Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Houwelingen over kinderdagcentra
Vragen van het lid Van Houwelingen (FVD) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over kinderdagcentra (ingezonden 19 mei 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 26 mei 2026).
Vraag 1 en 2
Hoeveel kinderen staan op dit moment op een wachtlijst voor een kinderdagcentrum (KDC)
in elk van de vier grote steden? Is dit aantal de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Hoe lang moet een kind gemiddeld ongeveer wachten op een plek in een KDC in elk van
de vier grote steden? Is deze wachttijd de afgelopen jaren toegenomen? Zo ja, hoe
komt dit?
Antwoord 1 en 2
Deze gegevens zijn mij niet bekend. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren
van jeugdhulp. Inzicht in wachttijden gebeurt dus in eerste instantie op gemeentelijk
en regionaal niveau. Met de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (regio-indeling)
worden knelpunten bij contractering van specialistische jeugdzorg aangepakt. Dit kan
bijdragen aan de aanpak van wachttijden. Daarnaast moeten gemeenten in hun regiovisie
aangeven hoe ze werken aan de aanpak van wachttijden en hoe ze met elkaar maximaal
aanvaardbare wachttijden formuleren (en daarmee het goede gesprek voeren). Vanuit
het programma Standaardisatie van de Hervormingsagenda Jeugd wordt in een project
gewerkt aan landelijke kaders om wachttijden op landelijk niveau in beeld te kunnen
brengen.
Uit een landelijke uitvraag van Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), onder
aangesloten KDC’s, blijkt dat er in veel regio’s wachttijden voor dagbehandeling op
een KDC zijn ontstaan. Zoals beschreven in de beleidsreactie Druk op de keten1, leidt schaarste in de keten tot opwaartse druk. Bijvoorbeeld: Door een gebrek aan
passende lichtere vormen van aanbod (bijvoorbeeld door extra ondersteuning in de kinderopvang
aan te bieden) wordt er gebruikgemaakt van het zwaardere, specialistische aanbod (KDC’s),
waardoor daar wachttijden ontstaan. Daarnaast zijn er knelpunten bij de uitstroom
naar (speciaal) onderwijs, waardoor kinderen soms langer dan noodzakelijk op het KDC
verblijven.
Vraag 3
Hoe heeft het aantal (operationele) KDC-plekken in elk van deze vier gemeenten zich
de afgelopen jaren ontwikkeld? Is het aantal operationele (waarvoor dus ook de benodigde
zorgmedewerkers beschikbaar zijn) KDC-plekken de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Indien er sprake is van een afname, waardoor wordt dit veroorzaakt?
Antwoord 3
Deze gegevens zijn mij niet bekend. Uit de landelijke uitvraag van VGN, onder aangesloten
KDC’s, blijkt dat het aantal KDC-plekken de afgelopen jaren is toegenomen.
Vraag 4
Is u bekend dat de wachttijd voor een KDC-plek in Den Haag inmiddels twee jaar is2?
Antwoord 4
Ja.
Vraag 5
Bent u ermee bekend dat Jeugdhulp Haaglanden een wachttijd voor een KDC-plek van meer
dan 90 dagen als «schadelijk» definieert?3 Bent u het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Een lange wachttijd kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Dit is
niet direct oplosbaar, maar ik vind het goed dat jeugdhulp Haaglanden een duidelijke
stip op de horizon zet om de wachttijden terug te dringen door een concrete norm te
stellen.
Vraag 6
Kan een KDC-wachttijd van twee jaar ertoe leiden dat een kind niet op tijd «schoolbaar»
is waardoor het geen (speciaal) onderwijs kan ontvangen zodra het kind de leerplichtige
leeftijd heeft bereikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie is hiervoor (primair) verantwoordelijk
en welke rol ziet u voor zichzelf weggelegd om te voorkomen dat (leerplichtige) kinderen
geen onderwijs kunnen ontvangen en thuis komen te zitten omdat ze niet op tijd «schoolbaar»
zijn vanwege een gebrek aan KDC-plekken zijn?
Antwoord 6
Met een dergelijk lange wachttijd krijgen kinderen niet tijdig hulp, waardoor problemen
groter kunnen worden. Het is van belang om te benadrukken dat ik mij, samen met mijn
collega’s van SZW en OCW, wil richten op het voorkomen van problemen, waarbij er nadrukkelijk
meer aandacht is voor de sociale context van een kind.
Om toeleiding naar een KDC te voorkomen is het van belang in te zetten op versterking
van het systeem om het kind heen, waaronder de ouders. Zo kunnen gemeenten inzetten
op de ketenaanpak Kansrijke Start om (toekomstige) gezinnen, in een kwetsbare situatie,
vanuit hun hulpbehoefte tijdig en passende ondersteuning en zorg krijgen aangeboden
tijdens de eerste 1.000 dagen van een kind.
Ook kunnen gemeenten bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse
educatie, waardoor vroegtijdig kan worden ingezet op het stimuleren van de ontwikkelingskansen
van kinderen. De gezamenlijke visie van VWS, OCW en SZW is dat we inzetten op zoveel
mogelijk inclusieve oplossingen, waardoor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte,
binnen de reguliere kinderopvang en het onderwijs, passend worden ondersteund. Het
uitbouwen van speciaal aanbod (zoals KDC’s) voor individuele kinderen is daarmee niet
het ultieme doel. Hier stappen in zetten is niet alleen een opgave voor de Rijksoverheid.
Er ligt een belangrijke opgave bij de gemeenten, de kinderopvang, onderwijs, jeugd(gezondheids-)zorg, opleidingen en professionals. De vier grote steden zijn dan ook actief bezig
met getransformeerde inclusieve en wijkgerichte voorzieningen voor jonge kinderen
in samenwerking tussen kinderopvang4, onderwijs en jeugdhulp5.
Vraag 7
Kan de Kamer de beantwoording ontvangen voor het aanstaande debat over «passend onderwijs»?
Antwoord 7
Ja.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.