Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van lid Van Houwelingen over de vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten
Vragen van het lid Van Houwelingen (FVD) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten (ingezonden 9 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 28 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1752.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel
veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk
op de verpakking wordt vermeld?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking,
namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct
is?
Antwoord 2
Nee, dat klopt niet. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet
op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per
levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op de achterzijde van de verpakking,
in de ingrediëntenlijst, moet vervolgens worden aangegeven wat het percentage vleeseiwitten
en plantaardige eiwitten is in desbetreffend levensmiddel.
Vraag 3
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Antwoord 3
N.v.t.
Vraag 4
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding,
nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een
grotendeels plantaardig product krijgen?
Antwoord 4
Op dit moment wordt niet bij alle levensmiddelen op dezelfde manier aangegeven dat
het uit verschillende eiwitbronnen bestaat. Desondanks voldoen deze levensmiddelen
wel aan de huidige regelgeving. Zie voor de specifieke wettelijke voorschriften het
antwoord op vraag 6. Op deze manier worden consumenten dus geïnformeerd over de aanwezigheid
van plantaardige eiwitten in vleesproducten.
Vraag 5
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 5
N.v.t.
Vraag 6
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige
ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Antwoord 6
Bij de etikettering van het levensmiddel moet, zowel op de voorkant als achterkant,
worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd (Verordening (EU)
1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 5). Bijvoorbeeld kippeneiwit in een runderhamburger,
maar ook kikkererwteneiwit in een hamburger van varkensvlees. Ook moet in ieder geval
in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden
vermeld. Daarnaast moet bij de etikettering worden gemeld wanneer bestanddelen van
een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt
(Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 4). Per casus zal de NVWA beoordelen
of hieraan wordt voldaan.
Vraag 7
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar
gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Antwoord 7
De NVWA heeft de afgelopen 3 jaar geen specifiek toezicht gehouden op de etikettering
van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. De NVWA controleert
steekproefsgewijs levensmiddelen om de voedselveiligheid in Nederland te waarborgen.
Deze aanpak is risicogericht en kennis gedreven, wat betekent dat toezicht wordt ingezet
waar de voedselveiligheidsrisico’s het grootst zijn.
Vraag 8
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Antwoord 8
Er zijn door de NVWA geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot etikettering
van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. Het is overigens
ook niet verboden om plantaardige ingrediënten aan vleesbereidingen of vleesproducten
toe te voegen. Op het moment dat sprake is van dergelijke toevoegingen, moet dat op
de verpakking worden vermeld zodat de consument een geïnformeerde keuze kan maken.
Vraag 9
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Antwoord 9
N.v.t.
Vraag 10
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten
door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde
eiwittransitie?
Antwoord 10
Het kabinet deelt deze opvatting niet.
Vraag 11
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 11
Het kabinet heeft een doelstelling om in 2030 een balans in de gemiddelde eiwitconsumptie
te bereiken van 50% plantaardige eiwitten en 50% dierlijke eiwitten. Een meer plantaardig
eetpatroon is goed voor onze gezondheid en het milieu. Voor de betaalbaarheid voor
consument is dit ook gunstig, aangezien plantaardige producten veelal goedkoper zijn
dan dierlijke producten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren
van deze doelstelling. Het kabinet ziet dat met name supermarkten ook eigen ambities
hebben geformuleerd ten aanzien van de eiwittransitie.
Het introduceren van met plantaardige eiwitten verrijkte vleesproducten is één van
de manieren waarop bedrijven invulling geven aan het behalen van deze doelstellingen.
Dat laat zien dat zij stappen zetten richting een meer plantaardig voedselaanbod.
De keuze voor specifieke strategieën, evenals de wijze waarop hierover met consumenten
wordt gecommuniceerd, ligt bij bedrijven zelf, met in achtneming van de geldende wet-
en regelgeving. Van een door de overheid gestimuleerde aanpak waarbij dit onopgemerkt
zou moeten gebeuren, is echter geen sprake. De keuze van de consument van producten
die ook plantaardige eiwitten bevatten wordt juist gefaciliteerd door een transparante
en expliciete vermelding hiervan op het etiket.
Vraag 12
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige
ingrediënten?
Antwoord 12
Het kabinet waardeert het dat ketenpartijen actief bijdragen aan de eiwittransitie
door het aandeel plantaardige eiwitten in producten te vergroten. Ketenpartijen spelen
een belangrijke rol in het realiseren van deze ontwikkeling. Het is aan deze partijen
zelf om te bepalen op welke wijze zij hier invulling aan geven, zolang zij opereren
binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Daartoe behoort dus ook dat
bij de etikettering van het levensmiddel moet worden gemeld als eiwitten van een andere
oorsprong zijn toegevoegd, dat in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage
van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld en dat bij de etikettering
moet worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk
worden vervangen door een ander ingrediënt.
Vraag 13
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat
om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Antwoord 13
De overheid heeft voor de eiwittransitie een duidelijke ambitie neergezet en ziet
daarbij een belangrijke rol voor ketenpartijen, zoals supermarkten en producenten.
Het kabinet waardeert het dat deze partijen hier actief mee aan de slag zijn en gaat
hierover ook graag met hen in gesprek.
Er is echter geen sprake van directe of indirecte druk vanuit de overheid om producten
op een specifieke, laat staan onopgemerkte, wijze aan te passen. Het is aan bedrijven
zelf om te bepalen hoe zij invulling geven aan de eiwittransitie. Daarbij geldt dat
zij zich moeten houden aan de geldende wet- en regelgeving.
Vraag 14
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 14
N.v.t.
Vraag 15
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken
vanwege stijgende vleesprijzen?
Antwoord 15
Het kabinet kan niet voor individuele supermarkten spreken over hun beweegredenen.
In algemene zin geldt dat prijsontwikkelingen van grondstoffen, zoals vlees, van invloed
kunnen zijn op productformuleringen. Tegelijkertijd spelen mogelijk ook andere overwegingen,
zoals duurzaamheid en consumentenvraag. Het is aan bedrijven om hierin hun eigen afwegingen
te maken, mits aan de wettelijke voorschriften wordt voldaan.
Vraag 16
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid
zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige
eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet
worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Antwoord 16
Zie het antwoord op vraag 15.
Vraag 17
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor
een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Antwoord 17
Het kabinet kan niet voor individuele levensmiddelenproducenten spreken over hun beweegredenen
om levensmiddelen te maken met plantaardige ingrediënten.
Vraag 18
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie
en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking
zou moeten worden vermeld?
Antwoord 18
Het kabinet deelt uiteraard uw opvatting dat consumenten het recht hebben op volledige
transparantie. Het kabinet is het er echter niet mee eens dat transparantie enkel
wordt gegeven door vermelding van het percentage vlees op de voorkant van de verpakking.
Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden
aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen
hoe dit wordt aangegeven. Op dit moment wordt het percentage vlees in een plantaardig
verrijkt levensmiddel vermeld in de ingrediëntenlijst van het levensmiddel. Meestal
bevindt deze zich aan de achterkant van het levensmiddel. Dit is conform de huidige
wet- en regelgeving.
Vraag 19
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking
wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Antwoord 19
Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk
van de uitkomst, beziet het kabinet of de huidige wet- en regelgeving volstaat, of
dat het noodzakelijk en mogelijk is om aanpassingen te doen rondom het etiketteren
van plantaardig verrijkte levensmiddelen ten behoeve van het bieden van voldoende
transparantie.
Vraag 20
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 20
N.v.t.
Vraag 21
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten
behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen
of misleidende etiketten?
Antwoord 21
Het kabinet deelt deze opvatting. Het belangrijkste doel van Verordening (EU) nr. 1169/2011
over Voedselinformatie aan consumenten is het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming
door eerlijke en duidelijke informatie over levensmiddelen. Door consumenten correct
te informeren, kunnen zij goed doordachte keuzes maken en levensmiddelen veilig gebruiken.
Het uitgangspunt voor voedselinformatie is dat het niet misleidend mag zijn (artikel 7,
lid 1 Verordening (EU) nr. 1169/2011). Daarnaast moet de informatie nauwkeurig, duidelijk
en gemakkelijk te begrijpen zijn voor de consumenten (artikel 7, lid 2 Verordening
(EU) nr. 1169/2011).
Vraag 22
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan
te nemen om dit te garanderen?
Antwoord 22
Het kabinet is van mening dat plantaardig verrijkte levensmiddelen niet per definitie
misleidend zijn voor de consument. Zoals eerder aangegeven is het momenteel niet bij
alle levensmiddelen even duidelijk dat het in dat geval gaat om een combinatie van
dierlijke en plantaardige eiwitten. Het kabinet volgt de Europese discussie rondom
de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, zal het kabinet zich de
komende tijd inzetten om dit nader te onderzoeken en bezien of het nodig is om aanvullende
regelgeving hiervoor op te stellen of dat de huidige regelgeving dit momenteel al
voldoende dekt.
Vraag 23
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 23
N.v.t.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.