar in het PwC-rapport van
wordt uitgegaan).
Bij zorggeschikte woningen is sprake van structurele meerkosten conform het onderzoek
van KPMG en PwC, zoals rolstoelgeschikte woonplattegrond, ontmoetingsruimte en brandveiligheid.
Deze kosten komen bovenop andere onrendabele toppen die voortkomen uit het realiseren
van betaalbare woningen. Om deze meerkosten te dekken is een langjarige stimulans
nodig, waardoor de businesscase van deze woningen aantrekkelijk genoeg wordt gemaakt
voor ontwikkeling.
Zijn deze middelen uitsluitend bedoeld voor moderne verzorgingshuizen en zorgzame
gemeenschappen, of worden hier ook andere beleidsprioriteiten uit gefinancierd?
Met het coalitieakkoord zijn de middelen uit de enveloppe ouderenzorg geschrapt. Voor
gemeenschapsvorming ga ik onderzoeken of ik dit kan financieren in het kader van het
aanvullend HLO-akkoord. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde
zorggeschikte woningen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans
bij de Minister van VRO.
Kan de Staatssecretaris per jaar en per regeling inzichtelijk maken welke middelen
beschikbaar zijn, zodat te volgen is of dit voldoende is om de ambities waar te maken?
Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen is een bedrag van in totaal € 312
miljoen voor de periode 2023–2026 beschikbaar gesteld voor de realisatie van zorggeschikte
woningen met een sociale huurprijs. Daarnaast is samen met het Ministerie van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening sinds 2022 circa € 69 miljoen euro beschikbaar gesteld voor
de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting. Dit kabinet heeft
daarnaast voor de lopende bouwopgave op deze woningtypes (t/m 2030) aanvullende middelen
gereserveerd onder de Realisatiestimulans. De huidige middelen zijn voldoende om de
huidige bouwafspraken van zorggeschikte woningen te dekken.
Omdat de herintroductie van moderne verzorgingshuizen voorlopig nog niet gerealiseerd
is, willen genoemde leden ingaan op de situatie van vandaag de dag. Deze week was
wederom in het nieuws dat ouderen die kleiner willen wonen op verschillende problemen
stuiten16. Het gebrek aan geschikte seniorenwoningen bijvoorbeeld, maar ook de financiële en
fiscale nadelen waar ouderen mee te maken kunnen krijgen. Welk antwoord heeft de Staatssecretaris
op deze financiële en fiscale nadelen? Wordt hier actief aan gewerkt? Genoemde leden
ontvangen graag een overzicht van de inspanningen van de Staatssecretaris hieromtrent,
per financieel en fiscaal nadeel. Hoe wordt met het oog op deze problemen samengewerkt
met andere bewindspersonen en ministeries? Wat is er nog nodig om de financiële en
fiscale nadelen voor ouderen die kleiner willen wonen weg te nemen?
Middels het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt gewerkt aan betere informatievoorziening
voor ouderen over hun woon- en financieringsmogelijkheden en aan het verbeteren van
hypotheekfinancieringsmogelijkheden voor ouderen. In de periodieke bijeenkomsten die
in het kader van het convenant vanuit het Ministerie van VRO worden georganiseerd,
wordt de voortgang op de afspraken uit het convenant besproken.
Een van de financieringsmogelijkheden die is besproken bij het convenant is het aanbod
van losse overbruggingshypotheken (dus niet in combinatie met een vaste hypotheek).
Losse overbruggingshypotheken zijn voor veel kredietverstrekkers relatief duur om
aan te bieden, en zijn vaak alleen beschikbaar voor bestaande klanten of uitsluitend
in combinatie met een (kleine) reguliere hypotheek. Een deel van de ouderen dat een
losse overbruggingshypotheek nodig heeft, kan wel op andere manieren door kredietverstrekkers
worden geholpen. Omdat de verwachting is dat de groep ouderen die een losse overbruggingshypotheek
nodig heeft zal toenemen, wordt verkend of er meer en een beter passend aanbod kan
komen. Ook wordt er gekeken naar andere mogelijkheden, zoals het opzetten van een
fonds dat deze specifieke doelgroep kan bedienen. De uitkomsten van deze verkenning
worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer
gedeeld.
Ook kunnen er financiële gevolgen zijn voor AOW’ers wanneer zij gaan samenwonen. De
Minister van SZW heeft in een kamerbrief ter aanbieding van de maatschappelijke kosten-batenanalyse
AOW benoemd dat er aanknopingspunten zijn om de AOW te vereenvoudigen middels een
objectief partnerbegrip. Naar verwachting zorgt vereenvoudiging van de AOW ervoor
dat meer ouderen gaan samenwonen17. In de brief over de Taskforce Versnelling Woningbouw18 heeft het Kabinet aangegevende komende maanden te werken aan opties voor harmonisering
van het aantal leefvormvarianten in de AOW, inclusief (indien nodig) dekking.
Verder werd ruim een jaar geleden de motie-Thiadens/Eerdmans19 aangenomen, welke verzocht de regering uit te laten spreken dat intramuraal verblijf
niet hetzelfde is als thuis. Is de staatsecretaris het met genoemde leden eens dat
in de huidige situatie intramuraal verblijf niet verward mag worden met «thuis»? Genoemde
leden constateren namelijk dat private investeerders nog steeds miljarden verdienen
in de commerciële ouderenzorg, vanwege het feit dat woon-zorgcomplexen niet worden
gezien als zorg met verblijf (intramuraal), maar als «thuis» wonen waardoor deze investeerders
het winstverbod omzeilen. Is de staatsecretaris bereid om hier iets tegen te doen?
Of heeft zij dit al gedaan? Zo ja, wat precies? Zo nee, waarom niet?
De motie van de leden Thiadens en Eerdmans (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 61) verzoekt de regering uit te spreken dat intramuraal verblijf niet hetzelfde is als
thuis. In reactie daarop wil ik aangeven dat ook de regering vindt dat intramuraal
verblijf niet hetzelfde is als zorg thuis.
In de constateringen bij de motie wordt aangegeven dat winstuitkering bij zorg met
verblijf verboden is, maar dat het winstverbod wordt omzeild doordat woon-zorgcomplexen
op basis van het scheiden van wonen en zorg (waarbij mensen zelf hun woonlasten betalen)
worden gezien als zorg thuis, waarmee private investeerders grote winsten kunnen maken
in de ouderenzorg.
In reactie hierop wil ik aangeven dat het aan cliënten zelf is om de zorg en wonen
daar in te kopen waar zij een goede prijs/kwaliteit verhouding krijgen. Ik zie dat
als een extra keuzemogelijkheid naast het intramurale verblijf. In een eerdere beantwoording
van Kamervragen heb ik aangegeven voornemens te zijn om samen met de Minister van
VRO met de sector in gesprek te gaan over het markeren van een duidelijke scheidslijn
tussen welke zorgwoningen wel en niet onder de huurprijsregulering vallen.20
Hoe zal de situatie er bij een herintroductie van verzorgingshuizen gaan uitzien,
als we het hebben over het scheiden van wonen en zorg? Hoe wordt voorkomen dat de
herintroductie van verzorgingshuizen in welke vorm dan ook duurder uitpakt dan nodig,
omdat private investeerders er hoge winsten uit willen behalen?
Als het gaat om de zorg en ondersteuning voor de groep die PwC heeft geïdentificeerd,
dan gaat het om zorg waarbij op dit moment al sprake is van het scheiden van wonen
en zorg. Het gaat daarbij immers om ouderen die weliswaar kwetsbaar zijn maar geen
aanspraak maken op zorg vanuit de Wlz. Daarmee komen ze op dit moment niet in aanmerking
voor verblijf in een instelling.
Daarnaast willen genoemde leden van de Staatssecretaris weten hoe zij ervoor gaat
zorgen dat de enveloppe ouderenzorg (600 miljoen euro/jaar 2027–2029) daadwerkelijk
ingezet gaat worden voor betere ouderenzorg. Hoe waarborgt zij dat deze behouden blijft
voor onze ouderen en niet wordt leeggeroofd ten behoeve van bijvoorbeeld defensie?
Zoals toegelicht in de beantwoording van feitelijke vragen over de VWS-begroting 202621 was een deel van de oorspronkelijke enveloppe ad € 600 miljoen reeds ingezet voor
andere doelen. De overige middelen van de enveloppe ouderenzorg zijn met het coalitieakkoord
geschrapt. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde zorggeschikte
woningen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de Minister
van VRO. Ik onderzoek de mogelijkheden om de financiering van de gemeenschapsvorming
in woonvormen te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord.
De Staatssecretaris geeft aan begin 2026 terug te komen op de resultaten van de verkenning
met het veld. Is de Staatssecretaris bereid de Kamer uiterlijk een week voorafgaand
aan de plenaire behandeling van de begroting van VWS de beantwoording op dit schriftelijk
overleg te doen toekomen, inclusief een tussenstand van de resultaten van de verkenning
mochten deze nog niet volledig zijn? Kan de Staatssecretaris daarbij ook aangeven
welke keuzes nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen tijdig en voldoende
worden gerealiseerd, zodat ouderen die nu tussen wal en schip dreigen te raken daadwerkelijk
uitzicht krijgen op een veilige en fijne woonplek?
Op basis van het nieuwe coalitieakkoord waren de geplande middelen voor gemeenschapsvorming
niet meer beschikbaar. Ik ga onderzoeken of ik bevordering van gemeenschapsvorming
kan betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het onderzoek over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben nog de volgende
vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat PwC uitgaat van een groep van 56.385 ouderen
die potentieel naar een geclusterde woning zouden verhuizen. Kan de Staatssecretaris
aangeven of zij de huidige woningvoorraad in staat acht om minstens een deel van deze
groep onderdak te geven. Mocht dit het geval zijn, blijft dan de noodzaak over om
extra geclusterde woonvormen bij te bouwen?
De groep van 56.385 mensen is de groep die mogelijk extra zorg en ondersteuning nodig
heeft. Het gaat om een deel van de ouderen die tot 2013 en 2014 in aanmerking kwamen
voor een indicatie VV2 of VV3 in de langdurige zorg; specifiek ouderen die een hoge
leeftijd hebben, alleen wonen, en daarnaast geen of een zwak sociaal netwerk, een
laag inkomen en laag opleidingsniveau hebben. PwC heeft berekend dat hiervan 20.237
mensen zouden willen verhuizen naar een zelfstandig appartement in een geclusterde
woonvorm.
In de huidige bouwopgave voor ouderen is in kwantitatieve zin rekening gehouden met
de groep die PwC het onderzoek identificeert. Het onderzoek geeft aanleiding om voor
deze personen ook zorggeschikte woningen te realiseren, vanwege de zorg- en ondersteuningsbehoefte.
Hier is in de bouwopgave geen rekening mee gehouden; het uitgangspunt onder de gebruikte
prognose was dat deze personen in een nultredenwoning of in een reguliere geclusterde
woonvorm zouden komen te wonen. Aangezien deze extra opgave aan zorggeschikte woningen
in de bouwopgave vanaf 2030 wordt verwerkt, kijk ik samen met de Minister van VRO
ook wat er in de bestaande bouw en in de bestaande wooncomplexen voor ouderen al mogelijk
is om de zorg en ondersteuning toe te voegen die nodig is voor de groep die het onderzoek
van PwC geïdentificeerd heeft. Gezien de toenemende vergrijzing en het toenemend aantal
oudere huishoudens tot 2070, verwachten we dat het nodig is om ook na 2030 extra zorggeschikte
woningen te bouwen. De Minister van VRO zal de bouwopgave voor ouderen meenemen in
de actualisatie van de woondealafspraken tot en met 2036 die in het najaar plaatsvindt
en begin 2027 tot geactualiseerde woondeals moet leiden.
De leden van de VVD-fractie lezen ook dat de Raad van Ouderen heeft geschat dat 200.000
woningen nodig zijn binnen geclusterde woonvormen, terwijl PwC zoals benoemd berekend
heeft dat een groep van 56.385 ouderen potentieel naar een geclusterde woning zou
verhuizen. Kan de Staatssecretaris aangeven waar dit verschil in zit? Welk cijfer
acht zij het meest nauwkeurig en waarom?
De Raad van Ouderen heeft een ruwe inschatting gemaakt van het aantal mensen dat wil
verhuizen naar een geclusterde woonvorm en ook niet echt gekeken naar de specifieke
doelgroep met beginnend regieverlies. PwC heeft op verschillende manieren bekeken
hoe grote de potentiële doelgroep is met beginnend regieverlies en daarnaast hoeveel
mensen daarvan zouden willen verhuizen naar een kamer of appartement in een verzorgingshuis.
Het cijfer van PwC acht ik het meest betrouwbaar en heb ik als uitgangspunt genomen
voor de potentiële bouwopgave.
De leden van de VVD-fractie noteren dat er 2.799 tot 6.345 extra zorgverleners nodig
zullen zijn om de woonvormen zoals genoemd in het PwC-rapport te bemensen. Kan de
Staatssecretaris aangeven of zij mitigerende maatregelen voor zich ziet, die ervoor
kunnen zorgen dat het personeelstekort minder snel stijgt? Vindt zij een maatregel
gerechtvaardigd, als deze een dergelijk aantal extra zorgverleners vereist, terwijl
het tekort in 2034 al geraamd wordt op 265.600? Waarom wel, of waarom niet?
Zoals ik in de inleiding bij de beantwoording van deze vragen heb ik aangegeven is
een uitbreiding van bestaande woonvormen en inzet op gemeenschapsvorming nodig. De
gemeenschapsvorming en een vast zorg- en welzijnsteam zorgen ervoor dat mensen minder
snel naar een verpleeghuis hoeven; dat minder zorg- en welzijn hoeft te worden geleverd
omdat bewoners dit veel meer zelf doen. Voor partners van bewoners met dementie is
dit een aantrekkelijke woonvorm om in te blijven wonen; na een opname in het ziekenhuis
kan iemand terug naar huis in plaats dat iemand naar een geriatrisch revalidatiecentrum
moet. Ook hoeft iemand minder snel naar het Eerstelijnsverblijf. Het verminderen van
eenzaamheid heeft ook een positief effect op de gezondheid. En er is minder formele
zorg nodig in de vorm van dagbesteding of begeleiding omdat ouderen zelf veel meer
organiseren.
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het
zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen,
het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten
of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een
woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd
en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan. Daarbij vind ik het belangrijk dat we
niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen
en hun omgeving nog zelf kunnen. In een woonvorm waar zorg voorop staat is de kans
groter dat veel vragen bij de zorgverleners terecht komen die ook door familie of
buren kunnen worden beantwoord. Ten slotte geldt dat er veel minder reisbewegingen
voor de thuiszorg zijn in een geclusterde woonvorm ten opzichte van de situatie dat
mensen verspreid over de wijk wonen.
De leden van de VVD-fractie lezen in het rapport van PwC dat onder ouderen het gevoel
heerst dat er geen privacy is in verzorgingshuizen. Aan de andere kant worden het
sociale contact en de sociale omgeving genoemd als positieve aspecten van verzorgingshuizen.
De leden van de VVD-fractie vragen aan de Staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen
dat privacy gewaarborgd wordt, terwijl tegelijkertijd het sociale contact in verzorgingshuizen
kan blijven doorgaan.
Bij de uitwerking van de vraag naar woningen voor mensen met beginnend regieverlies,
ga ik uit van zelfstandige appartementen. In mijn visie staat in deze woonvormen het
wonen voorop en woont iedereen zelfstandig. Hierbij is privacy optimaal gewaarborgd
en is het zorgteam te gast. Tegelijkertijd is gemeenschapsvorming in deze woonvormen
van belang zodat er veel sociaal contact is.
Ook observeren de leden van de VVD-fractie in het PwC-rapport dat er meerkosten zijn
in het realiseren van de woonvorm (16.426,37 euro in scenario 1, 23.645,07 euro in
scenario 2). Dit rapport heeft in de berekeningen geen rekening gehouden met transformatie
van bestaande bouw en noemt dit een beleidskeuze. Kan de Staatssecretaris aangeven
aan de leden van de VVD-fractie, na samen met het veld te kijken naar de mogelijkheden
in de bestaande bouw, wat de totale meerkosten worden en hoeveel er met bestaande
bouw gewerkt kan worden?
Het benutten van de bestaande voorraad is één van de manieren waarop in de ouderenopgave
kan worden voorzien. Er zijn al mooie voorbeelden van geclusterde – en/of zorggeschikte
woningen in de bestaande voorraad, zoals zogenoemde Thuisplusflats of de LangLevenThuisflat.
Ik ga met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening met de veldpartijen
in overleg in hoeverre de bestaande voorraad benut kan worden voor de ouderenopgave.
Daarbij dient te worden bezien in welke mate aanpassingen aan de bestaande voorraad
nodig zijn en welke kosten hiermee gepaard gaan. De Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening zal uw Kamer verder informeren over benutten van de bestaande
voorraad op ouderenhuisvesting voor de zomer van 2026.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar
de herintroductie van verzorgingshuizen en de reactie van het kabinet hierop. Zij
hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verkenning mede is ingegeven
door de forse toename van het aantal ouderen met dementie de komende jaren. Zou nader
toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich heeft ontwikkeld
in de afgelopen tien jaar? Zou tevens nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal
ouderen met dementie zich naar verwachting zal ontwikkelen in de komende tien jaar?
Op welke wijze worden dementievriendelijke buurten gestimuleerd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de ontwikkeling van het aantal
mensen met dementie. Momenteel hebben ongeveer 310.000 mensen in Nederland dementie.
De verwachting is dat dit aantal door de vergrijzing toeneemt. In onderstaande tabel
staat de (verwachte) ontwikkeling tussen 2010 en 2040.22
2010
2020
2025
2030
2040
2050
220.000
260.000
310.000
390.000
500.000
610.000
Ook wordt gevraagd hoe dementievriendelijke buurten worden gestimuleerd. In het kader
van de Nationale Dementiestrategie werkt VWS met Alzheimer Nederland samen aan het
programma Samen dementievriendelijk, waarin beeldvorming centraal staat. Mensen worden
via online en lokale trainingen geleerd hoe zij met mensen met dementie kunnen omgaan,
waarbij verengingen en buurten actief worden betrokken. Er is extra aandacht voor
diverse doelgroepen en het verminderen van stigma via campagnes. Daarnaast wordt samen
met gemeenten ingezet op een buurtgerichte aanpak om wijken inclusiever en beter toegankelijk
te maken voor mensen met dementie. Onderdeel van dit programma is het stimuleren van
dementievriendelijke buurten door het, samen met gemeenten, betrekken van vrijwilligers
van buurthuizen, verenigingen en clubs. Zo worden deze vrijwilligers gestimuleerd
om samen met iemand met dementie te kijken wat er nodig is om zo lang mogelijk mee
te blijven doen. Daarnaast wordt via het ZonMw programma «Dagactiviteiten voor thuiswonende
mensen met dementie» ingezet op het blijven meedoen ook met dementie. Met subsidie
wordt gestimuleerd dat organisaties, bijvoorbeeld musea, bibliotheken en sportclubs,
hun reguliere activiteiten langer toegankelijk en aantrekkelijk houden voor thuiswonende
mensen met dementie.
Voorts onderzoek ik de mogelijkheden om de financiering van gemeenschapsvorming in
woonvormen te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord. Gemeenschapsvorming in woonvormen
zorgt op twee manieren ervoor dat buurten meer dementievriendelijk worden: deze woonvormen
met ook vitale bewoners zijn ook aantrekkelijker voor partners van mensen met dementie
en door de gemeenschap kunnen zij het ook langer vol houden. Een gemeenschapscoach
kan werken aan een inclusieve gemeenschap waarbij een deel van de activiteiten ook
interessant kunnen zijn voor mensen met dementie.
Hiermee geef ik invulling aan de motie Kröger over extra stappen in het stimuleren
van dementievriendelijke buurten.23
Genoemde leden lezen daarnaast dat er wordt geconstateerd dat een deel van de ouderen
behoefte heeft aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap. Zij herkennen
dit ook en ontvangen deze signalen ook vaak in hun gesprekken met ouderen en organisaties.
Welke rol voorziet de Staatssecretaris voor zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels
bij het voorzien in deze behoefte aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap?
Welke rol ziet zij voor zichzelf bij deze zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels?
Ik zet mij in om gemeenschapsvorming in de buurt en voorzorgcirkels te stimuleren
via het uitvoeren van de gemaakte afspraken in het AZWA over het versterken van de
basisinfrastructuur en het ontwikkelen en delen van kennis over burgerinitiatieven.
Hiervoor zijn middelen beschikbaar in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg.
Daarnaast zet ik me in om gemeenschapsvorming in woonvormen te stimuleren. Met de
gemeenschapsvorming in de woonvormen is er ook een mogelijkheid om daarbij verbinding
te zoeken met de buurt. De ontmoetingsruimte kan worden gebruikt voor bewoners in
de buurt. De kracht van bewoners in de buurt kan daarmee gebruikt worden. Het kennis
maken op deze manier van buurtbewoners met een woonvorm kan ook de stap van een eventuele
verhuizing verkleinen. Voorzorgcirkels kunnen ook goed onderdeel uit maken van de
gemeenschapsvorming.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het onderzoek naar de herintroductie
van verzorgingshuizen terug dat er geconstateerd wordt dat er wegens hervormingen
in de langdurige zorg mogelijk een gat zou zijn ontstaan in het woon- en zorgaanbod
voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aan de orde is. Om welke specifieke
hervormingen gaat dit? Welke politieke keuzes liggen eventueel ten grondslag aan deze
hervormingen?
Met de maatregelen voorafgaand aan de hervormingen van de langdurige zorg in 2015
werd het voor nieuwe cliënten niet meer mogelijk om met een Zorgzwaartepakket Verpleging
en Verzorging 2 en 3 ook verblijf vanuit de AWBZ (en later de Wlz) bekostigd te krijgen.
Deze keuze was mede ingegeven door de – al lange tijd gaande – daling in de vraag
naar verzorgingshuizen en de noodzaak om de financiële beheersbaarheid van de uitgaven
aan langdurige zorg te vergroten. De hervormingen waren er daarbij ook op gericht
om te faciliteren dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis konden blijven wonen.
De moeilijkere toegang tot verzorgingshuizen zorgde er mede voor dat de vraag naar
verzorgingshuizen versterkt afnam en er risico op leegstand was. Er verdwenen ca.
150–200 verzorgingshuizen.24 De dreiging van leegstand zorgde er tevens voor dat beperkt nieuwe woonvormen werden
gebouwd – woonvormen tussen zelfstandig wonen en het verpleeghuis – voor mensen die
anders naar het verzorgingshuis zouden zijn gegaan. Daarbij moet er ook rekening mee
worden gehouden dat het bouwen van nieuwe woonvormen 7 jaar kan duren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gekozen is voor een verkenning
naar de herintroductie van verzorgingshuizen om het gat in het woon- en zorgaanbod
voor ouderen te overbruggen. Kan nader toegelicht geworden, op basis van argumenten,
welke afwegingen zijn gemaakt voor de keuze voor verzorgingshuizen? Welke andere alternatieven
zijn er naast verzorgingshuizen? Op welke wijze zouden verzorgingshuizen eventueel
gecombineerd kunnen worden met initiatieven omtrent intergenerationeel wonen, voorzorgcirkels
en zorgzame gemeenschappen?
Mijn voorgangster heeft in de brief van 17 september25 geconstateerd dat er woonvormen nodig zijn voor mensen met beginnend regieverlies,
waar bewoners zeker kunnen zijn dat er zorg en ondersteuning direct in de nabijheid
is en waar er toezicht in de nacht is. Dit gaat vooral om het uitbreiden van de woonvormen
die reeds worden gebouwd. Deze woonvormen kunnen ook jongere bewoners hebben zoals
we bijvoorbeeld ook zien bij locaties van Humanitas. De woonvormen kunnen daarbij
een buurtfunctie hebben, waarbij bewoners van de woonvorm samen met bewoners in de
buurt onderdeel uitmaken van voorzorgcirkels.
Welke maandelijkse kosten, waaronder bijvoorbeeld huur, zouden bewoners van een verzorgingshuis
hebben? In hoeverre draagt de herintroductie van verzorgingshuis eventueel bij aan
de kloof tussen verschillende inkomensklassen?
Wanneer ouderen niet intramuraal wonen, zijn zij zelf verantwoordelijk voor hun woonlasten,
zoals huur, energie en woonverzekeringen. Afhankelijk van de zorgvorm kunnen maaltijden
wel of niet onderdeel zijn van het pakket. Voor zorg thuis geldt eveneens een inkomens-
en vermogensafhankelijke bijdrage. Zelfstandig wonende ouderen hebben daarnaast mogelijk
recht op huurtoeslag.
De bestaande woonvormen verandert niets aan de toegankelijkheid van zorg. De eigen
bijdrage blijven inkomensafhankelijk en daarmee blijft de toegang tot de zorg financieel
gewaarborgd. De verschillen tussen inkomensgroepen worden niet groter of kleiner;
de effecten hangen sterk af van individuele situaties.
Welke concrete maatregelen zouden er eventueel genomen kunnen worden om erop toe te
zien dat de mate van kwaliteit van wonen en zorg voor ouderen niet gaan afhangen van
hun inkomen?
Om te voorkomen dat de kwaliteit van wonen en zorg voor de lagere inkomensgroepen
onbetaalbaar wordt is de eigen bijdrage inkomensafhankelijk. Daardoor blijft de zorg
voor iedereen financieel toegankelijk. Daarnaast ondersteunt de huurtoeslag ouderen
die in een huurwoning wonen bij het betalen van hun woonlasten en biedt het Rijk financiële
ondersteuning om zorggeschikte woningen te realiseren die tegen een sociale huurprijs
worden aangeboden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Staatssecretaris voornemens is
om het komende halfjaar te onderzoeken hoe de zorg en ondersteuning voor de groeiende
groep thuiswonende ouderen eruit zou kunnen zien. Zou er een concreet tijdspad aangeleverd
kunnen worden, waarin ook inzichtelijk wordt gemaakt op welke momenten de Kamer geïnformeerd
wordt?
Op basis van het coalitieakkoord zijn geen middelen voorzien voor de gemeenschapsvorming
in woonvormen. Ik onderzoek nu of de gemeenschapsvorming kan worden betrokken bij
het aanvullend HLO-akkoord. Omdat de gesprekken hierover nog moeten starten kan ik
nog geen concreet tijdspad geven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende en
verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van Staatssecretaris
en het onderzoek door PwC naar de herintroductie van de verzorgingshuizen. Deze leden
hebben de brief van de staatsecretaris gelezen en delen het uitgangspunt dat woonvormen
tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis voor ouderen nodig zijn.
Het onderzoek van PwC laat zien dat herintroductie van verzorgingshuizen leidt tot
hogere zorguitgaven in de Wet langdurige zorg (Wlz), hogere woonlasten voor ouderen,
een verdere vergroting van het arbeidstekort en een aanzienlijke onrendabele top.
Dit staat haaks op de bevindingen van het rapport IBO Ouderenzorg «Niets doen is geen
optie», waarin juist wordt benadrukt dat betaalbaarheid en beschikbaarheid van personeel
onder druk staan. Hoe beziet de staatsecretaris deze twee rapporten? Waarom denkt
de Staatssecretaris dat de herintroductie van verzorgingshuizen, zoals omschreven in het rapport, een
toekomstbestendige route is? Denkt de staatsecretaris dat er voldoende personeel voor
beschikbaar is? Waarom wel of waarom niet?
Allereerst vind ik het belangrijk om te benadrukken dat er een groep mensen is die
nu thuis woont, maar graag zou willen verhuizen naar een meer passende woonomgeving.
Er hoeft geen nieuwe pijler aan woonvormen te komen; het gaat vooral om het uitbreiden
van de woonvormen die reeds worden gebouwd. In mijn gesprekken met de veldpartijen
wordt het beeld bevestigd dat met een goede combinatie van de beschikbare welzijn-,
ondersteunings- en zorgactiviteiten (zoals wijkverpleging) in de behoefte van ouderen
kan worden voorzien. Met deze focus ben ik ervan overtuigd dat dit beleid aansluit
bij het IBO rapport Ouderenzorg. De gemeenschapsvorming en een vast zorg- en welzijnsteam
zorgen er juist voor dat mensen minder snel naar een verpleeghuis hoeven; dat minder
zorg- en welzijn hoeft te worden geleverd omdat bewoners dit veel meer zelf doen.
Voor partners van bewoners met dementie is dit een aantrekkelijke woonvorm om in te
blijven wonen; na een opname in het ziekenhuis kan iemand terug naar huis in plaats
dat iemand naar een geriatrisch revalidatiecentrum moet. Ook hoeft iemand minder snel
naar het Eerstelijnsverblijf. Het verminderen van eenzaamheid heeft ook een positief
effect op de gezondheid. En in plaats dat dagbesteding door zorg- of welzijnsverleners
wordt georganiseerd, kunnen er activiteiten binnen de woongemeenschap worden georganiseerd
die beter aansluiten bij de wensen van mensen. Dit kunnen activiteiten zijn die onderdeel
zijn van het gewone leven in een woonvorm.
Wordt in het vervolgonderzoek expliciet de variant uitgewerkt waarin wonen en zorg
gescheiden zijn en waarin sociale binding, omzien naar elkaar en gemeenschappelijkheid
de basis vormen? Hoe denkt de staatsecretaris dat samenredzaamheid vorm moet krijgen?
De leden van de CDA-fractie zien nieuwe sociale woonvormen, waarin wonen en zorg gescheiden
zijn en ontmoeting en onderlinge hulp centraal staan. Dit is de sleutel voor de toekomst
van de ouderenzorg. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren?
Zoals ik in het vorige antwoord aangaf ben ik het met deze leden eens. Onderlinge
hulp is daarbij niet iets dat vanzelf gebeurt. Het iets beter kennen van elkaar zorgt
ervoor dat je ook iets voor elkaar binnen de woongemeenschap wil doen. Daarbij is
gemeenschapsvorming van belang maar ook de manier dat woonvormen zijn gebouwd. Toevallige
ontmoetingen zorgen er mede voor dat mensen elkaar vaker zien en beter leren kennen.
Veel van de randvoorwaarden voor passende extramurale woonzorgconcepten liggen niet
in de zorg, maar in het woondomein. Er wordt onvoldoende gebouwd dat geschikt is voor
ouderen. Denk in dit geval aan de onrendabele top bij de bouw, de financiering van
gemeenschappelijke ruimten en de regels rond huurtoeslag die bepalend zijn voor de
betaalbaarheid voor ouderen. Het is van belang dat de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (VRO) hierin nadrukkelijk eigenaarschap neemt. Het nationale
bouw- en woonprogramma biedt hiervoor een goede insteek, aangezien zorgwoningen daarin
al expliciet zijn opgenomen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de Minister en zijn
ministerie bij het vervolgonderzoek worden betrokken? Genoemde leden vinden dat de
slagingskans van zo zelfstandig mogelijk wonen en samen redzaam zijn ook afhankelijk
is van de locatie waar de ouderenwoningen staan. Is er een bushalte, zijn er winkels
in de buurt en is de huisarts om de hoek? Neemt de staatsecretaris dit punt in de
gesprekken met de VNG mee?
De Minister van VRO en ik werken nadrukkelijk samen aan de bouwopgave voor ouderen.
De Minister van VRO is ook vanaf het begin betrokken geweest bij de uitwerking van
het onderzoek naar verzorgingshuizen, om telkens de verbinding te kunnen leggen naar
de bouw- en woonopgave. Daarbij hebben we oog voor de bouweisen aan de woning (bijvoorbeeld
een grotere badkamer en geen drempels in huis), het woongebouw (bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte)
en de directe omgeving van het woongebouw (bijvoorbeeld de afstand tot voorzieningen).
Hierbij betrekken we uiteraard ook gemeenten, corporaties en ontwikkelaars. Bij het
maken van de woonzorgvisie vragen we gemeenten ook rekening te houden met de voorzieningen
in de buurt en of de omgeving uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het onderzoeksrapport
over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben hierover meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van de Staatssecretaris dat zij
van mening is dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte
van vroegere verzorgingshuizen. Daarbij noemt ze een aantal denkrichtingen, zoals
minder arbeidskrachten, minder verzorgenden en meer werk vanuit opbouw- of welzijnswerkers.
Kan de Staatssecretaris concreet maken hoe ze dit voor zich ziet – met name bezien
vanuit de zorgkwaliteit die dan geleverd wordt? En heeft ze een indicatie van wat
dit eventueel zou opleveren ten opzichte van de budgettaire impact uit bijlage 6 van
het PwC-rapport.
De zorg voor deze alleenstaande mensen met beginnend regieverlies bestaat voor een
belangrijk deel uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het
onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties,
het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding.
De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een woonvorm waarin een sterke
gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd die ook aan de vraag
van deze groep voldoet. Daarnaast doen medebewoners van woonvormen vaak kleine klusjes
voor elkaar en houden ze een oogje in het zeil.
Daarbij vind ik het belangrijk dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over
nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. In een woonvorm
waar zorg voorop staat is de kans groter dat veel hulpvragen die ook door familie
of buren kunnen worden beantwoord, bij de zorgverleners terecht komen. Ten slotte
geldt dat er veel minder reisbewegingen voor de thuiszorg zijn in een geclusterde
woonvorm ten opzichte van de situatie dat mensen verspreid over de wijk wonen.
Ik onderzoek of ik de bevordering van de gemeenschapsvorming mee kan nemen in het
nieuw af te sluiten Wlz-akkoord.
De berekeningen van PwC laten duidelijk zien dat meer ouderen naar een verzorgingshuis
zouden willen verhuizen onder scenario 2 (zelfstandig appartement) dan onder scenario
1 (onzelfstandige kamer). Steunt de Staatssecretaris de wens van de ouderen om zich
in te spannen voor het realiseren van scenario 2 ten opzichte van scenario 1?
Ja dat steun ik.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat de meerkosten een
onrendabele top hebben van respectievelijk 197,1 miljoen euro (scenario 1) en 846,7
miljoen euro (scenario 2). In hoeverre zijn er (zorg)partijen bereid om zich aan deze
onrendabele top te committeren? Wordt hier al onderzoek of een verkenning naar gedaan?
Daarnaast zijn de leden van de JA21-fractie benieuwd of er andere keuzemogelijkheden
bestaan om de om de kosten van de onrendabele top zoveel als mogelijk te mitigeren.
Als deze er zijn, zien zij graag een overzicht hiervan van deze mogelijkheden inclusief
de impact die het zou kunnen maken.
Er is reeds onderzoek gedaan naar de meerkosten van zorggeschikte woningen (KMPG 2022).26 Sindsdien zijn de vereisten voor deze woningen verder geconcretiseerd. De Minister
van VRO heeft een voorstel in behandeling om deze bouweisen te standaardiseren en
toe te voegen als aparte categorie binnen het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl).
Op basis van deze eisen worden meerkosten in de eerste helft van 2026 geactualiseerd
door een consortium van onderzoekers. Hierbij zal een overzicht gemaakt worden van
de mogelijkheden om complexen met zorggeschikte woningen uit te rusten in uiteenlopende
ontwerpvarianten en bijbehorende kosten. Om een deel van de kosten te mitigeren zet
het Ministerie van VRO ook in op het stimuleren van industriële bouw. Het Netwerk
Conceptueel Bouwen heeft voor deze woningen al productmarktcombinaties (PMC’s) ontworpen
waarmee nieuwe complexen kunnen worden ontworpen.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat in beide scenario’s
het totaal personeelstekort in de (ouderen)zorg toeneemt. In hoeverre zijn er mogelijkheden
om een deel hiervan op te vangen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie
in verzorgingshuizen en/of de inzet van Artificiële Intelligentie (AI)? En is er een
indicatie met hoeveel medewerkers het tekort hiermee ingekrompen zou kunnen worden?
In het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) is ingegaan op de mogelijkheden om personeelstekorten
terug te dringen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie (in verzorgingshuizen)
en de inzet van Artificiële Intelligentie (AI) In het HLO heb ik samen met partijen
de ambitie uitgesproken om met de afspraken uit het HLO het arbeidsmarkttekort te
verkleinen met 50 duizend personen. In het HLO zijn verschillende afspraken gemaakt
over onder andere de inzet van AI en het verminderen van administratieve lasten in
de ouderenzorg. Deze twee onderwerpen hebben grote potentie om de vraag naar personeel
in de ouderenzorg te verlagen. Hoeveel fte er precies bespaard kan worden met deze
maatregelen is onbekend.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat PwC stelt dat zij
niet kunnen kwantificeren wat de verhouding is tussen de mogelijkheden voor nieuwbouw
versus mogelijkheden binnen bestaand vastgoed. Is de Staatssecretaris van plan, of
is ze bezig, met het uitvoeren van een onderzoek wat de verhouding is qua potentie
voor verzorgingshuizen tussen nieuwbouw en bestaand vastgoed? En als ze dit doet,
zijn hier al cijfers van en zijn deze eventueel deelbaar?
De mogelijkheden voor het benutten van de bestaande voorraad zijn talrijk, ook voor
de ouderenopgave. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is
bezig om deze mogelijkheden te inventariseren, waarna onderzocht kan worden wat de
potentie is van deze mogelijkheden en mogelijke woningaantallen die dit kan opleveren.
De Minister van VRO heeft provincies gevraagd om deze potentie reeds te gaan inventariseren
met gemeenten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek
naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben de volgende vragen aan de
Staatssecretaris.
Worden de nieuwe verzorgingshuizen gerealiseerd als zelfstandige nieuwbouwprojecten,
of wordt ook gekeken naar integratie in bestaande beschutte woonomgevingen zoals geclusterde
ouderenwoningen, Thuisplusflats of herbestemde gebouwen? Hoe wordt hierin regionale
maatwerk en ruimtelijke spreiding geborgd? Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer
de eerste verzorgingshuizen nieuwe stijl daadwerkelijk worden gerealiseerd, en hoe
voorkomt de Staatssecretaris dat deze koerswijziging verzandt in verkenningen zonder
concrete oplevering?
Passende woonvormen voor de groep met beginnend regieverlies die PwC heeft geïdentificeerd
kunnen zowel bestaan uit nieuwbouw of in de bestaande bouw worden gerealiseerd. Het
Rijk vraagt gemeenten en provincies om de eigen opgave in de Woondeals en (zodra de
Wet versterking Regie Volkshuisvesting is aangenomen) in het Volkshuisvestingsprogramma
vast te leggen. Hiervoor is het relevant om ook de bestaande voorraad te benutten.
Met de gemeenschapsvorming in woonvormen wordt ook nadrukkelijk ingezet op het langer
zelfstandig wonen in de bestaande bouw. We zien in de bestaande bouw daarbij dat veel
flats met de toevoeging van vaste zorg- en welzijnsteams extra mogelijkheden bieden
om passend te kunnen wonen. Daarbij ga ik ervan uit dat de woonvormen die nu reeds
worden gebouwd ook passend zijn voor mensen met beginnend regieverlies.
In de begroting is een bedrag van 125 miljoen euro beschikbaar voor de ontwikkeling
van deze woonvorm, oplopend naar 470 miljoen euro vanaf 2031. Kan de Staatssecretaris
toelichten hoe deze middelen concreet worden ingezet? Wordt er onderscheid gemaakt
tussen bouw en ondersteuning van gemeenschapsvorming? Hoe wordt geborgd dat deze middelen
ook terechtkomen bij kleinschalige initiatieven in dorpen en regio’s, en niet uitsluitend
bij grote zorgorganisaties in stedelijke gebieden?
Op basis van het coalitieakkoord zijn deze middelen niet meer beschikbaar. Ik bekijk
desalniettemin hoe verder om te gaan met gemeenschapsvorming in woonvormen. Daarbij
is het de bedoeling dat investeringen niet voorbehouden zijn aan grote zorgorganisaties
in stedelijke gebieden of aan nieuwbouw, maar ook inzetbaar voor kleinschalige initiatieven
in dorpen en regio’s of bij bestaande bouw. Ik onderzoek de mogelijkheden om dit te
betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord. Om tegemoet te komen aan de onrendabele
top van geclusterde zorggeschikte woningen zijn reeds middelen gereserveerd onder
de realisatiestimulans bij de Minister van VRO.
Is bij de Staatssecretaris bekend hoeveel deze woonvormen kunnen bijdragen aan verlichting
van de werkdruk en verbetering van de continuïteit van de wijkzorg? En zo niet, is
de Staatssecretaris bereid dit te onderzoeken?
Dit is niet bekend. Het is op dit moment niet bekend in welke mate deze woonvormen
bijdragen aan verlichting van de werkdruk en verbetering van de continuïteit van de
wijkzorg. Indien toekomstige ontwikkelingen of signalen daar aanleiding toe geven,
zal worden bezien of nader onderzoek wenselijk is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op het
onderzoek van PwC naar de herintroductie van verzorgingstehuizen. Zij willen hierover
graag een aantal vragen stellen.
De leden van de SGP-fractie delen de zorg van de Staatssecretaris over het ervaren
«gat» tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis en vinden het goed dat
er naar een passende oplossing hiervoor wordt gezocht. Ze kijken uit naar de verdere
verkenning van de Staatssecretaris die begin 2026 met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de SGP-fractie zijn daarbij vooral benieuwd hoe de Staatssecretaris het
voor elkaar wil krijgen om nieuwe woonvormen te creëren zonder dat dit leidt tot een
onevenredige druk op de toch al overbelaste arbeidsmarkt in de zorg. Zij stelt in
haar brief dat zij, ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport, van mening
is dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die
vroeger in het verzorgingshuis hadden. Tegelijkertijd schept de «terugkeer» van het
verzorgingstehuis wel bepaalde verwachtingen als het gaat om de zorg en ondersteuning
die daar dan geboden zou worden. Er is ook onder opbouw- en welzijnswerkers een groot
personeelstekort. Kan de Staatssecretaris al meer duidelijkheid geven over hoe zij
het risico op het vergroten van het personeelstekort wil tegengaan? Wordt bijvoorbeeld
onderzocht hoe het creëren van nieuwe en geclusterde woonvormen wellicht ook bij kan dragen aan vermindering van het personeelstekort?
Bijvoorbeeld doordat verpleging en verzorging efficiënter georganiseerd kan worden.
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het
zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen,
het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten
of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een
woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd
en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan.
Ik ben van mening dat ook de bestaande woonvormen een passende woonvorm kunnen zijn
om deze veiligheid te kunnen bieden. Daarbij staat in deze woonvormen het wonen en
het creëren van een woongemeenschap meer voorop.
De gemeenschapsvorming en een vast zorg- en welzijnsteam zorgen ervoor dat mensen
minder snel naar een verpleeghuis hoeven; dat minder zorg- en welzijn hoeft te worden
geleverd omdat bewoners dit veel meer zelf doen. Voor partners van bewoners met dementie
is deze woonvorm, waar ook mensen zonder zorgvraag wonen, een aantrekkelijke woonvorm
om in te blijven wonen; na een opname in het ziekenhuis kan iemand terug naar huis
in plaats dat iemand naar een geriatrisch revalidatiecentrum moet. Ook hoeft iemand
minder snel naar het Eerstelijnsverblijf. Het verminderen van eenzaamheid heeft ook
een positief effect op de gezondheid. En er is minder formele zorg nodig in de vorm
van dagbesteding of begeleiding omdat ouderen zelf veel meer organiseren.
Daarbij vind ik het belangrijk dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over
nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. In een woonvorm
waar zorg voorop staat is de kans groter dat veel vragen bij de zorgverleners terecht
komen die ook door familie of buren kunnen worden beantwoord. Ten slotte geldt dat
er veel minder reisbewegingen voor de thuiszorg zijn in een geclusterde woonvorm ten
opzichte van de situatie dat mensen verspreid over de wijk wonen.
De leden van de SGP-fractie hebben behoefte aan meer feitelijke informatie over vraag
naar en aanbod van appartementen in verzorgingstehuizen en nieuwe (geclusterde) woonvormen.
Wat betekent de bouw van nieuwe woonvormen bijvoorbeeld voor de vraag naar verzorgingstehuizen?
In hoeverre verdwijnt de vraag naar het verzorgingstehuis 2.0 op het moment dat er
steeds meer nieuwe woonvormen komen? Wordt bijvoorbeeld leegstand in verpleeghuizen
en de opkomst van zorgzame gemeenschappen en nieuwe woonzorgvormen gemonitord? Zo
nee, welke stappen zet de Staatssecretaris om deze gegevens meerjarig wel te verzamelen,
zodat beleid en praktijk beter onderbouwd kunnen worden en vraag en aanbod zo goed
mogelijk op elkaar aansluiten?
Ik ben van mening dat ook bestaande woonvormen met een vast zorg- en welzijnsteam
en een ontmoetingsruimte, zoals Liv Inn en de Langer thuis flats, een passende woonvorm
kunnen zijn om deze veiligheid te kunnen bieden. Deze woonvormen zijn daarmee een
invulling van de vraag naar een passende woonvorm voor de groep die PwC heeft geïdentificeerd.
Als we kijken naar de bouweisen van de verzorgingshuizen en de nieuwe geclusterde
zorggeschikte woonvormen die nu al gerealiseerd worden, zien we geen verschil. Voor
de nieuwe bouwopgave vanaf 2030 zal ook worden gekeken naar de woonwensen van ouderen,
waaronder de groep die PwC identificeert. De Minister van VRO zal de bouwopgave voor
ouderen meenemen in de actualisatie van de woondealafspraken tot en met 2036 die dit
najaar plaatsvindt en begin 2027 afgerond moeten zijn. De Minister van VRO heeft een
systeem opgezet om nieuwe woonvormen te kunnen monitoren. De data hiervan worden ingevuld,
waarbij de volledigheid en kwaliteit van de data naar verwachting de komende jaren
verder zal toenemen.
Het RIVM is daarnaast bezig met een analyse van de oorzaken van deze leegstand in
verpleeghuizen. Vervolgens zal het RIVM ook aanbevelingen doen voor de toekomst van
de verpleeghuizen. Daarbij is het van groot belang of het hier structurele of incidentele
oorzaken betreft. Ook regionale verschillen spelen hierbij een grote rol.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op het onderzoek naar
de herintroductie van de verzorgingshuizen. Zij zijn groot voorstander van de terugkeer
van de verzorgingshuizen, maar hebben wel een aantal vragen over de precieze invulling
en de tijdslijn hiervan.
De leden van de SP-fractie lezen dat het verzorgingshuis voor veel mensen minder betaalbaar
zou zijn dan thuis blijven wonen. Dat vinden zij opmerkelijk, aangezien de zorg in
een verzorgingshuis door de kortere reistijd van zorgverleners efficiënter gegeven
kan worden en mensen kleiner gaan wonen. Waarom wordt er niet gekeken naar de optie
om mensen hun oude huurbedrag mee te laten nemen naar het verzorgingshuis?
Het onderzoek van PWC heeft de huidige huurprijzen vergeleken met de huurprijs wanneer
er sprake is van een onzelfstandige eenheid in een verzorgingshuis of een zelfstandige
eenheid in een verzorgingshuis. In beide scenario’s komt de huurprijs hoger uit dan
in de huidige situatie. De kale huurprijs zal stijgen, maar wanneer er sprake is van
een nieuwbouw kan het zijn dat de totale woonlasten van het huishouden afnemen door
een lagere gas- en energierekening.
Wanneer de bewoner een woning of kamer huurt van een corporatie en verhuist naar een
woning of kamer van deze zelfde verhuurder, kan de verhuurder (in dit geval de corporatie)
ervoor kiezen het huurbedrag gelijk te houden. Dit is op dit moment al mogelijk. Het
probleem is echter dat de kosten voor de bouw en het beheer van het verzorgingshuis
voor de corporatie hoger liggen en de corporatie daarom met een lagere huurprijs niet
uitkomt. Dit kan een reden zijn voor corporaties de huurprijs te verhogen wanneer
een huishouden verhuist naar een andere woning (in een verzorgingshuis). Daarnaast
is het behoud van de huurprijs ook complex in situaties waarbij er sprake is van intermediaire
verhuur. Wanneer er sprake is van intermediaire verhuur, waarbij de woningcorporatie
het gebouw (in casus verzorgingshuis) verhuurt aan een zorginstelling en de zorginstelling
en de bewoner de kamer of woning huurt van de zorginstelling, is het maken van afspraken
over het behoud van de huurprijs complex. De bewoner wisselt in dit geval van verhuurder,
waarbij doorgaans een nieuw huurcontract met een nieuwe, andere huurprijs en afspraken
wordt overeengekomen.
De leden van de SP-fractie lezen ook dat de Staatssecretaris uitgaat van hogere zorgkosten
als mensen naar een verzorgingshuis verhuizen, dan als zij thuis blijven wonen. Anderzijds
stelt PwC in hun rapport dat uit onderzoek blijkt «dat de huidige zorginzet voor deze
ouderen ontoereikend of niet passend is, en de doelgroep zelf geeft aan behoefte te
hebben aan meer zorg en ondersteuning». Is deze toename van zorguitgaven dan niet
sowieso noodzakelijk en dus niet een gevolg van de terugkeer van de verzorgingshuizen?
Sterker nog, zou deze zorg niet efficiënter en dus goedkoper kunnen worden geleverd
wanneer dit geclusterd plaatsvindt?
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het
zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen,
het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten
of een goede dagbesteding. Het is vaak niet goed mogelijk om aan deze zorg- en welzijnsvraag
te voldoen, omdat een zorgverlener niet altijd in de buurt is of kan zijn. Ik ben
het met de SP eens dat deze zorgvraag efficiënter kan worden ingevuld als deze geclusterd
plaats vindt. Zo zullen zorgverleners als er voldoende zorgvraag is in een geclusterde
setting minder reistijd maken. Daarbij is het van belang dat de zorgverleners niet
alle zorgvragen overnemen. In een woonvorm waarbij alleen mensen met een zorgvraag
wonen, en zorg meer voorop staat dan wonen, is dit risico groter.
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of er bij de verdere invulling van de
plannen voor de terugkeer van de verzorgingshuizen ook wordt gekeken naar het model
van het zorgbuurthuis. Worden deze los van dit traject gestimuleerd of wordt dit als
voorbeeld gebruikt voor de nieuwe verzorgingshuizen?
Het zorgbuurthuis is een van de voorbeelden waarnaar gekeken wordt als voorbeeld voor
de gemeenschapsvorming bij nieuwe woonvormen.
De leden van de SP-fractie vragen hoe het inmiddels staat met de uitvoering van de
aangenomen motie-Dijk27 over een plan om in de komende twee jaar in tenminste honderd buurten in leegstaande
panden in Nederland een zorgbuurthuis op te richten en met het amendement-Dobbe28 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen
en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen.
De motie Dijk acht ik niet goed uitvoerbaar. Ik kan niet sturen op een bepaalde woonvorm:
het is aan gemeenten en hun inwoners om te bepalen welke woonvorm er komt. Er is daarbij
eerder bekeken of leegkomende politiebureaus van de Rijksgebouwendienst bijvoorbeeld
konden worden gebruikt voor ouderenhuisvesting. Hier is uiteindelijk geen locatie
uitgekomen. Ik kan wel in algemene zin werken aan de voorwaarden dat er woonvormen
voor ouderen komen. Ik verwacht binnenkort te starten met het kwartier maken van een
nieuw ondersteuningsteam dat zich richt op het realiseren van nieuwe woonvormen. Bijgevoegd
krijgt u ook het onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd.
De leden van de SP-fractie lezen dat de personeelstekorten een probleem kunnen vormen
bij de terugkeer van de verzorgingshuizen. Hoe staat het nu met de wervingscampagne
voor de zorg waar de Kamer via de motie-Dobbe29 toe heeft opgeroepen?
Een landelijke wervingscampagne voor de sector zorg en welzijn past niet in de lijn
die kabinetsbreed is afgesproken, noch is deze wens financieel en uitvoeringstechnisch
haalbaar. Om tegemoet te komen aan de brede oproep van de Kamer om werk te maken van
de instroom en behoud van personeel in de sector, zijn onder het vorige kabinet gesprekken
gevoerd met sociale partners en AZWA-partijen. Er is brede steun vanuit het veld om
met middelen uit het AZWA meerjarig te investeren in het voortzetten en integreren
van bestaande loopbaaninstrumenten via het nieuwe loopbaanplatform Zowi en de bijbehorende communicatie-inzet die vanaf dit najaar van start gaat. Daarbij
is het doel van de motie overeind gebleven: meer mensen enthousiasmeren voor werken
in zorg en welzijn. Het middel om tot dit doel te komen is aangepast aan wat uitvoerbaar
is binnen de huidige financiële en organisatorische ruimte. Voor meer tekst en uitleg
bij deze keuze verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen op dit punt door
mijn voorganger30.
Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en is het gelet
daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het
Ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van
dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen
sectoren wordt onderstreept.31
De leden van de SP-fractie vragen ten slotte om een tijdspad voor de bouw van de nieuwe
verzorgingshuizen. Hoeveel hiervan zullen er in welk jaar worden gebouwd? Welke garanties
kan de Staatssecretaris geven dat deze bouwdoelstellingen wel worden gehaald?
Over het bouwtempo van de opgave voor zorggeschikte woningen (inclusief verzorgingshuizen)
zal de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) afspraken maken
met corporaties en medeoverheden binnen de woondeals.
Daarbij zijn tussendoelstellingen en het tijdspad onderwerp van gesprek. Het kabinet
kan geen garanties geven op realisatie van de bouwopgave gezien de vele factoren die
hier invloed op hebben, maar spant zich zoveel mogelijk in om de doelstellingen te
realiseren. Voor deze opgave is langjarige financiering van meerkosten essentieel
om tot tijdige investeringsbesluiten bij ontwikkelende partijen te komen. Daarnaast
voert de Minister van VRO regie op de bouwprogrammering voor deze bouwopgave en voert
daarom halfjaarlijks gesprekken met medeoverheden over de voortgang via de bestuurlijke
overleggen woondeals.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de Staatssecretaris voor de Kamerbrief. Zij
hebben nog wel enkele vragen hierbij.
De leden van de 50PLUS-fractie ondersteunen het doel van de Staatssecretaris om een
oplossing te vinden voor het gat tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis,
en een nieuwe vorm van verzorgingshuizen.
Zij delen de mening van de Staatssecretaris dat een gezellige woonomgeving eenzaamheid
voorkomt. Hoe denkt de Staatssecretaris dit te realiseren? Het is goed dat de Staatssecretaris
denkt over meer inzet van opbouwwerkers of welzijnswerkers, maar genoemde leden zien
bijvoorbeeld bij zorgbuurthuis ’t Hageltje in Oss dat de gemeente voor kosten gesteld
wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, omdat zorgverzekeraars
dit geen zorg vinden. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Zou een oplossing zoals in
Den Bosch, waar jongeren wonen tussen senioren met een verplichting om een aantal dagdelen bij te dragen aan
sociale activiteiten (dit wordt het butterfly effect genoemd), ook kunnen bijdragen?
Ik ben aan het onderzoeken of ik de financiering van gemeenschapsvorming in woonvormen
kan bewerkstelligen door dit te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord. Daarbij
gaat het bij uitstek om het organiseren van activiteiten, bij voorkeur door bewoners.
Maar ook het zorgbuurthuis en het Butterfly effect zijn goede voorbeelden. De buurtverbinders
die binnen het concept van het Butterfly effect bijdragen aan de sociale activiteiten,
is een mooi voorbeeld, maar is niet de enige oplossing en ook niet overal toepasbaar.
In Eindhoven en omstreken is de samenwerking tussen Wooninc en Vitalis een goed voorbeeld
hoe een en ander kan werken. Senioren huren zelfstandig een appartement en op het
moment dat de zorg zwaarder wordt, wordt de woning «omgeklapt» en wordt de zorgaanbieder
de huurder. Zo kan een senior blijven wonen in zijn eigen appartement, ook als hij
of zij onder de Wlz komt te vallen. Dit geeft veel senioren rust; ze hoeven niet te
verhuizen als hun gezondheid ze in de steek laat. Zou dit een goede bijdrage kunnen
leveren aan de uitdagingen waar wij voor staan en kan de Staatssecretaris kijken of
dit breder ingezet kan worden?
Er zijn verschillende contractvormen mogelijk wanneer er sprake is van een tussenpartij,
bijvoorbeeld in de situatie dat er een zorgaanbieder is betrokken. Daarbij kan er
sprake zijn van intermediaire verhuur, waarbij de verhuurder (corporatie) de woning
verhuurt aan de zorgaanbieder en deze de woning doorverhuurt aan de zorgafnemer/client.
Ook kan er sprake zijn van een drie partijen overeenkomst, waarbij er een huurcontract
is tussen huurder en verhuurder en tegelijkertijd een begeleidingsovereenkomst tussen
huurder en zorgaanbieder. In beide gevallen kunnen de (tijdelijke) contracten worden
omgeklapt van intermediaire verhuur in een eigen huurcontract of van een overeenkomst
voor bepaalde tijd bij goed verhuurderschap en de begeleiding het toelaat in een regulier
huurcontract voor onbepaalde tijd.32 Beide contractvormen kunnen gebruikt worden, zolang er duidelijke afspraken worden
gemaakt tussen de verhuurder, huurder en betrokken zorgpartij.
Herkent de Staatssecretaris de wens van senioren om in hun vertrouwde omgeving te
blijven en het sociale netwerk en omgeving waar zij al jaren wonen te behouden? Zeker
in kleinere gemeenschappen, wijken en dorpen zijn flats geen oplossing, een kleinschalige
zorgvoorziening met zelfstandige appartementen zoals buurtwonen of een zorgbuurthuis
is daar naar mening van deze leden meer passend. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
Deze wens herken ik. Het is aan de gemeente en haar inwoners om te bezien wat de best
passende woonvorm is. In een kleinere gemeente kan dat goed bestaan uit een woonvorm
met minder bewoners.
Zou een buurt niet meer gestimuleerd zijn om betrokken te zijn als zij dit als zeer
geschikte toekomstige oplossing voor zichzelf zien?
Een woonvorm die openstaat voor de buurt en waar mensen al vaker komen zal de drempel
voor een verhuizing naar mijn mening zeker kunnen verlagen. Daarbij zullen ook mensen
in de buurt mogelijk kunnen worden verleid om activiteiten te organiseren. Het is
aan de bewoners in een woonvorm zelf in hoeverre ze de ontmoetingsruimte open willen
stellen voor de buurt.
Is een kleinschalige zorgvoorziening zoals hierboven genoemd niet juist een goede
aansluiting bij de pilots van de buurt als ecosysteem?
Dat kan een kleinschalige zorgvoorziening zijn, maar ook een grotere zorgvoorziening.
Het gaat vooral om de bereidheid in een woonvorm om de buurt naar binnen te halen.
Zodat mensen in de buurt gebruik kunnen maken van de voorzieningen in de woonvorm.
Dat levert ook wel extra uitvoeringsvragen op, omdat mensen minder snel bereid zullen
zijn voor bijvoorbeeld de ontmoetingsruimte een bijdrage in de servicekosten te betalen
als ook de buurt er gebruik van kan maken.
De Staatssecretaris stelt op pagina 3 van de Kamerbrief: «Samen met de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik met het veld de mogelijkheid om
de bouw van meer zorggeschikte woningen binnen de woningbouwopgave te stimuleren en
te versnellen.» Zou de Staatssecretaris dit nader willen toelichten? Wat is bijvoorbeeld
de insteek van VWS qua tijdsplanning? En wat is de insteek qua hoeveelheid extra zorggeschikte
woningen?
Ondanks dat er veel mooie woonvormen voor ouderen gerealiseerd worden, zien de Minister
van VRO en ik dat de bouw van de afgesproken 40.000 zorggeschikte en 80.000 geclusterde
woningen voor ouderen een versnelling en schaalvergroting nodig heeft. Daarom zijn
hierover tijdens de Woontop 2024 afspraken gemaakt. Het onderzoek van PwC laat zien
dat er een extra groep van circa 20.000 personen is die tot 2030 behoefte heeft aan
een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm. Gezien de doorlooptijd van bouwprojecten,
zou deze extra opgave aan zorggeschikte woningen pas vanaf 2030 kunnen worden verwerkt
in de bouwopgave. De Minister van VRO zal de bouwopgave voor ouderen meenemen in de
actualisatie van de woondeals tot en met 2036.
De leden van de 50PLUS-fractie zien goede ervaringen met buurtondersteuners en voorzorgcirkels
als eerste start om de buurt meer te verbinden. Zou de Staatssecretaris dit ook kunnen
betrekken bij haar uitwerking?
Vanuit de woonvorm kan er ook voor gekozen worden om een verbinding te maken met de
buurt. Daarbij kan er ook gekozen worden om daarbij een voorzorgcirkel op te zetten.
Er is voor gekozen om dit niet mee te nemen in de uitwerking, om geen overlap met
de uitwerking van het AZWA te krijgen.
Genoemde leden zijn zeer enthousiast over het zorgbuurthuis en het reeds genoemde
Buurtwonen. Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken of en hoe deze financieel haalbaar
te maken zijn voor gemeenten? Als er een duidelijke financiële paragraaf is en duidelijkheid
waar vanuit de financiële bijdragen komen (Wmo, gemeente, welk deel zorgkantoor of
zorgverzekeraar), helpt dit om meer kleinschalige zorgvoorzieningen gerealiseerd te
krijgen. Wat kan de Staatssecretaris hierin betekenen?
De haalbaarheid van een concept is van veel factoren afhankelijk. Zo zal het afhangen
van de locatie, het aantal bewoners, de zorgvraag van de bewoners, de huur die kan
worden gevraagd, de eisen die aan de woningen worden gesteld etc. Het is aan de bouwers
zelf om hiervoor de business case te maken. Wel zijn er verschillende stimuleringsregelingen
om tegemoet te komen aan de onrendabele top van deze woningtypen in het sociale segment
(stimuleringsregeling zorggeschikte woningen) en de kosten voor de ontmoetingsruimte
(stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting).
Senioren Netwerk Nederland houdt bijeenkomsten onder de naam «Senioren zelf aan zet,
Praat vandaag over morgen». Inmiddels hebben zij een schat aan kennis en ervaring
opgedaan, vanuit de ruim 17.000 senioren die deze bijeenkomsten bijgewoond hebben.
Van deze bijeenkomsten ging er één specifiek over woonwensen en woonopties. Is de
Staatssecretaris bereid met het genoemde Netwerk over de opgedane ervaringen en resultaten
van deze bijeenkomsten in gesprek te gaan en dit te betrekken bij haar onderzoek?
Ja hiertoe ben ik bereid. Ik ben met het Senioren Netwerk Nederland in gesprek over
hun kennis en ervaring op dit gebied en heb het Senioren Netwerk ook financieel ondersteund
om de genoemde gesprekken te kunnen organiseren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier