Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid van Oosterhout over de Nederlandse inzet ten aanzien van aanpassingen in de Gedelegeerde Handeling waarin de eisen om waterstof als hernieuwbaar te kwalificeren zijn vastgelegd
Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de brief aan de Europese Commissie over de implementatie van de gedelegeerde handeling (DA EU 2023/1184) ten aanzien van de methodologie voor de productie van RFNBO (Renewable Fuels of Non-Biological Origin) (ingezonden 21 april 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
1 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1862.
Vraag 1
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde
versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om
deze lijn te steunen?
Antwoord 1
Ja, het klopt dat Nederland de Joint Letter (hierna «gezamenlijke brief») heeft ondertekend.
Deze brief is als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. In
de Clean Industrial Deal van februari 2025 kondigde de Europese Commissie al een studie
naar de doeltreffendheid van het Europese beleidskader2 aan. Sindsdien geven meerdere projectontwikkelaars aan te wachten met investeren
tot er meer uitsluitsel is over mogelijke wijzigingen.
De voorgestelde aanpassingen zijn noodzakelijk omdat de ontwikkeling van elektrolysecapaciteit
in Nederland, die nodig is voor de verduurzaming van de industrie- en transportsector,
anders dreigt stil te vallen. Nederland ziet de gezamenlijke brief als een strategisch
passende manier om gewenste aanpassingen kansrijker te maken en bedrijven sneller
uit de onzekerheid over Europese beleidswijzigingen te halen.
Vraag 2
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te
versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode
voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur
temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen
met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Antwoord 2
Vooropgesteld, het kabinet is voorstander van de zogenaamde RFNBO-criteria («Renewable
Fuels of Non-Biological Origin») die moeten borgen dat waterstofproductie hernieuwbaar
is, zoals de additionaliteitsregel en de regel dat hernieuwbare elektriciteit en de
waterstof die daarmee geproduceerd wordt gelijktijdig opgewekt wordt (uur-tot-uur
temporele correlatie).
Het geeft waterstofproducenten immers een prikkel om CO2-uitstoot te reduceren en de onregelmatige, weersafhankelijke opbrengst uit zon en
wind te faciliteren.
Het kabinet kiest niet zozeer voor een versoepeling maar voor een latere inwerkingtreding
van die criteria zodat de eisen beter aansluiten bij de verwachte marktontwikkeling
voor hernieuwbare waterstof.
Voor Nederland zijn het verlengen van de overgangsperiode van additionaliteit en het
langer toestaan van maandelijkse temporele correlatie de twee belangrijkste aandachtspunten.
Momenteel is er ca. 400 MW aan elektrolysecapaciteit in aanbouw. Zonder bovengenoemde
aanpassingen zal de beoogde 1,2 GW aan elektrolysecapaciteit in 2030 niet gerealiseerd
kunnen worden.
Ten eerste is de regel dat elektrolyseprojecten die per 2028 en daarna gereed zijn
geen gebruik meer mogen maken van gesubsidieerde hernieuwbare elektriciteit om waterstof
te produceren (de zogenaamde additionaliteitsregel) een knelpunt. Veel elektrolyseprojecten
zijn door – veelal onvoorziene – vertragingen in de ontwikkeling van infrastructuur
en de vraag naar hernieuwbare waterstof pas na 2028 operationeel. Bovendien hebben
(nieuwe) windparken, waarvan de elektriciteit nodig is voor de productie van hernieuwbare
waterstof, weer subsidie nodig. Hierdoor is er nauwelijks geschikte elektriciteit
over om hernieuwbare waterstof van te maken.
Ten tweede komt de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur voor waterstof
langzamer dan verwacht op gang. Voornamelijk opslaginfrastructuur is van belang om
(weersafhankelijke) productie en gebruik van hernieuwbare waterstof beter op elkaar
aan te laten sluiten, zodat op die manier beter kan worden voldaan aan de productie
eis die stelt dat hernieuwbare elektriciteit binnen hetzelfde uur geproduceerd moet
worden als de waterstof die ermee gemaakt wordt. Opslaginfrastructuur zorgt er immers
voor dat waterstof niet meteen gebruikt hoeft te worden op het moment dat deze door
gunstige weersomstandigheden geproduceerd kan worden.
Ten derde wordt door projectontwikkelaars aangegeven dat er bij grootschalige inzet
van elektrolysers nog ervaring opgedaan moet worden met een veilige en verantwoorde
afstemming van de draaiuren van elektrolysers op het onregelmatige aanbod van hernieuwbare
elektriciteit. Voor deze leercurve is ook meer tijd nodig.
De uurlijkse correlatie-eis kan pas functioneren als (opslag)infrastructuur gerealiseerd
is en er voldoende ervaring is opgedaan met een flexibele inzet van elektrolysers.
De latere inwerkingtreding van beide criteria is noodzakelijk voor het creëren van
de schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie
en de transportsector.
Zie specifiek de beantwoording van vraag 4 voor de verhouding van de specifieke inzet
van Nederland zoals hierboven beschreven met betrekking tot de «sunset clause»3.
Vraag 3
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft
plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben
geïnvesteerd in groene waterstof?
Antwoord 3
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringszekerheid voor bedrijven die
vroeg hebben geïnvesteerd in hernieuwbare waterstof. Toen de huidige RFNBO-regels
werden vastgesteld was het vooruitzicht nog dat wind-op-zee parken subsidievrij ontwikkeld
konden worden, dat de benodigde infrastructuur tijdig gereed zou zijn en dat er voldoende
ervaring met grootschalige inzet van elektrolysers zou zijn opgedaan. Bij de aangekondigde
gerichte herziening van de productieregels voor hernieuwbare waterstof (de «RFNBO-regels»)
in de Accelerate EU Energy Union communicatie, heeft de Europese Commissie expliciet
aangegeven dat bestaande investeringen in hernieuwbare waterstof beschermd zullen
worden. Het kabinet verwelkomt dit standpunt en vindt daarnaast dat bestaande projecten
ook gebruik moeten kunnen maken van de aangepaste regels als zij dat willen.
Vraag 4, 5 en 6
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele
correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een
beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking
van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions»,
welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen
met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren
van dit label?
Antwoord 4, 5 en 6
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moeten de voorgestelde aanpassingen
per saldo een positieve bijdrage leveren aan de klimaatdoelen.
Ze moeten er namelijk toe leiden dat de benodigde schaal aan elektrolysecapaciteit
die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en mobiliteit tot ontwikkeling
komt. Hogere emissies in de elektriciteitssector vallen op korte termijn niet bij
voorbaat uit te sluiten. Maar in Europese wet- en regelgeving zijn diverse eisen en
(bindende) doelen vastgelegd die ervoor moeten zorgen dat aanpassingen in de sunset-clause
en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies bij hernieuwbare waterstofproductie
en tot een verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen.
Ten eerste blijven de Europese doelen voor hernieuwbare energie voor 2030 die in de
Hernieuwbare Energierichtlijn (REDIII) zijn vastgelegd onveranderd.
Ten tweede zou de eventuele toename van emissies in de Nederlandse elektriciteitssector
op Europees niveau gecompenseerd moeten worden omdat onder het ETS de totale hoeveelheid
CO2-uitstootrechten in de Europese Unie vaststaan. Voor de extra draaiuren die gascentrales
eventueel gaan maken om extra elektriciteit te produceren moeten zij immers extra
rechten kopen die andere CO22-uitstoters in de EU dan niet meer kunnen gebruiken. Daarom is Nederland ook voorstander
van een sterk en ambitieus ETS omdat dit tot een EU-brede verduurzamingsprikkel leidt
en langdurige beleidszekerheid geeft aan de betreffende sectoren.
Ten derde blijft, wat betreft de lidstaten die de gezamenlijke brief hebben ondertekend,
de eis bestaan dat hernieuwbare waterstof 70% CO2 moet reduceren ten opzichte van het fossiele alternatief (bijvoorbeeld grijze waterstof).
Aangezien waterstofprojecten door een onafhankelijke partij gecertificeerd moeten
worden om in aanmerking te komen voor subsidies, wordt zo geborgd dat alleen waterstof
die met voldoende hernieuwbare elektriciteit geproduceerd wordt gesteund wordt. Ook
voor «clean countries/regions» gelden bovenstaande vereisten en doelen, die de duurzaamheid
van de waterstof moeten borgen.
Ten slotte kan tijdige ontwikkeling van voldoende elektrolysecapaciteit langs de kust
juist helpen om een gestaag uitroltempo van hernieuwbare elektriciteit te borgen zolang
transportschaarste op het elektriciteitsnet een direct gebruik van hernieuwbare elektriciteit
bemoeilijkt.
Vraag 7
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel
hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof
toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar
met koolstof-arme waterstof?
Antwoord 7
Ten aanzien van de specifieke waterstofproductie kan maandelijkse temporele correlatie
leiden tot hogere broeikasgasemissies in het Nederlandse elektriciteitssysteem dan
bij uurlijkse temporele correlatie.
Maar zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 moeten eventuele hogere
emissies op systeemniveau en in Europees verband gecompenseerd worden onder het ETS
waar een CO2-emissieplafond geldt. Overigens geldt voor hernieuwbare en koolstofarme waterstof
dezelfde CO2-reductie-eis van minimaal 70% ten opzichte van het fossiele alternatief voor die
hernieuwbare waterstof (bijvoorbeeld grijze waterstof). Kortom, beide vormen van waterstof
moeten in gelijke mate bijdragen aan CO2-reductie.
Vraag 8
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en
onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld
benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil
specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Antwoord 8
Er is geen consensus over het specifieke kostenverschil, alhoewel het rapport van
de Europese Rekenkamer over het industriebeleid van de EU inzake hernieuwbare waterstof4 aangeeft dat toepassing van uurlijkse temporele correlatie de productiekosten verhoogt,
waardoor het slechter concurreert met uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof.
In algemene zin kunnen de volgende elementen tot hogere kosten leiden bij toepassing
van uurlijkse temporele correlatie:
– Uurlijkse correlatie beperkt het aantal draaiuren van een elektrolyser waardoor investeringskosten
over een kleinere productieomvang moeten worden uitgesmeerd, die leidt tot een prijsverhoging
voor hernieuwbare waterstof.
– Een hogere prijs voor langetermijncontracten tussen een producent van waterstof en
een producent van hernieuwbare elektriciteit, omdat het voor laatstgenoemde complex
is om aan de uurlijkse correlatieverplichting te voldoen.
– Hogere administratieve lasten als gevolg van de noodzakelijke nauwkeurige monitoring
en certificering van de productie van hernieuwbare waterstof
Voor waterstofprojecten waarbij de elektrolyser direct gekoppeld is aan een hernieuwbare
elektriciteitsbron zal het gemakkelijker zijn om aan de uurlijkse correlatie te voldoen.
Dit is over het algemeen het geval op plaatsen, veelal buiten de EU, waar zon, wind
en ruimte voldoende beschikbaar zijn.
Het uitgangspunt bij het Europees waterstofbeleid is dat de productie zo veel mogelijk
moet plaatsvinden op plaatsen waar deze het goedkoopst is en deze via de aanleg van
transportinfrastructuur beschikbaar wordt gesteld op plaatsen elders waar de vraag
naar hernieuwbare waterstof zich voordoet en de productieomstandigheden minder gunstig
zijn.
Daarom is naast opschaling van nationale productie van hernieuwbare waterstof de inzet
op import(infrastructuur) een belangrijk onderdeel van het Nederlandse waterstofbeleid.
Vraag 9 en 10
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische
haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference
of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie
en de gestelde sunset clause?
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere
oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet
met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Antwoord 9 en 10
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, is Nederland voorstander van
criteria die de duurzaamheid van de geproduceerde waterstof borgen. Maar het is prioriteit
om de toepassing van die criteria aan te passen aan de huidige realiteit waarin hernieuwbare
elektriciteit opnieuw gesubsidieerd moet worden, de ontwikkeling van transport- en
opslaginfrastructuur vertraagd is en er meer ervaring opgedaan moet worden met de
inzet van elektrolysers.
Naast deze aanpassing zet het kabinet zich op andere manieren actief in voor het verbeteren
van de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten. Zo zet Nederland zich in voor
het creëren van vraagzekerheid, enerzijds via langjarige normering van waterstofgebruik
op product- of sectoraal niveau en anderzijds via subsidies. Beide beleidsopties worden
bij voorkeur op Europees niveau uitgewerkt.
De kernboodschap van het rapport van de Europese Rekenkamer is dat de streefcijfers
die de Europese Commissie voor de Europese productie en import van hernieuwbare waterstof
heeft gesteld onrealistisch zijn en dat een reality check noodzakelijk is. Het kabinet
onderschrijft die boodschap. In de Klimaat en Energienota 2025 is besloten om de verwachtingen
en het richtdoel voor elektrolysecapaciteit in 2030 en 2035 bij te stellen.
In de update van het Nationaal Plan Energiesysteem, die met Prinsjesdag gepubliceerd
wordt, gaat het kabinet dieper in op de verwachte ontwikkeling van de waterstofmarkt.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.