Schriftelijke vragen : De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst (ingezonden 1 juni 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) over de Huis- en hobbydierenlijst op 28 mei 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:210 t/m 219),
waarin het CBb oordeelt dat voor meerdere diersoorten, waaronder de dromedaris, een
nieuw besluit moet worden genomen?
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBb heeft geoordeeld dat de toepassing van het domesticatiecriterium
door de Minister te beperkt is geweest en dat voor onder andere de dromedaris, chinchilla
en Russische dwerghamster, opnieuw een bestuurlijke afweging moet worden gemaakt?
Vraag 3
Erkent u dat deze uitspraak, waarin door de rechter is vastgesteld dat bij al zeker
zes diersoorten ondeugdelijk gemotiveerde besluiten zijn genomen, laat zien dat bij
het opstellen van de Huis- en hobbydierenlijst fouten zijn gemaakt in de beoordeling
van diersoorten, in het bijzonder bij de toepassing van het domesticatiecriterium?
Vraag 4
Verwacht u naar aanleiding van de uitspraak van het CBb, dat sprake is van 314 afzonderlijke
besluiten waartegen individueel bezwaar en beroep openstaat, een groot aantal aanvullende
bezwaar- en beroepsprocedures tegen andere besluiten om diersoorten niet aan te wijzen?
Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid
van de huidige Huis- en hobbydierenlijst?
Vraag 5
Acht u het wenselijk en werkbaar dat deze uitspraak leidt tot een aanzienlijke extra
belasting van rechtbanken en uitvoeringsorganisaties door nieuwe procedures over individuele
diersoorten?
Vraag 6
Hoe verhoudt het oordeel van het CBb zich volgens u tot de eis uit het Andibel-arrest
(ECLI:EU:C:2008:353) dat een positieflijst moet zijn gebaseerd op objectieve en proportionele
criteria, nu blijkt dat voor meerdere soorten alsnog een aanvullende bestuurlijke
(en dus specifiek niet wetenschappelijke) afweging nodig is om tot een besluit te
komen?
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat het problematisch is dat de strikt wetenschappelijke beoordelingssystematiek
ertoe zou hebben geleid dat zelfs honden, katten en paarden niet op de lijst zouden
zijn geplaatst en dat vervolgens via het domesticatiecriterium bestuurlijke uitzonderingen
moesten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Hoe verklaart u de uitzonderingspositie die het damhert en edelhert innemen, nu uit
de uitspraak van het CBb blijkt dat de bevoegdheid omtrent het aanwijzen van diersoorten
als soorten die gehouden mogen worden niet discretionair van aard is?
Vraag 9
Bent u bereid opnieuw kritisch te kijken naar de uitwerking en juridische houdbaarheid
van de Huis- en hobbydierenlijst, mede in het licht van deze uitspraak en de mogelijkheid
van verdere procedures tegen individuele beslissingen?
Indieners
-
Gericht aan
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Indiener
Caroline van der Plas, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.