Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Synhaeve, Van der Werf over het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang
Vragen van de leden Synhaeve en Van der Werf (beiden D66) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang (ingezonden 23 april 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 27 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nrs. 1894 en 1902.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang,
scholen springen bij»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de
juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen
en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Antwoord 2
Kinderen die heftige dingen hebben meegemaakt kunnen getraumatiseerd zijn. Het is
inderdaad zo dat de impact van een trauma zowel korte- als lange termijn gevolgen
kan hebben. Het is belangrijk dat kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke
opvang toegang hebben tot zorg als dat nodig is.
Vraag 3
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk
gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang
tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink,
vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Antwoord 3
Het rapport van Lenferink heeft geleid tot een keerpunt in de wijze waarop kinderen
in de vrouwenopvang worden benaderd. Waar zij voorheen veelal werden beschouwd als
meekomende gezinsleden van hun moeder, maakt Lenferink inzichtelijk dat kinderen zelfstandige
slachtoffers zijn van huiselijk geweld, met eigen rechten en een eigen hulpvraag.
Op basis van het rapport is in 2019 het normenkader «Kinderen in de opvang» opgesteld.
Dit normenkader is later opgegaan in het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang»
en gaat over alle cliënten in de vrouwenopvang, dus ook kinderen. Dit normenkader
omschrijft de standaarden waar de opvanginstelling aan moet voldoen om het «Keurmerk
Veiligheid in de Vrouwenopvang» te mogen voeren.
De veiligheid van kinderen wordt op basis van het normenkader niet langer uitsluitend
indirect benaderd via de ouder, maar expliciet en systematisch beoordeeld. Hulpverleners
brengen per kind de risico’s in kaart en treffen maatregelen om zowel de veiligheid
te waarborgen.
De inzet is dat kinderen doorgaans een eigen hulpverleningsplan en begeleiding ontvangen
die aansluit bij hun specifieke behoeften. Deze ontwikkeling heeft geleid tot een
meer systematische en doelgerichte inzet van hulp, wat bijdraagt aan het herstel en
welzijn van kinderen. Kanttekening hierbij is dat, waar het nieuwsbericht ook aan
refereert, in de praktijk deze hulpverlening voor kinderen niet altijd tijdig op gang
komt.
Het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» vervult in deze ontwikkeling een
cruciale rol. Het rapport van Lenferink beschrijft de noodzakelijke veranderingen
en het normenkader heeft deze inzichten vertaald naar concrete, toetsbare normen voor
de praktijk.
Dit laat onverlet dat in de praktijk de hulpverlening voor kinderen niet altijd goed
op gang komt. Dit vind ik niet wenselijk. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over
maatregelen om de samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat knelpunten in
de intergemeentelijke samenwerking worden voorkomen en de hulpverlening aan kinderen
waar nodig goed op gang komt. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief
Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Vraag 4
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd
zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met
normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten
als richting opvangorganisaties?
Antwoord 4
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet verplicht om veilige opvang
te bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het keurmerk
is een middel om veiligheid te concretiseren. Het normenkader is niet wettelijk afdwingbaar.
Wel kunnen gemeenten bij de inkoop aan de opvanginstelling de eis stellen om het normenkader
te hanteren. Het normenkader kan daarmee leiden tot een kwaliteitsverbetering. Maar
gemeenten zijn vrij om hierin andere keuzes te maken.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en
maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen
dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en
aanspraak kunnen maken op zorg?
Antwoord 5
Kinderen die in Nederland verblijven kunnen aanspraak maken op jeugdhulp als zij dat
nodig hebben. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Dat geldt ook voor kinderen
die verblijven in de vrouwenopvang of in de maatschappelijke opvang. Juist voor deze
kwetsbare groep kinderen is het belangrijk dat passende jeugdhulp wordt ingezet. Mede
naar aanleiding van de motie Van den Hil (Kamerstuk 29 325, nr. 185) heb ik met verschillende partijen waaronder VNG, Valente en Jeugdzorg Nederland
onderzocht waar de knelpunten zitten. Gebleken is dat knelpunten zich voordoen op
de intergemeentelijke samenwerking. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen
om deze samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat deze kinderen passende
hulp ontvangen. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor
de zomer ontvangt.
Vraag 6
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden
kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg
ook daadwerkelijk krijgen?
Antwoord 6
Het klopt dat een deel van deze kinderen jeugdzorg nodig heeft. Gemeenten zijn hiervoor
verantwoordelijk. Zoals ik in antwoord op vraag 5 heb aangegeven, doen zich soms knelpunten
in de intergemeentelijke samenwerking voor. Ik ben met de VNG in gesprek om dit te
verbeteren.
Vraag 7
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte
zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang,
waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding,
en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor
beschikbaar is?
Antwoord 7
Passende zorg voor kinderen binnen de vrouwenopvang en maatschappelijk opvang valt
binnen het kader van de Jeugdwet. In de Jeugdwet is geregeld dat gemeenten verantwoordelijk
zijn voor de uitvoering en inkoop van jeugdzorg. Gemeenten krijgen hiervoor middelen
uit het Gemeentefonds. Deze generieke manier van financieren via het gemeentefonds
betekent inderdaad dat hiervoor geen structureel budget per kind te identificeren
is. Wat nodig is varieert ook per kind.
Binnen het onderwijs hebben scholen een zorgplicht voor alle kinderen en zorgt het
samenwerkingsverband passend onderwijs er, samen met de aangesloten schoolbesturen,
voor dat er voor alle kinderen en jongeren zo passend mogelijk onderwijs en ondersteuning
is. Ook voor kinderen in de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Naast deze (extra)
onderwijsondersteuning, is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp. Daarnaast
kunnen ook brugfunctionarissen3, de jeugdgezondheidszorg en professionals van lokale teams kinderen (en ouders) ondersteunen.
Het is daarom van belang dat onderwijs en gemeenten goede afspraken maken over de
samenhangende inzet van onderwijsondersteuning en jeugdhulp.
Vraag 8
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen,
zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
Antwoord 8
De financiering van jeugdzorg is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten
krijgen hiervoor middelen van de Rijksoverheid via het Gemeentefonds.
Vraag 9
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging
of uitstel van noodzakelijke zorg?
Antwoord 9
Het klopt dat het naar elkaar wijzen van gemeenten kan leiden tot vertraging of uitstel
van de noodzakelijk zorg. Ik vind dit niet wenselijk. Op dit moment wordt in samenwerking
met de VNG gekeken op welke wijze de intergemeentelijke samenwerking verbeterd kan
worden. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer
ontvangt.
Vraag 10
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische
zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen
waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg
via motie Synhaeve c.s.?4
Antwoord 10
Ik heb recentelijk geen signalen ontvangen dat slachtoffers van huiselijk geweld zorg
mijden uit angst dat ouders of partners via de zorgverzekeraar hun gegevens kunnen
achterhalen. Naar aanleiding van de motie heeft overleg plaatsgevonden met Valente
en Zorgverzekeraars Nederland om de bestaande regelingen voor gegevensafscherming
van kwetsbare personen in kaart te brengen. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in
de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die ik voornemens ben voor
het zomerreces te versturen.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.