Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen die het lid Goudzwaard over het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt
Vragen van het lid Goudzwaard (JA21) aan de Staatssecretaris van Financiën over het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt (ingezonden 22 april 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 1 juni 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1980.
Vraag 1
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse
btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
Antwoord 1
De basis voor deze raming zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen
van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is
gekeken naar de bestedingen aan sierteelt, waarvan een uitsplitsing beschikbaar is.
De meest recente cijfers zijn van 2024 en er is aangenomen dat de btw op sierteeltproducten
meegroeit met de algehele geraamde btw-opbrengsten. Conform de ramingsafspraken met
het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete
gedragseffecten meegenomen in de raming.1 De achterliggende gedachte hierbij is dat indien consumenten uitwijken naar substituten
binnen consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo
geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Het ramingsmemo wordt
momenteel voorgelegd aan het CPB, welke de ramingen valideert.
Vraag 2
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten
in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Antwoord 2
Ja. Over dit rapport is reeds op ambtelijk niveau gesproken met de WUR.
Vraag 3 en 4
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen
euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen,
waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid,
volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Antwoord 3 en 4
Er zijn met name twee redenen dat de raming van de maatregel in de Voorjaarsnota (€ 328 miljoen)
afwijkt van de geraamde netto btw-opbrengst uit het WUR-rapport (€ 159 miljoen). Ten
eerste worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in
de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming terwijl
bij de inschatting van de WUR raming het gedragseffect van consumenten wel is meegenomen.
Dat verklaart ongeveer twee derde van het verschil tussen de ramingen. De achterliggende
gedachte om geen gedragseffect mee te nemen, is dat indien consumenten uitwijken naar
substituten in de vorm van andere consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast
zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht.
Ten tweede maken bredere economische effecten, zoals mogelijk verlies van banen, geen
onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel terwijl
deze in het WUR-rapport wel worden meegenomen. Dit verklaart ongeveer een derde van
het verschil en uit zich bijvoorbeeld in de effecten op sociale zekerheid en andere
belastinginkomsten. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker
en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven
(en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd.
Tot slot vinden tegelijkertijd allerlei andere (economische) ontwikkelingen plaats
die de belastingontvangsten beïnvloeden, zoals de effecten van hogere inflatie op
consumptie. Al deze bredere economische effecten worden meegenomen in de doorrekening
door het CPB van de macro-economische ontwikkelingen, waarbij het CPB kijkt naar de
effecten van beleid op de totale prijzen, consumptie en inkomens. Op deze CPB doorrekening
worden de ramingen van de belastingontvangsten (waaronder die van de btw) zoals terug
te vinden in de begrotingsstukken weer gebaseerd. Zo maken deze effecten uiteindelijk
wel degelijk onderdeel uit van de inschattingen van het EMU-saldo.
Vraag 5
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar
te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet
zich tot deze voormalige doelstelling?
Antwoord 5
Uit de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic (2023) volgt dat het verlaagde
btw-tarief op sierteeltproducten doeltreffend is op de hierboven genoemde beleidsdoelen,
maar dat dit een ondoelmatig instrument is. Zo komt het fiscale voordeel niet specifiek
terecht bij lagere inkomensgroepen en is het bestedingsaandeel aan sierteeltproducten
per inkomensgroep vergelijkbaar. Hierdoor profiteren hogere inkomens in absolute zin
het meest van dit verlaagde btw-tarief. Ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid
geldt dat de kosten volgens de onderzoekers € 70.000 tot € 100.000 per voltijdsbaan
bedragen, méér dan het inkomen dat doorgaans aan deze baan gekoppeld is.
Daarnaast geven onderzoekers aan dat onduidelijk is waarom doelen ten aanzien van
omzet en werkgelegenheid specifiek fiscaal voor deze sector moeten worden nagestreefd.
Vraag 6
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor
de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Antwoord 6
Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar benoemd effect bij een grotere vraaguitval.
Bij btw-tariefswijzigingen worden zoals toegelicht hierboven in de raming geen gedragseffecten
meegenomen voor het bepalen van de (directe) opbrengst van een maatregel. Deze maatregel
is wel meegenomen in de analyse van het coalitieakkoord door het CPB.
Vraag 7
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing
van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Antwoord 7
Het kabinet heeft breder gekeken naar negatief geëvalueerde fiscale regelingen om
een deel van de financieringsopgave te vullen en heeft er voor gekozen om het verlaagde
btw-tarief op sierteelt af te schaffen. Deze maatregel is doelmatig omdat de belastingopbrengsten
worden verhoogd en tegelijkertijd een ondoelmatige fiscale regeling wordt afgeschaft.
Vraag 8
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt
in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke
bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Antwoord 8
Het kabinet erkent dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal
leiden tot een omzetdaling, met name in de detailhandel. De verwachting is echter
dat het effect in Nederland minder sterk zal zijn dan destijds in Spanje. Hiervoor
zijn een aantal redenen. De maatregel is in Spanje in 2012 ingevoerd ten tijde van
de financiële en economische crisis2. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten
al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd
en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. De btw-verhoging heeft de
afname in de vraag naar bloemen en planten in Spanje waarschijnlijk verder versterkt.
Daarnaast wordt in Spanje een groter deel van de omzet door binnenlandse consumptie
bepaald, terwijl in Nederland circa 80%-85% van de sierteeltsector gericht is op de
export. Bij export is in Nederland geen btw verschuldigd en wordt (in lijn met de
btw-richtlijn) het btw-nultarief toegepast. De afnemer is hierover dan in zijn lidstaat
btw verschuldigd tegen het aldaar geldende btw-tarief.
Vraag 9
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten
expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan
de Kamer te sturen?
Antwoord 9
De raming is recent geactualiseerd op basis van het CEP 2026. Conform de ramingsafspraken
met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete
gedragseffecten, en daarmee prijselasticiteiten, meegenomen in de raming. Bredere
economische effecten van beleid worden doorgerekend door het CPB, het Ministerie van
Financiën baseert de begrotingstukken daar vervolgens weer op.
Vraag 10
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van
stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Antwoord 10
Dit kabinet vindt vergroening belangrijk. Het stimuleren van vergroening van stedelijk
gebied en de publieke ruimte is echter niet voorbehouden aan het hanteren van een
verlaagd btw-tarief. Uit de evaluatie van verlaagde tarieven in 20233 blijkt dat een generieke btw-verlaging in algemene zin geen doelmatig instrument
is om specifieke beleidsdoelen (zoals vergroening) te realiseren. Een groot aantal
gemeenten, provincies en waterschappen bieden reeds gerichte subsidies aan om vergroeningsmaatregelen
te nemen. Specifiek voor de vergroening van de publieke ruimte geldt daarnaast dat
voor gemeentes en provincies btw-uitgaven voor openbaar groen onder het btw-compensatiefonds
compensabel zijn. Dit betekent dat het overbrengen van sierteelt naar het algemene
btw-tarief voor gemeentes en provincies niet tot een hogere btw-last leidt.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.