Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Claassen over de positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel
Vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel (ingezonden 9 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 28 mei
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1812.
Vraag 1
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement
in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende
mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde,
maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren
preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel
opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks
worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde
aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
Antwoord 2
We hanteren in ons zorgstelsel een vaste volgorde: we kijken eerst of een behandeling
of advies tot het verzekerde pakket behoort (de aanspraak). Pas als iets wettelijk
verzekerde zorg is, wordt er gekeken naar de manier van betalen (de bekostiging).
De Zorgverzekeringswet (Zvw) is een individuele schadeverzekering: vergoeding is alleen
mogelijk bij noodzakelijke zorg vanwege ziekte of een verhoogd individueel medisch
risico door de aanwezigheid van medische risicofactoren. Bij longeviteitsinterventies
is er geen sprake van noodzakelijke geneeskundige zorg en het behoort daarom niet
tot het verzekerde pakket. Er is dus is geen aanspraak op deze zorg.
In het kader van de Zvw wordt individuele preventie vergoed als het geïndiceerde en/of
zorggerelateerde preventie betreft. Voorbeelden hiervan zijn onder meer het programma
stoppen met roken, de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) en risicogerichte screening.
Longeviteitsinterventies richten zich echter op gezonde mensen die gezond willen blijven.
Het kabinet juicht dit toe en zet zich op andere manieren hiervoor in, o.a. via bredere
preventie1.
Voor zorg die buiten het verzekerde pakket valt, geldt dat deze in de private sfeer
kan worden aangeboden. In dat geval zijn zorgaanbieders in beginsel vrij om hun eigen
tarieven vast te stellen en hierover afspraken te maken met patiënten.
Vraag 3
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd
in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland?
Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen
op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit
de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
Antwoord 3
In Nederland maken preventie en leefstijl reeds onderdeel uit van medische (vervolg)opleidingen
en nascholing. Er bestaat echter geen apart erkend vakgebied longeviteitsgeneeskunde.
Veldpartijen en opleiders gaan zelf over de inhoud van de opleidingen. Het curriculum
moet aansluiten op de toekomst, en dat geven zij zelf vorm.
Vraag 4
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde
interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake
is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels
ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische
richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg,
zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Antwoord 4
Het kabinet is zich ervan bewust dat binnen de longeviteitsgeneeskunde interventies
worden toegepast bij mensen zonder vastgestelde aandoening, terwijl een standaard
van zorg op dit terrein nog ontbreekt. De overheid stelt zelf geen medische standaarden
op, maar regelt de voorwaarden voor kwaliteit van zorg. Op grond van de Wet kwaliteit,
klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het
leveren van kwalitatief goede en veilige zorg. Daarnaast is het aan de betrokken organisaties
van zorgverleners, (vaak) samen met cliëntenorganisaties en zorgverzekeraars, om in
de professionele standaard of kwaliteitsstandaarden vast te leggen wat goede zorg
is.
Vraag 5
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse
bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging
of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen
in Denemarken en Finland.
Antwoord 5
Het kabinet ziet geen reden om te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg
een structurele plek kan krijgen binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek. Zoals
hierboven aangegeven valt longeviteitsgerichte preventiezorg niet onder de reikwijdte
van de Zvw omdat geen sprake is van noodzakelijke geneeskundige zorg. Alleen als sprake
is van een aanspraak in de zin van de Zvw, kan over de vorm van bekostiging worden
nagedacht. Het Ipsos-rapport geeft overigens ook aan dat standaarden en evidence nog
ontbreken.
Vraag 6
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken
van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde
en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt
u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te
waarborgen?
Antwoord 6
Het Ipsos-rapport signaleert dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken
van een vergoedingsstructuur, ontwikkelt buiten het reguliere zorgstelsel. Dit is
een logisch gevolg van het feit dat deze zorg niet voldoet aan de criteria voor collectieve
vergoeding binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), namelijk dat sprake moet zijn van
medisch noodzakelijke zorg. Dit brengt met zich mee dat bepaalde vormen van zorg alleen
toegankelijk zijn voor mensen die deze kosten zelf dragen. Tegelijkertijd geldt dat
binnen een solidair zorgstelsel niet alles collectief kan worden vergoed. Juist het
maken van scherpe keuzes is noodzakelijk om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en
solidariteit van het stelsel als geheel te waarborgen.
Het kabinet zet in op brede toegankelijkheid van bewezen effectieve preventie, bijvoorbeeld
via:
– De Samenhangende preventiestrategie
– Wet publieke gezondheid
– Het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA)
Vraag 7
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed
in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord
en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Het kabinet richt zich niet als zodanig op longeviteitsgerichte preventiezorg. Wel
zet het kabinet in op brede toegankelijkheid van bewezen effectieve preventie. Hiervoor
verwijs ik graag naar de beleidsbrief VWS van 24 april 20262.
Vraag 8
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen
en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde
te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte
preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk
onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 8
Hoewel het Ipsos-rapport wijst op een groeiende belangstelling, benadrukt het ook
dat het veld nog in ontwikkeling is en dat standaarden en evidence ontbreken. Om die
reden is het kabinet niet voornemens een aparte Nationale Strategie te ontwikkelen.
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere
Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar
grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology
Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum
voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische
veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel
kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
Antwoord 9
De inrichting van onderzoeksprogramma’s en de positionering van specifieke kennisinstellingen
of samenwerkingsverbanden als nationaal expertisecentrum is in de eerste plaats aan
de betrokken kennisinstellingen zelf. Universiteiten en universitair medische centra
hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid om strategische samenwerkingen aan te
gaan, onderzoeksagenda’s vorm te geven en consortia te ontwikkelen.
Voor de financiering van wetenschappelijk onderzoek bestaan in Nederland verschillende
instrumenten, waaronder competitieve onderzoeksprogramma’s van de Nederlandse Organisatie
voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), ZonMw en Europese onderzoeksfondsen. Onderzoeksinstellingen
kunnen binnen deze kaders voorstellen indienen.
Het Ministerie van VWS heeft geen directe rol in het aanwijzen of inrichten van specifieke
nationale expertisecentra op het terrein van longeviteitsgeneeskunde. Wel blijft het
kabinet via de bredere kennis- en innovatieagenda’s aandacht houden voor ontwikkelingen
die kunnen bijdragen aan gezondheid, kwaliteit van leven en toekomstbestendige zorg.
Daarbij is het van belang dat wetenschappelijke inzichten hun weg vinden naar de praktijk
via bestaande samenwerkingsstructuren tussen onderzoek, zorg en maatschappelijke partners.
Vraag 10
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde,
waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand
van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties
en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
Antwoord 10
In bovenstaande beantwoording is uiteengezet hoe gekeken wordt naar de positie van
longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel. Als de Kamer besluit een briefing
te organiseren over dit onderwerp dan is het kabinet uiteraard bereid om nadere toelichting
te geven.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.