Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Bikker en Ellian over het bericht ‘Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in’
Vragen van de leden Bikker (ChristenUnie) en Ellian (VVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in» (ingezonden 8 april 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 27 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1801.
Vraag 1
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft
geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van
Hitler?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland
heeft?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3, 4 en 5
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest
de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest
van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden
gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt
van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering
is overgegaan?
Antwoord 3, 4 en 5
De vrijheden binnen onze democratische rechtsorde zijn een groot goed, waarin fundamentele
grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, centraal staan. Hierbij hoort ruimte
te zijn voor het openbare debat, kritiek en vormen van activisme binnen de wettelijke
kaders. Waar deze grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij gedragingen die de
democratische rechtsorde ondermijnen of een gevaar vormen voor de openbare orde of
nationale veiligheid, dient opgetreden te worden. Het kabinet blijft zich onverminderd
inzetten om de fundamentele waarden van onze samenleving te waarborgen en te beschermen.
Onderdeel hiervan is het weren van extremistische vreemdelingen die een bedreiging
vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, door hen de toegang tot Nederland
te ontzeggen dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen.
Onder de bevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie is de besluitvorming voor
toegangsweigering aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien het visumplichtige
derdelanders betreft, ligt de bevoegdheid bij de Minister van Buitenlandse zaken.
Ten behoeve van deze taakuitoefening is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid (NCTV) door de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Buitenlandse
Zaken gemachtigd om door het gebruik van publiek online openbare bronnen persoonsgegevens
te verwerken, met als doel extremistische vreemdelingen te kunnen duiden.
Hierbij wordt bezien of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale
veiligheid.2 Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van andere vormen van beschikbare informatie,
bijvoorbeeld van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdiensten of van het lokaal
bestuur. Indien er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde of de nationale
veiligheid kan een vreemdeling worden geweerd door een visum te weigeren, de vreemdeling
in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) te signaleren voor grensweigering en, waar
aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een ongewenstverklaring dan wel een
inreisverbod op te leggen.
Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft voor visumvrije vreemdelingen de Electronic Travel
Authorisation (ETA) ingevoerd. Visumvrije personen die geen ETA krijgen, kunnen een
visumaanvraag indienen als zij toch het VK willen inreizen. Indien de visumaanvraag
geweigerd wordt, dan mag de vreemdeling het VK niet inreizen. Nederland kent een ander
systeem. Visumvrije vreemdelingen mogen in beginsel zonder voorafgaande toestemming
Nederland inreizen, tenzij er wordt vastgesteld dat niet aan de toegangsvoorwaarden
wordt voldaan. Het weren van vreemdelingen die extremistisch gedachtegoed uitdragen,
gebeurt in lijn met het toetsingskader rondom het weren van extremistische vreemdelingen.3
Zoals benoemd tijdens het debat Taskforce Antisemitismebestrijding op 21 april jl.
wordt momenteel bezien wat binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is ten aanzien
van deze casus.
Vraag 6
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen
het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke
veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
Antwoord 6
In algemene zin geldt dat de beoordeling van eventuele veiligheidsrisico’s en maatschappelijke
spanningen, evenals de besluitvorming over het al dan niet doorgaan van het evenement
en de te treffen maatregelen, primair bij de lokale autoriteiten ligt, in het bijzonder
de burgemeester als bevoegd gezag.
De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te
beperken vanwege het verbod op censuur. Het vooraf verbieden van een optreden is daarom
alleen mogelijk als er aantoonbaar sprake is van ernstige wanordelijkheden of een
concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Wanneer daarvan geen sprake
is, kunnen lokale overheden hun zorgen bespreken met de uitbater van de locatie. Het
is vervolgens aan de uitbater om ervoor te zorgen dat extremistische boodschappen
geen podium krijgen.
Vraag 7
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid
tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van
extremisme tegen te gaan?
Antwoord 7
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht in Nederland en vormt een
belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. De vrijheid van meningsuiting
is echter niet onbeperkt; wanneer strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld
in geval van haatzaaien, discriminatie of het aanzetten tot geweld, kan strafrechtelijk
worden opgetreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval
te bepalen of een bepaalde uiting een strafbaar feit oplevert en of strafrechtelijke
vervolging opportuun is. Het uiteindelijke oordeel daarover, mede in het licht van
de vrijheid van meningsuiting, is aan de rechter.
Het tegengaan van extremisme is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid.
In de Nationale Extremismestrategie 2024–2029 is onderkend dat extremistische aanjagers
boodschappen kunnen verspreiden die een dreiging kunnen vormen voor de openbare orde
of de nationale veiligheid. De aanpak hiervan vraagt om maatwerk, waarbij – afhankelijk
van de aard, het bereik en het effect van de uitingen – verschillende instrumenten
kunnen worden ingezet. Afhankelijk van de precieze inhoud van een (extremistische)
boodschap is een strafrechtelijke aanpak mogelijk.
Het kabinet zet echter niet alleen in op een strafrechtelijke aanpak, maar ook op
het eerder herkennen en duiden van extremistische dreigingen. Dat gebeurt onder meer
door gerichte informatie- en kennisuitwisseling tussen betrokken partners te versterken.
Zo kunnen signalen van radicalisering en extremistische dreiging tijdig worden gedeeld,
beter worden beoordeeld en waar nodig leiden tot passende maatregelen. Het doel van
de inzet is het beperken van de groei van extremistische groepen, het tegengaan van
verspreiding ervan en daarmee het bestrijden van de dreiging voor de democratische
rechtsorde. De mate van de dreiging bepaalt de inzet.
Tegelijkertijd vindt deze inzet plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat,
waarbij grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het uitgangspunt blijven,
maar niet onbegrensd zijn. Daarom wordt steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen
van de openbare orde en nationale veiligheid enerzijds en het waarborgen van het recht
op vrijheid van meningsuiting anderzijds.
Vraag 8
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om
op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen
aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Antwoord 8
Antisemitische uitingen en gedragingen raken niet alleen de veiligheid en vrijheid
van Joodse gemeenschappen, maar staan ook haaks op de fundamentele waarden van de
democratische rechtsstaat. Het kabinet treedt daarom stevig op tegen antisemitisme.
Tegelijkertijd dient onderscheid te worden gemaakt tussen antisemitisme als fenomeen
en extremistische ideologieën. Antisemitisme vormt op zichzelf geen afzonderlijke
extremistische ideologie, maar kan wel onderdeel zijn van of versterkend werken binnen
verschillende extremistische stromingen.
Ten aanzien van personen die een extremistische ideologie aanhangen kan ik het volgende
zeggen. Voor mensen die naar Nederland willen komen om hier extremistisch gedachtegoed
te verspreiden, en zodoende een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid,
is geen plaats. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven.
Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed
tegen te gaan.
Het bestaande juridische instrumentarium biedt toereikende mogelijkheden om op te
treden tegen extremistische uitingen en gedragingen. Daarbij kan op verschillende
wijzen worden ingegrepen, te weten op lokaal niveau of door inzet van het vreemdelingenrecht
of het strafrecht.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester
op lokaal niveau besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken
of te verbieden. Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen
over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken. Het is
aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hem geen podium
krijgen.
Daarnaast kan op vreemdelingrechtelijk niveau de toegang tot Nederland worden geweigerd
door een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem
(SIS III) worden opgelegd, uiteraard indien een individuele casus voldoet aan de criteria
die voor toepassing van dergelijke maatregelen gelden. Deze maatregelen vallen binnen
de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie.
Bij het plegen van strafbare feiten, zoals uitingen die aanzetten tot haat, geweld
of discriminatie of die bijvoorbeeld opruiing of groepsbelediging opleveren, is strafrechtelijk
optreden in individuele gevallen mogelijk. Dit is aan het Openbaar Ministerie om te
bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Dit scala aan instrumenten maakt het mogelijk om in verschillende fasen en via verschillende
routes effectief op te treden.
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.