Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag schriftelijk overleg over reactie op verzoek commissie over de rapporten “Discriminatie in de zorg, welzijn en sport”, “Is allemaal mooi, op papier”, en “Professionaliteit te allen tijde” (Kamerstuk 36800-XVI-70)
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 195
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 28 mei 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 13 februari 2026 over de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn
en sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde» (Kamerstuk
36 800 XVI, nr. 70).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 april 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 28 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister van VWS
Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van
de leden van de fracties van D66, GroenLinks-PvdA en PVV inzake de rapporten «Discriminatie
in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professionaliteit
te allen tijde».1 Bij de beantwoording is de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Reactie op verzoek
commissie over de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde». Voor genoemde leden zijn
de thema’s discriminatie en een sociaal veilige werkomgeving zeer belangrijk. De bevindingen
en aanbevelingen van deze onderzoeken dienen dan ook serieus te worden opgepakt door
het kabinet.
De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinet om het thema
discriminatie beter bespreekbaar te maken. Een van de aanbevelingen uit de rapporten
is echter om duidelijke gedragsnormen op te stellen. Zowel in de reactie van de Minister
als in de tweede voorgangsrapportage wordt er niet ingegaan op het instellen of stimuleren
van dergelijke gedragsnormen. De leden van de D66-fractie vragen waarom dit achterwege
blijft, aangezien zij onderstrepen dat conferenties en gesprekken weliswaar belangrijke
eerste stappen zijn, maar dat daadwerkelijke zichtbaarheid en verandering pas ontstaan
wanneer normen expliciet worden vastgesteld en gehandhaafd.
In het coalitieakkoord staat dat passende zorg ook inclusieve zorg is. Het kabinet
draagt dan ook een duidelijke norm uit op dit vlak. Het is aan zorgorganisaties om
hier vervolgens invulling aan te geven. Vanuit het ministerie zijn de afgelopen jaren
op meerdere manieren gesprekken gefaciliteerd en bijeenkomsten georganiseerd die hier
handvatten voor bieden: Bijvoorbeeld de ronde tafels over discriminatie met de sector,
de oplevering van verschillende onderzoeken over het thema, het opzetten en inzetten
van een ervaringsdeskundigenpanel wat betreft discriminatie in de verschillende sectoren
en een ZonMw programma over diversiteitsensitief werken in de zorg.
Het onderzoek toont aan dat er een lage meldingsbereidheid bestaat, onder meer door
een gebrek aan vertrouwen in opvolging van meldingen. In de reactie van de Minister
op de aanbevelingen, worden voornamelijk bestaande, uiteenlopende meldpunten opgesomd.
Uit het onderzoek blijkt echter niet dat slachtoffers afzien van melden vanwege een
gebrek aan meldpunten, maar juist vanwege angst voor negatieve gevolgen of vanwege
een gebrek aan vertrouwen in opvolging. De leden van de D66-fractie vragen dan ook
hoe de Minister gaat waarborgen dat meldingen daadwerkelijk en adequaat worden opgevolgd
en dat slachtoffers meer vertrouwen in deze opvolging krijgen.
Het Ministerie van BZK werkt aan de versterking van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen
(ADV’s) met het conceptwetsvoorstel van de Wet bijstand bij discriminatie dat tot
en met 1 mei 2026 open staat voor internetconsultatie. Daarnaast worden ook de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG), het College voor de Rechten van de Mens (CRM), de
Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) geraadpleegd
voor consultatie. Het voorstel beoogt knelpunten aan te pakken die zien op de inrichting,
het takenpakket en de financiering van de huidige ADV’s door toe te werken naar één
centrale organisatie voor de aanpak van discriminatie, met als voornaamste taak het
opnemen en opvolgen van meldingen. Daarnaast worden preventie en het begeleiden naar
nazorg toegevoegd aan het takenpakket. Door de nieuwe centrale organisatie kan er
efficiënter gebruik worden gemaakt van middelen. Er is daarmee een professionaliseringsslag
beoogd, waardoor meldingen nog adequater kunnen worden opgevolgd en melders de ondersteuning
krijgen waar zij behoefte aan hebben. Discriminatie.nl kan (ook nu al) op verschillende
manieren opvolging geven en bijstand verlenen aan melders. Dit kan variëren van het
bieden van een luisterend oor of het organiseren van een bemiddelingsgesprek tot het
begeleiden van een melding bij het CRM, dat een juridisch oordeel kan geven over een
zaak.
Aansluitend daarop werkt het Ministerie van BZK aan brede publiekscommunicatie ter
verhoging van de meldingstoegankelijkheid van ervaren discriminatie. De publiekscommunicatie
is gericht op het vergroten van kennis van burgers over discriminatie en Discriminatie.nl,
het vergroten van het vertrouwen in het nut van melden en het inspelen op persoonlijke
behoeften bij ervaren discriminatie. Deze insteek is gebaseerd op onderzoek dat het
Ministerie van BZK heeft laten uitvoeren naar motivaties en barrières bij het melden
van ervaren discriminatie en het verhogen van de meldingstoegankelijkheid.2 Een campagne met media-inzet is onderdeel van de publiekscommunicatie. De lancering
daarvan is beoogd voor het najaar van 2026.
Genoemde leden merken tevens op dat in de reactie wordt gewezen op de mogelijkheid
om melding te doen bij discriminatie.nl. Ook hebben zij vernomen dat de regering onlangs
een wetsvoorstel voor de versterking van het stelsel van Antidiscriminatievoorzieningen
(ADV’s) in consultatie heeft gebracht. Zij vragen de Minister uiteen te zetten of
en zo ja, hoe het conceptwetsvoorstel bijdraagt aan de zojuist genoemde aandachtspunten
met betrekking tot gevolgen en opvolging van meldingen.
Met de nieuwe wet verwacht het kabinet discriminatie beter te kunnen bestrijden. Onder
meer door:
• Eén landelijk meldpunt, dat via internet of telefonisch beter herkenbaar en toegankelijker
is;
• Behoud van plaatselijke loketten die allemaal op dezelfde manier werken en zo dezelfde
diensten kunnen leveren;
• Een andere financiering, waardoor de beschikbare financiële middelen gerichter wordt
ingezet;
• Een hogere bereidheid om discriminatie te melden vanwege de toegenomen zichtbaarheid
en de ondersteunende publiekscommunicatie.
Daarnaast laat het rapport zien dat de verantwoordelijkheid voor het doen van meldingen
nog steeds in sterke mate bij slachtoffers wordt gelegd. Hoe gaat de Minister ervoor
zorgen dat deze verantwoordelijkheid nadrukkelijker bij de betrokken organisaties
komt te liggen?
Het kabinet onderschrijft het beeld dat het voorkomen en aanpakken van discriminatie
en ongewenst gedrag in de zorgpraktijk nog te vaak de verantwoordelijkheid is van
de getroffen individuele medewerker. Dit is onwenselijk. Het stimuleren van een veilige
werkvloer is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers. Zo ook om een werkcultuur
te creëren waarin de verantwoordelijkheid van het doen van meldingen niet alleen bij
getroffenen zelf ligt maar ook bij collega’s en leidinggevenden. Het kabinet blijft
met werkgevers en bestuurders in gesprek over hun verantwoordelijkheid en biedt waar
mogelijk ondersteuning aan. Zo heeft Movisie3 de opdracht gekregen om een praktisch handvat te ontwikkelen dat werkgevers en leidinggevenden
ondersteunt bij het herkennen en bespreekbaar maken van discriminatie en bij het bevorderen
van een sociaal veilige werkomgeving. Dit handvat richt zich specifiek op de zorg-
en welzijnssector, houdt rekening met de contextuele uitdagingen van deze sector en
richt zich ook op discriminatie tussen medewerkers. Ook organiseert het kabinet samen
met kennisinstituut Pharos op 30 juni een online webinar voor werkgevers over hoe
zij discriminatie op de werkvloer kunnen aanpakken.
Daarnaast haalt het kabinet met de nieuwe wet voor de versterking van het stelsel
van ADV’s en de aanvullende publiekscommunicatie de verantwoordelijkheid van het melden
weg bij de melders en focust ze zich op de kwaliteit en toegankelijkheid van het systeem.
Uitgangspunt van de publiekscampagne is dat de ondersteuningsbehoefte van de melder
centraal staat. De communicatie roept niet op om te melden, maar informeert burgers
dat zij ergens met hun ervaring terecht kunnen voor de gewenste ondersteuning. En
dat melden niet alleen registratie is, maar ook kan dienen als veilig handelingsperspectief
dat kan helpen bij verwerking.
Daarnaast krijgt de landelijke organisatie een nieuwe taak met betrekking tot preventie
van discriminatie. De huidige gemeentelijke ADV’s hebben deze taak nog niet. Deze
nieuwe taak geeft de mogelijkheid om naar aanleiding van (een analyse van) de ontvangen
meldingen ook met organisaties zoals zorginstellingen en werkgevers in gesprek te
gaan over hun verantwoordelijkheid om discriminatie te voorkomen en te zorgen dat
het stopt.
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat het kabinet inzet op kennisdeling, praktische
handvatten en het verspreiden van goede voorbeelden. Tegelijkertijd blijkt uit het
onderzoek dat de verantwoordelijkheid in de praktijk nog vaak bij de individuele medewerker
wordt gelegd, waardoor getroffen medewerkers minder snel een melding maken en gevoelens
van onveiligheid toenemen. Deze leden vragen in hoeverre de voornamelijk stimulerende
en faciliterende aanpak van het kabinet toereikend is om zowel deze verantwoordelijkheid
te verschuiven naar organisaties als de geconstateerde kloof tussen beleid en praktijk
daadwerkelijk te dichten. Is de Minister bereid om, naast deze zachte instrumenten,
ook meer bindende kaders te overwegen om de sociale veiligheid in de sector structureel
te verbeteren?
Werkgevers hebben een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een veilige en gezonde
werkomgeving. Het kabinet ziet het als zijn rol om deze verantwoordelijkheid te stimuleren,
te ondersteunen en waar nodig te agenderen en blijft in gesprek met veldpartijen en
toezichthouders over de vraag wat aanvullend nodig is om de kloof tussen beleid en
praktijk verder te verkleinen.
De stimulerende en faciliterende aanpak, gericht op kennisdeling is hierbij een belangrijk
instrument. Juist omdat sociale veiligheid sterk afhankelijk is van de werkcontext,
vraagt dit om maatwerk binnen organisaties. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat
er sprake is van een kloof tussen beleid en praktijk. Om deze kloof te verkleinen,
wordt niet alleen ingezet op het vergroten van bewustwording, maar ook op het versterken
van handelingsperspectief voor werkgevers en leidinggevenden via concrete interventies,
zoals hierboven beschreven.
Het kabinet erkent het belang van duidelijke randvoorwaarden voor sociale veiligheid
op de werkvloer. Werkgevers zijn volgens de Arbowet verplicht om hun werknemers te
beschermen tegen psychosociale arbeidsbelasting, waaronder ongewenst gedrag en discriminatie.
De inzet is gericht op het beter uitvoeren en handhaven van deze bestaande kaders,
en niet op het ontwikkelen van nieuwe bindende regelgeving.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de Minister en onderschrijven
het belang van een veilige en inclusieve werkomgeving. Tegelijkertijd constateren
deze leden dat de Minister stelt dat de bestaande kennisinfrastructuur toereikend
is. Gezien de bevindingen uit het onderzoek, waarin juist knelpunten in de praktijk
en implementatie naar voren komen, vragen deze leden hoe het kabinet tot de conclusie
komt dat de huidige kennisinfrastructuur voldoende is. Op welke wijze wordt gemonitord
of deze kennis ook daadwerkelijk de werkvloer bereikt en leidt tot concrete veranderingen
in de praktijk?
Een organisatiecultuur waarin medewerkers zich veilig en gewaardeerd voelen is belangrijk.
Dit vormt een onderdeel van goed werkgeverschap en is primair de verantwoordelijkheid
van organisaties in zorg en welzijn. Goed toegankelijke kennis ondersteunt bijvoorbeeld
medewerkers in de langdurige zorg bij het leveren van persoonsgerichte zorg. De bestaande
kennisinfrastructuur wordt als toereikend gezien omdat verschillende kennisinstituten,
waaronder Vilans, Pharos, Kennisplatform Inclusief Samenleven (Verwey-Jonker Instituut
en Movisie), gezamenlijk voorzien in het ontwikkelen, bundelen en actief verspreiden
van kennis, handreikingen en praktijkvoorbeelden. Deze partijen werken samen met het
veld, waardoor de kennis aansluit op de praktijk en via meerdere kanalen beschikbaar
en toepasbaar is. Daarmee zijn de randvoorwaarden aanwezig om organisaties binnen
de langdurige zorg in staat te stellen inclusief en professioneel te werken. Het kabinet
monitort niet op het niveau van individuele aanbieders of zij deze kennis benutten.
Het is primair de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders zelf om beschikbare kennis
te implementeren in de praktijk. Het rapport onderstreept hierbij de meerwaarde van
inclusief werken, niet alleen voor cliënten, maar juist ook voor professionals en
zorgorganisaties zelf.
Voorts constateren de leden van de D66-fractie dat het onderzoek wijst op belemmeringen
in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld rondom de erkenning van buitenlandse diploma’s
en beperkte bestedingsruimte van zorgbudgetten. Deze leden vragen waarom in de kabinetsreactie
niet wordt ingegaan op deze structurele knelpunten. Is de Minister bereid om te bezien
of aanpassing van wet- en regelgeving noodzakelijk is om cultuursensitief werken beter
te faciliteren?
In het rapport wordt verwezen naar belemmeringen die worden ervaren rondom de bestedingsruimte
van zorgbudgetten. Tegelijkertijd laat het rapport ook zien dat er binnen de huidige
kaders al diverse organisaties zijn die cultuursensitief (of -specifiek) werken en
dit ook succesvol organiseren. Dit wijst erop dat bestaande wet- en regelgeving in
de kern ruimte biedt. Door het versterken van kennisdeling en leren van goede voorbeelden
kan beter worden benut wat binnen de huidige kaders al mogelijk is. Hiervoor is onder
andere kennis beschikbaar via de bestaande kennisinfrastructuur.
In het rapport komt naar voren dat instellingen verschillen in de mate waarin zij
tegemoetkomen aan wensen en behoeften van bewoners en dat hierbij ook financiële overwegingen
een rol spelen. Binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) is sprake van een integraal tarief,
dat zorgaanbieders ruimte biedt om zelf keuzes te maken in de inzet van middelen en
de inrichting van het zorgaanbod. In de praktijk zijn er diverse goede voorbeelden
van zorgorganisaties die deze ruimte benutten om cultuursensitief of -specifiek te
werken.
Het rapport wijst verder ook op uitdagingen die organisaties ervaren door wet- en
regelgeving met betrekking tot de erkenning van diploma’s van medewerkers die hun
opleiding buiten Nederland hebben afgerond. In Nederland zijn er nu al diverse mogelijkheden
voor buitenslands gediplomeerden4 om aan de slag te gaan in de sector zorg en welzijn. Het is belangrijk om te benadrukken
dat voor veel beroepen geen registratie nodig is in het kader van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Buitenslands gediplomeerden kunnen juist
in veel zorgberoepen werken zonder dat er wettelijke bepalingen rondom patiëntveiligheid
en kwaliteit vanuit de Wet BIG van toepassing zijn. Bij buitenslands gediplomeerden
die in een niet-gereglementeerd beroep willen werken, moeten werkgevers ervoor zorgen
dat zij bekwaam zijn en voldoende kunnen communiceren met collega’s en patiënten.
Als buitenslands gediplomeerden in een beroep willen werken dat is gereglementeerd
in de Wet BIG, zoals arts of verpleegkundigen, moeten zij eerst de erkennings- en
toelatingsprocedure van het CIBG succesvol doorlopen voordat zij zelfstandig aan de
slag kunnen. Zoals eerder is toegelicht in de brieven aan uw Kamer van 21 juni 20215, 25 februari 20226, 6 juli 20237, 12 december 20238 en 1 maart 20249 is deze erkennings- en toelatingsprocedure voor zorgmedewerkers met een diploma van
buiten de Europese Economische Ruimte (EER) de afgelopen jaren versneld en gestroomlijnd,
met behoud van kwaliteit en patiëntveiligheid. Zo biedt het CIBG nu meer persoonlijke
begeleiding en maatwerk door een consulent en worden taalcertificaten geaccepteerd
waardoor aanvragers sneller doorstromen.
Zoals ook is gemeld in de brief aan de Kamer van 25 november 202510 is het stroomlijnen van de erkenning van buitenlandse diploma’s een continu proces
en dit heeft alle aandacht. Een wijziging van de wet- en regelgeving inzake de erkenning
van niet-Europese diploma’s acht het kabinet niet opportuun uit het oogpunt van patïentveiligheid
en kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar. Patiënten en hun naasten moeten
er op kunnen vertrouwen dat iedere zorgverlener die aan het bed staat voldoet aan
alle wettelijke taal- en kwaliteitseisen in Nederland, ongeacht de herkomst van het
diploma. Ook wil het kabinet benadrukken dat buitenslands gediplomeerden – al dan
niet in afwachting van de erkenningsprocedure – in opdracht kunnen werken van een
zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde zorgmedewerker. Het is dan aan de opdrachtgever
om te zorgen dat deze zorgmedewerkers bekwaam zijn in de werkzaamheden die ze uitvoeren.
Hiermee wordt enerzijds de kwaliteit bewaak en creëren wij anderzijds ruimte voor
werkgevers om – in afwachting van de erkenningsprocedure – buitenslands gediplomeerde
in te zetten.
Zorgbudgetten moeten worden besteed aan de zorg zoals deze in de aanspraken is opgenomen.
Daarbinnen mogen zorgverzekeraars afspraken maken met zorgaanbieders in de zorginkoop.
Daarbij zijn ze wel gehouden aan regelgeving, met name aan de prestatiebeschrijvingen
die de NZa afgeeft. De vraag of er ruimte is om cultuursensitief werken beter te faciliteren
zit voor een deel in de ruimte die prestaties bieden en voor een deel in afspraken
die zorgverzekeraars maken. De zorgverzekeraars en zorgaanbieders zijn zich bewust
van het belang om in te spelen op kenmerken van (groepen van) verzekerden, en dat
belangrijke routes daarbij goede zorginkoop en heldere communicatie zijn.
Tot slot merken de leden van de D66-fractie op dat het onderzoek geen harde conclusies
trekt over verminderd verzuim of personeelstekorten, maar wel positieve signalen afgeeft
over werkplezier en betrokkenheid. Deze leden vragen hoe de Minister voornemens is
deze veelbelovende inzichten verder te onderzoeken en te vertalen naar breder toepasbaar
beleid, zodat ook andere zorgorganisaties hiervan kunnen profiteren.
Momenteel wordt ingezet op het beter ontsluiten en toepassen van bestaande kennis
in de praktijk. Zo worden de inzichten uit het onderzoek onder andere betrokken bij
het project Inclusiviteit in de langdurige zorg, een initiatief van het Nationaal
Netwerk Inclusieve Zorg (NNIZ) waarvoor VWS een subsidie beschikbaar heeft gesteld.
Binnen dit project werken onderzoekers, ervaringsdeskundigen, vertegenwoordigers van
zelforganisaties, medewerkers en praktijkpartners samen in multidisciplinaire teams
aan het vertalen van onderzoekskennis naar acties in de praktijk. Daarbij wordt ook
gebruik gemaakt van andere bestaande instrumenten en handreikingen, zoals die van
Pharos, om organisaties te ondersteunen bij inclusief werken. De inzet is erop gericht
om deze kennis via bestaande netwerken en kanalen breder beschikbaar te stellen, zodat
andere organisaties hiervan kunnen leren en dit kunnen vertalen naar hun eigen praktijk.
Dit gebeurt binnen de huidige middelen en kaders.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de rapporten
«Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professionaliteit
te allen tijde», en de toegezonden kabinetsreactie. Genoemde leden hebben geen verdere
vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de onderzoeksrapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier» en «Professionaliteit te allen tijde». Zij hebben hier nog enkele
vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de ambtsvoorganger van de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de aanbiedingsbrief aangeeft dat de opvolging
naar aanleiding van de kabinetsreactie op de rapporten aan een volgend kabinet wordt
gelaten. Inmiddels is er een nieuw kabinet geïnstalleerd. Welke concrete vervolgacties
zou het kabinet willen nemen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen uit
de drie onderzoeksrapporten? Kan de Minister per rapport op ieder van de aanbevelingen
kunnen aangeven of zij de aanbeveling (volledig of deels) overneemt en welke concrete
vervolgacties daaruit voortvloeien?
In de kabinetsreactie (bijlage 1 bij de aanbiedingsbrief11) heeft het vorige kabinet reeds uiteengezet hoe om wordt gegaan met de aanbevelingen
uit de drie rapporten. Het huidige kabinet onderschrijft de eerder gegeven reactie
en zal opvolging geven aan de in de kabinetsreactie aangekondigde acties.
Genoemde leden maken zich ernstige zorgen over discriminatie en de gevolgen ervan
voor bijvoorbeeld zorgmijdend gedrag. Deelt de Minister deze zorgen? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat de Minister nemen om tegen te gaan dat
mensen zorg gaan mijden wegens (angst voor) ervaringen met discriminatie?
In het coalitieakkoord is aangegeven dat passende zorg ook inclusieve zorg is. Er
wordt door veel partijen hard gewerkt om zorg, welzijn en sport inclusief en gelijkwaardig
te maken voor iedereen. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat het voor het ontvangen
of verlenen van zorg niet uitmaakt wie je bent, waar je vandaan komt, of hoe je eruitziet.
Om gelijkwaardigere toegang tot zorg en ondersteuning van goede kwaliteit te bereiken
dienen zorg- en welzijnsmedewerkers oog te hebben voor de individuele mens achter
de patiënt of cliënt. Zorgmijding is in elk geval een ongewenst verschijnsel.
De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van VWS verschillende acties ondernomen,
ook om het thema bespreekbaar te maken en te agenderen. Zo zijn er bijvoorbeeld vier
focusgroepen met 56 deelnemers georganiseerd met de sectoren huisartsenzorg, ziekenhuiszorg,
begeleid wonen en sport. In deze sessies zijn de bevindingen van het Verian-onderzoek
– waarin zorgmijding werd benoemd – verbonden aan de dagelijkse praktijk en zijn door
de sectoren zelf concrete actiepunten geformuleerd. De focusgroepen vormden daarmee
een praktische basis voor verdere beleidsontwikkeling voor het Ministerie van VWS
en veldpartijen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens graag aandacht willen vragen
voor de gang van zaken, de wettelijke kaders en de financiële regelingen omtrent vruchtbaarheidsbehandelingen
voor niet-heteroseksuele stellen. Zij constateren dat vruchtbaarheidsbehandelingen normaliter
vergoed worden via de basisverzekering bij een medische indicatie. Wegens het ontbreken
van een medische indicatie, komen echter alleenstaande vrouwen of vrouwen met een
vrouwelijke partner niet in aanmerking hiervoor. Middels de subsidieregeling KID (Kunstmatige
Inseminatie met Donorsemen) bestaat echter wel de mogelijkheid voor alleenstaande
vrouwen of vrouwen met een vrouwelijke partner om aanspraak te maken op een vergoeding
van vruchtbaarheidsbehandelingen, zoals IVF. Zou nader toegelicht kunnen worden welke
mogelijkheden, in het bijzonder voor vergoeding, voor vruchtbaarheidsbehandelingen
er bestaan voor bijvoorbeeld alleenstaande mannen of mannen met een mannelijke partner?
Zou nader gereflecteerd kunnen worden op het onderscheid welke gemaakt wordt in de
vergoedingen voor heteroseksuele stellen en niet-heteroseksuele stellen? Zou tevens
nader gereflecteerd kunnen worden op de mate waarin niet-heteroseksuele stellen zich
bewust zijn van deze mogelijkheden en de toegankelijkheid van de bestaande mogelijkheden?
Het klopt dat, in tegenstelling tot de situatie voor vrouwen zonder mannelijke partner,
er voor mannen zonder vrouwelijke partner geen mogelijkheden bestaan voor vergoeding
van vruchtbaarheidsbehandelingen. De situatie voor een vrouw zonder mannelijke partner
is vergelijkbaar met de situatie van een vrouw waarvan de man onvruchtbaar is (waarvoor
de benodigde behandeling uit de zorgverzekering vergoed wordt). Om de zwangerschap
tot stand te brengen bij een vrouw met een kinderwens, is kunstmatige inseminatie
met donorzaad aangewezen; de kosten van de intra uteriene inseminatie (IUI) en het
bijbehorende oriënterend fertiliteitsonderzoek (OFO) worden daarom vergoed op basis
van de KID subsidieregeling12. De situatie voor mannen zonder vrouwelijke partner is echter niet vergelijkbaar
met de situatie voor vrouwen zonder mannelijke partner. Voor mannen zijn er de volgende
mogelijkheden. Er zou gekozen kunnen worden voor gedeeld ouderschap met een lesbisch
koppel, of met een alleenstaande vrouw. In deze situatie kan, omdat er een bekende
donor is en er dus geen gebruik hoeft te worden gemaakt van schaars donorzaad, de
behandeling in eerste instantie plaatsvinden door zelfinseminatie.
Als gedeeld ouderschap met mensen uit de eigen omgeving niet wenselijk of niet mogelijk
is, zijn mannen aangewezen op een draagmoeder. Dit is ingrijpender dan een KID-behandeling
bij een vrouw met eigen kinderwens. In het geval van draagmoederschap moet een vrouw
die zelf geen eigen kinderwens (meer) heeft, een zwangerschap uitdragen en het kind
afstaan. Bovendien geldt dat draagmoederschap op dit moment in Nederland niet in de
wet geregeld is.
Tot slot bestaat in de praktijk vaak de wens om gebruik te maken van IVF-draagmoederschap.
De eicel is dan niet afkomstig van de draagmoeder, zodat deze niet genetisch verwant
is aan het kind; daarbij kan als eiceldonor gekozen worden voor iemand met verwantschap
aan een van de wensouders. Dit zijn echter bijkomende wensen, die niet noodzakelijk
zijn voor de kinderwens op zich.
Er kan immers ook gekozen worden voor laagtechnologisch draagmoederschap, dus door
middel van inseminatie. Omdat er sprake is van een bekende donor, en er daarom geen
gebruik hoeft te worden gemaakt van schaars donorsemen, kan ook in deze situatie de
behandeling plaatsvinden door zelfinseminatie (en hoeft de behandeling niet in de
kliniek plaats te vinden).
Bij het vergoeden van vruchtbaarheidsbehandelingen wordt geen onderscheid gemaakt
op basis van seksuele gerichtheid. Wel worden op grond van de Zorgverzekeringswet
(Zvw) alleen vruchtbaarheidsbehandelingen vergoed wanneer er bij de verzekerde sprake
is van een medische indicatie, dus als sprake is van een aanwijsbare of niet-aanwijsbare
medische reden voor het uitblijven van de zwangerschap. Een vruchtbaarheidsbehandeling
komt niet in aanmerking voor vergoeding uit het basispakket als er geen sprake is
van medische indicatie, maar van andere (biologische of sociale) factoren. Vruchtbaarheidsbehandelingen
voor vrouwen zonder mannelijke partner of mannen zonder vrouwelijke partner worden
dus niet vergoed vanuit de basisverzekering, omdat er geen sprake is van een medische
indicatie voor het uitblijven van de zwangerschap.
Het kabinet is zich ervan bewust dat een onvervulde kinderwens veel leed kan veroorzaken,
of deze nu een medische oorzaak kent, of de oorzaak ligt in het ontbreken van een
partner van de andere sekse. Hoewel in een aantal gevallen ervoor gekozen is om de
medische behandeling ten behoeve van een onvervulde kinderwens te vergoeden, wordt
het in andere gevallen (zoals toegelicht hierboven) niet als proportioneel gezien
om de in de gegeven situatie gewenste zorg collectief te financieren.
Belangenorganisaties zoals Freya, de vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen,
spelen een belangrijke rol bij het delen van informatie over rechten, subsidieregelingen
en praktische stappen rondom vruchtbaarheidsbehandelingen. Zij bieden voorlichting,
geven advies over toegang tot behandelingen en subsidies, en helpen bij vraagstukken
over bijvoorbeeld donorconceptie of draagmoederschap.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat reeds is aangekondigd dat
de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen in zorg, welzijn en sport, afgebouwd
zal worden. Meerdere partijen, waaronder Pharos en de Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme hebben hierover hun zorgen geuit, waarbij zij aangeven dat
de aanpak pas net op gang begon te komen en dat het nog onrijp is voor structurele
inbedding. Dit komt mede doordat zij nog niet toe zijn gekomen aan de implementatie
van oplossingen voor de bestaande gaten in de aanpak van discriminatie binnen de zorg.
Hoe reflecteert de Minister op het feit dat de VWS-brede aanpak desondanks wordt stopgezet?
Herkent de Minister de zorgen en wat is haar reactie hierop? Is de Minister eventueel
bereid het programma in ieder geval te verlengen totdat het wel rijp is voor structurele
inbedding en hierover in gesprek treden met stakeholders? Zo nee, waarom niet? Zo
nee, hoe zorgt de Minister ervoor dat discriminatie in de zorg geagendeerd blijft
en de aanbevelingen uit de rapporten opgevolgd worden?
Tijdens de looptijd van het programma is veel bereikt. Zo is het duidelijker geworden
waar er nog werk aan de winkel is én is er een flinke start gemaakt op het gebied
van bewustwording en maatregelen. Voor een volledig overzicht verwijs ik u naar de
twee voortgangsrapportages van de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen
in zorg, welzijn en sport.13 Nu de vooraf vastgestelde looptijd van het programma is verstreken, zal het Ministerie
van VWS zich blijven inzetten voor inclusieve zorg. Thema’s zullen per beleidsdirectie
binnen het Ministerie van VWS worden opgepakt. Het is dus niet zo dat de inspanningen
op dit thema worden stopgezet. Naast werkzaamheden binnen de reguliere beleidslijnen
is er binnen het ministerie overkoepelend capaciteit beschikbaar om coördinerende
werkzaamheden te verrichten en de samenhang te bewaken. Daarnaast ligt er een rol
voor het veld wat betreft de opgave van passende, inclusieve zorg. Dankzij het programma
zijn hiervoor de juiste verbindingen gelegd, en kunnen we hier nu gezamenlijk verder
aan werken.
Het kabinet concludeert hiermee dat de toezegging, gedaan tijdens de begrotingsbehandeling
van VWS waarin het kabinet aangaf zich te verdiepen in en terug te komen op de VWS-brede
aanpak discriminatie en gelijke kansen, is afgedaan.14
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat er recent in opdracht
van het College voor de Rechten van de Mens onderzoek is verricht naar antidiscriminatiebeleid
bij huisartsenpraktijken. Zij lezen dat hieruit is gebleken dat slechts 5% van de
huisartsenpraktijken een antidiscriminatiebeleid heeft, terwijl een meerderheid vindt
dat organisaties meer moeten doen om discriminatie en ongewenst gedrag tegen te gaan.
Deelt de Minister de mening dat dit zeer verontrustend is? Hoe gaat de Minister de
branche ondersteunen in het ontwikkelen van handreikingen om discriminatie aan te
pakken?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorg voor iedereen toegankelijk is, zonder dat
er op oneigenlijke gronden onderscheid wordt gemaakt. Ook onderschrijft het kabinet
het belang van een veilige en inclusieve werkomgeving voor werknemers in de zorg.
Daarom vindt het kabinet het belangrijk dat de huisartsensector een antidiscriminatiebeleid
heeft en daar ook naar handelt.
Het is primair aan de huisartsensector zelf om beleid te ontwikkelen om discriminatie
tegen te gaan. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) heeft laten weten dat zij
de aanbevelingen uit het rapport ter harte neemt en beziet hoe hier gevolg aan kan
worden gegeven, passend bij de schaal en werkwijze van de huisartsenpraktijk. De LHV
geeft aan dat weinig praktijken expliciet antidiscriminatiebeleid hebben, vanwege
het kleinschalige karakter van de huisartsenpraktijk en dat dit eerder plaats krijgt
in het algemene beleid van de praktijk of in de huisregels.
Vanuit het Sociaal Fonds Huisartsenzorg zijn reeds diverse tools ontwikkeld om huisartsen
te helpen hun praktijk een veilige plek te laten zijn, voor patiënten en medewerkers.
Daarnaast is er informatie beschikbaar over onder meer fysieke toegankelijkheid van
de praktijk, laaggeletterdheid en cultuurverandering en zijn er in de cao-afspraken
gemaakt over veilig werken. De LHV bundelt deze informatie op een aparte webpagina
zodat huisartsen deze goed kunnen vinden en er direct mee aan de slag kunnen. De LHV
onderzoekt daarnaast of bepaalde informatie of ondersteuning ontbreekt, zodat deze
waar nodig kan worden ontwikkeld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier»
en «Professionaliteit te allen tijde». Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie vinden dat iedereen in Nederland moet kunnen rekenen op
goede en veilige zorg. Discriminatie en grensoverschrijdend gedrag horen niet thuis
in de zorg. Tegelijk menen deze leden dat het debat hierover met gevoel voor verhoudingen
gevoerd moet blijven worden. Nederland behoort tot de meest vrije en tolerante landen
ter wereld en die verworvenheid mag niet worden weggezet alsof ons land in de kern
onveilig of structureel vijandig zou zijn.
De leden van de PVV-fractie vinden daarom dat het kabinet moet waken voor een benadering
waarin niet elk ongemak, misverstand of stroef verlopen interactie direct in het zwaarste
morele vakje wordt geplaatst. Hoe voorkomt de Minister dat onder het etiket van bewustwording,
inclusie en cultuursensitiviteit een ideologische laag over de zorg en het welzijnswerk
wordt gelegd?
Vrijheid van levensovertuiging, jezelf kunnen zijn en niet beoordeeld worden op afkomst
vormen de kern van wie wij zijn. Racisme en discriminatie hebben in onze samenleving
geen plek. Dit geldt ook voor de zorg- en welzijnssector. Het met de Kamer gedeelde
onderzoek «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», uitgevoerd door Verian, biedt
inzicht in de wijze, omvang, aanleiding en impact van discriminatie in zorg, welzijn
en sport. Het onderzoek laat zien dat zorgverleners in de praktijk regelmatig te maken
krijgen met discriminatie, onder andere vanuit patiënten en cliënten (maar in vergelijking
nog vaker door de organisatie, regels, leidinggevenden en collegae). Door onder meer
het doen van onderzoek wordt het onderwerp vanuit de inhoud benaderd.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister voorts of zij erkent dat het tegengaan
van discriminatie iets anders is dan het creëren van een cultuur waarin alles als
problematisch wordt gezien. Deelt de Minister de opvatting dat zorgprofessionals vakbekwaam,
duidelijk en weerbaar moeten kunnen handelen, zonder voortdurend bang te hoeven zijn
dat een direct gesprek of praktische afweging later als ongepast wordt bestempeld?
Het kabinet erkent het belang van een professionele werkomgeving waarin zorgverleners
hun werk vakbekwaam en zorgvuldig kunnen uitvoeren. Zij moeten ruimte hebben om in
contact met collega’s en patiënten duidelijke afwegingen te maken en het gesprek aan
te gaan, zonder angst voor onterechte consequenties. Een sociaal veilige werkomgeving
zorgt ervoor dat zorgprofessionals zich durven uit te spreken, elkaar aan durven te
spreken en respectvol met elkaar omgaan. Uit onderzoek blijkt ook dat een sociaal
veilige werkomgeving de kwaliteit van zorg verbetert.15 De inzet op sociale veiligheid is nadrukkelijk niet bedoeld om een cultuur te creëren
waarin professionals voortdurend hun woorden moeten wegen of terughoudend worden in
hun handelen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister onderscheid maakt tussen daadwerkelijke
discriminatie enerzijds en verschillen in beleving, communicatiestijl of interpretatie
anderzijds. Hoe wordt voorkomen dat subjectieve beleving automatisch de status van
objectieve vaststelling krijgt in beleid, meldstructuren en trainingen?
Het kabinet onderschrijft het belang van diversiteitsensitieve zorg, waarbij voor
discriminatie geen ruimte is. In publicaties van Pharos over dit thema staat herhaaldelijk
dat een open en nieuwsgierige houding ten opzichte van je eigen achtergrond en die
van je patiënt en cliënt belangrijk is. Het is aan zorg- en welzijnsinstellingen om
hier uitvoering aan te geven in beleid, meldstructuren en trainingen.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat een sterke focus
op discriminatie en microagressies leidt tot wantrouwen tussen collega’s, tussen zorgverlener
en patiënt en binnen instellingen. Hoe wordt geborgd dat zorgprofessionals hun tijd
kunnen blijven besteden aan zorg, in plaats van aan het voortdurend wegen van woorden?
De inzet op sociale veiligheid is nadrukkelijk niet bedoeld om een cultuur te creëren
waarin professionals voortdurend hun woorden moeten wegen of terughoudend worden in
hun handelen. De interventies en instrumenten – zoals het handvat van Movisie16 – zijn praktisch en sluiten aan bij de realiteit van zorgprofessionals en leiden
niet tot extra regeldruk. Het uitgangspunt is dat de beschikbare tijd zoveel mogelijk
besteed wordt aan het leveren van goede zorg. Het kabinet ziet het versterken van
sociale veiligheid als ondersteunend en niet als belemmerend omdat het juist leidt
tot een veiligere en respectvollere werk- en zorgomgeving, betere samenwerking, minder
uitval en betere kwaliteit van zorg.
De leden van de PVV-fractie lezen dat zorgverleners in de praktijk vooral te maken
krijgen met discriminatie door patiënten en dat sommige patiënten hulp weigeren van
een zorgverlener van het andere geslacht. Kan de Minister aangeven hoe vaak dit voorkomt,
in welke sectoren dit speelt en in hoeverre daarbij ook sprake is van mannelijke patiënten
die vrouwelijke artsen of andere vrouwelijke zorgverleners weigeren? Kan de Minister
tevens aangeven welke norm hierbij geldt en hoe zorginstellingen hiermee omgaan?
Uit het onderzoek uitgevoerd door Verian blijkt dat ook discriminatie vanwege geslacht
voorkomt. Dit wordt in het onderzoek niet gekwantificeerd. Wel geeft Verian aan dat
in de kwalitatieve verdieping respondenten hun ervaringen uitgebreider hebben toegelicht.
In deze verdiepende interviews en open antwoorden zijn voorbeelden naar voren gekomen
van patiënten die zorg of hulp weigeren van een zorgverlener van het andere geslacht.
De kwalitatieve verdieping laat tegelijk zien dat discriminatie op grond van geslacht
zich breder voordoet dan alleen in de vorm van zorgweigering. Er worden bijvoorbeeld
ook situaties beschreven waarin vrouwelijke verpleegkundigen met seksistische opmerkingen
worden geconfronteerd, waarin hun professionaliteit ter discussie wordt gesteld, of
waarin hun inbreng minder serieus wordt genomen in verhouding tot mannelijke collega’s.
Het gaat dus om meerdere vormen van gendergerelateerde discriminatie, waarvan weigering
van zorgverlening er één is.
Het kabinet vindt het onacceptabel dat zorgverleners te maken krijgen met discriminatoire
uitingen van patiënten of hun naasten en erkent dat het een grote impact kan hebben
op medewerkers en het werkklimaat. Zorgverleners moeten hun werk veilig en met respect
kunnen uitvoeren. Als iemand zich toch discriminerend uitlaat kunnen zorginstellingen
maatregelen nemen. Zo kunnen zij gedragsregels opstellen en kenbaar maken, het gesprek
aangaan met patiënten of naasten, waarschuwingen geven of hardere maatregelen treffen
zoals het overdragen of beëindigen van de zorgrelatie. Dit laatste moet altijd gebeuren
binnen de kaders van de zorgplicht en geldende wet- en regelgeving.
Het kabinet vindt het van belang dat instellingen duidelijk zijn over wat wel en niet
acceptabel is, en dat medewerkers worden gesteund wanneer zij met dit soort situaties
te maken krijgen. Tegelijk moet noodzakelijke zorg altijd doorgaan. Daarom moet per
situatie goed worden gekeken wat passend is.
De leden van de PVV-fractie delen de opvatting dat zorgverleners niet geweigerd mogen
worden omdat zij man of vrouw zijn. De professionele standaard moet leidend zijn.
Culturele of religieuze voorkeuren van patiënten of familie mogen hierin nooit leidend
zijn. Deelt de Minister deze opvatting?
In het coalitieakkoord staat dat passende zorg ook inclusieve zorg is. Dat betekent
dat situaties altijd om maatwerk vragen. Zo heeft de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij
tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) een standaard opgesteld met betrekking tot
vrije artsenkeuze voor de curatieve sector. Daarin wordt gesteld dat een instelling
alleen aan het verzoek voor een zorgverlener met een bepaalde sekse moet voldoen als
de patiënt dit tijdig (bij het maken van een afspraak) aangeeft. In spoedsituaties
zijn de keuzemogelijkheden van de patiënt veel beperkter, of niet aanwezig (bron:
Standpunt KNMG over vrije artsenkeuze, Utrecht, 7 februari 2008). Vanuit het Ministerie
van VWS zijn de afgelopen jaren op meerdere manieren gesprekken gefaciliteerd en bijeenkomsten
georganiseerd om verder handvatten te bieden voor passende en inclusieve zorg.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts welke mogelijkheden zorginstellingen hebben
om op te treden tegen patiënten of naasten die zich discriminerend uitlaten tegenover
zorgverleners. Welke maatregelen en sancties kunnen worden ingezet, en vindt de Minister
dat instellingen hierin duidelijker grenzen moeten stellen?
Het kabinet vindt het onacceptabel dat zorgverleners te maken krijgen met discriminatoire
uitingen van patiënten of hun naasten en erkent dat het een grote impact kan hebben
op medewerkers en het werkklimaat. Zorgverleners moeten hun werk veilig en met respect
kunnen uitvoeren. Als iemand zich toch discriminerend uitlaat kunnen zorginstellingen
maatregelen nemen. Zo kunnen zij gedragsregels opstellen en kenbaar maken, het gesprek
aangaan met patiënten of naasten, waarschuwingen geven of hardere maatregelen treffen
zoals het overdragen of beëindigen van de zorgrelatie. Dit laatste moet altijd gebeuren
binnen de kaders van de zorgplicht en geldende wet- en regelgeving.
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat veel zorgorganisaties al beschikken over
gedragscodes en meldstructuren, maar dat het in de praktijk schort aan implementatie
en handhaving. Waarom kiest het kabinet dan opnieuw vooral voor handvatten en kennisdeling,
in plaats van het versterken van handhaving en het stellen van duidelijke normen?
Het kabinet herkent dat veel zorgorganisaties al gedragscodes en meldstructuren hebben,
maar dat de toepassing in de praktijk beter kan. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat
het vraagstuk van discriminatie in de zorg niet uitsluitend kan worden opgelost met
verscherpte handhaving. In veel gevallen zijn de formele kaders aanwezig, maar vraagt
effectieve toepassing om verandering in cultuur, leiderschap en handelingsbekwaamheid
van professionals en organisaties. Juist daar ligt in de praktijk vaak de grootste
opgave. Om die reden zet het kabinet in op het versterken van de implementatie, onder
meer via kennisdeling en praktische handvatten. Dit richt zich juist op het versterken
van normstelling binnen de eigen organisaties en toepassing in het dagelijks handelen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat in de kabinetsreactie vooral wordt verwezen
naar bestaande trajecten en vervolgprocessen, terwijl concrete maatregelen beperkt
blijven. Kan de Minister aangeven welke concrete stappen inmiddels zijn gezet, welke
maatregelen nog volgen en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van VWS verschillende acties ondernomen,
ook om het thema bespreekbaar te maken en te agenderen, zoals het organiseren van
conferenties en rondetafelgesprekken, het opzetten van een ervaringsdeskundigenpanel,
verschillende ZonMw-programma’s en het uitzetten van een veelvoud aan agenderende
onderzoeken. Voor een volledig overzicht verwijs ik u naar de twee voortgangsrapportages
van de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen in zorg, welzijn en sport.17 In de kabinetsreactie (bijlage 1 bij de aanbiedingsbrief bij de drie rapporten18) heeft het vorige kabinet uiteengezet hoe om wordt gegaan met de aanbevelingen uit
de drie rapporten. Het huidige kabinet onderschrijft de eerder gegeven reactie en
zal opvolging geven aan de in de kabinetsreactie aangekondigde acties. Daarnaast heeft
de NCDR recentelijk een advies uitgebracht wat betreft discriminatie in de zorg. Het
kabinet zal een reactie hierop na de zomer aan de Kamer sturen.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister bereid is de Kamer concreet
te informeren over de aard en omvang van discriminatie van zorgverleners, de opvolging
van meldingen en de effectiviteit van de ingezette maatregelen.
Het kabinet erkent het belang van goed inzicht in discriminatie op de werkvloer in
de zorg. De aard en omvang van discriminatie van zorgverleners is te vinden in de
drie onderzoeken.
Ten aanzien van de opvolging van meldingen geldt dat dit primair de verantwoordelijkheid
is van zorgorganisaties als werkgever. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren
van een veilige werkomgeving, het inrichten van passende meldstructuren en het zorgvuldig
opvolgen van signalen en meldingen van medewerkers. Het kabinet ziet tegelijkertijd
dat dit in de praktijk nog niet altijd voldoende gebeurt. Daarom wordt ingezet op
het ondersteunen van werkgevers bij het versterken van hun aanpak, onder andere via
kennisdeling en praktische instrumenten, zoals de door Movisie ontwikkelde toolkit
gericht op het herkennen van en handelen bij discriminatie op de werkvloer.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie van
de Minister op de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde». Genoemde leden hebben op
dit moment geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Reactie op verzoek
commissie over de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal
mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde». Genoemde leden hebben geen
vragen aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken
en wachten de reactie van de Minister met belangstelling af.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier