Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over windturbines op land
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over windturbines op land (ingezonden 9 maart 2026).
Antwoord van Minister van Veldhoven-Van der Meer (Klimaat en Groene Groei) en van
Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 22 mei 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1534.
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat Nederland het enige EU-land is dat jaargemiddelde geluidsnormen
voor windturbines hanteert, terwijl landen als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk
korte-termijnnormen gebruiken (variërend van per uur tot per 10 minuten)?
Antwoord 1
De EU schrijft niet voor welke geluidmaat gebruikt moet worden voor normering, lidstaten
kunnen hierin eigen keuzes maken. Er is geen uniforme benadering van de geluidnormen
voor windturbines en er zijn veel verschillen tussen landen. In Europa hanteren Nederland
– als enige EU-land – en Noorwegen een jaargemiddelde geluidnorm voor windturbines.
De verschillen berusten vooral op vertrouwdheid met bepaalde maten, maar hebben op
zichzelf geen consequenties voor de bescherming, aangezien deze wordt bepaald door
de hoogte van de norm.
Vraag 2
Waarom wijkt Nederland af van deze internationale praktijk van kortere beoordelingsperioden,
vooral gezien het feit dat gezondheidseffecten zoals slaapverstoring juist samenhangen
met piekgeluiden en niet met jaargemiddelden?
Antwoord 2
Met het gebruik van een jaargemiddelde geluidmaat wordt juist rekening gehouden met
de effecten op de gezondheid van omwonenden. Hiermee wordt aangesloten bij de advieswaarden
voor omgevingsgeluid van de WHO en bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare
hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk
ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien
ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu (RIVM) in een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit-procedure (LOWI)
heeft verklaard dat de RIVM-factsheet over windturbinegeluid «niet gelezen kan worden
als de laatste stand van de wetenschap», maar slechts een «weergave van beleidsonderbouwing»
is? Zo ja, hoe kan dit vervolgens de basis vormen voor gemeentelijke en provinciale
besluitvorming?
Antwoord 3
Nee. Deze RIVM-factsheet geeft een overzicht van wat op het moment van opstellen (2021)
bekend was over gezondheidseffecten van geluid van windturbines. De uitspraak van
de DG-RIVM had betrekking op één passage in deze factsheet, namelijk over de gebruikte
blootstelling-responsrelatie. Deze blootstelling-responsrelatie is destijds gekozen
als onderbouwing van het Nederlandse beleid. De uitspraak ging niet over de hele factsheet.
Vraag 4
Bent u bereid de gezondheidskundige basis van de normen te actualiseren op basis van
recentere buitenlandse onderzoeken, zoals de Duitse dose-effect relatie (2022), die
wel met feitelijke metingen is gevalideerd?
Antwoord 4
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces
van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan
de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke
rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid
en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB, recent gepubliceerd
onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding
vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de berekening1 dat bij Level day-evening-night (Lden) 45 decibel (dB) circa 40% van de omwonenden ernstige hinder ervaart? Bent u
bereid een wetenschappelijke toets uit te laten voeren op deze berekening?
Antwoord 5
Het RIVM voert momenteel een blootstelling-responsonderzoek uit naar de relatie tussen
windturbinegeluid en hinder en slaapverstoring in de Nederlandse context. Het gaat
daarbij, net als in het Duitse onderzoek, om de kans op ernstige hinder bij een bepaalde
blootstelling, niet om het percentage van alle omwonenden van een windpark dat naar
verwachting ernstige hinder ervaart. Wanneer de resultaten van het Nederlandse onderzoek
van het RIVM beschikbaar komen, zal het RIVM deze op een zorgvuldige manier naast
eerdere bevindingen leggen, waaronder die van het Duitse onderzoek. De resultaten
worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het RIVM geïnformeerd
worden.
Vraag 6
Bent u bereid onafhankelijk veldonderzoek te laten uitvoeren naar de verspreiding
van PFAS, BPA en andere schadelijke stoffen afkomstig van slijtage van windturbinebladen,
zoals nu door meerdere experts wordt aanbevolen?
Antwoord 6
Nee. Primair is het aan het bevoegd gezag om voorwaarden te stellen ter voorkoming
van schade aan gezondheid of milieu en daarop te handhaven. Daarbij zijn er geen aanwijzingen
dat slijtage van windturbinebladen een bedreiging vormt voor gezondheid en milieu.
Eerder onderzoek gaf aan dat de emissies marginaal zijn2 Daarom is er nu geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten doen.
Vraag 7
Kunt u uitleggen waarom het voorzorgsprincipe niet wordt toegepast zolang er geen
duidelijkheid is over zowel chemische emissies als mogelijke effecten van infra- en
laagfrequent geluid?
Antwoord 7
Het voorzorgsprincipe houdt in dat bij serieuze indicaties van risico’s voor gezondheid
of milieu, vooruitlopend op definitief bewijs, maatregelen getroffen worden ter voorkoming
van die schade. In dit geval zijn dergelijke indicaties niet beschikbaar, noch voor
chemische emissies, noch voor infra- en laagfrequent geluid. Het voorzorgsprincipe
is bijvoorbeeld wel toegepast bij het gebruik van blusschuim en bestrijdingsmiddelen
die significante bronnen zijn van PFAS-emissies naar het milieu.
Vraag 8
Kunt u bevestigen dat volgens het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) de directe elektriciteitsvraag
van 2050 (273 terawattuur (TWh)) volledig kan worden gedekt door wind op zee, zon
en kernenergie, ook zonder extra wind op land? (NPE-cijfers: 315 TWh wind op zee, 135 TWh zon, 56 TWh kernenergie)
Antwoord 8
Nee. Naast de directe elektriciteitsvraag moet ook de vraag voor elektrolyse worden
meegenomen. Daarnaast moet het aanbod en vraag ook in de tijd met elkaar worden afgestemd,
wat vraagt om een bepaalde mate van overdimensionering. In de geplande actualisatie
van het NPE is zij voornemens om de bijgewerkte cijfers van het verwachte CO2-vrije elektriciteitsaanbod uit kernenergie, windenergie op land, windenergie op zee
en zon-PV op basis van de bijgestelde vraag te schetsen. Zij is van plan om hier ook
o.a. de veranderende kosten voor waterstof in mee te nemen.
Vraag 9
Waarom handhaaft het NPE dan een doorgroeiambitie van 29 TWh extra wind op land, terwijl
uit de beantwoording van eerdere Kamervragen blijkt dat de waterstofgerelateerde vraag
in Nederland waarschijnlijk grotendeels goedkoper via import wordt ingevuld?
Antwoord 9
Windenergie op land wordt niet gebruikt om te voldoen aan de waterstofgerelateerde
vraag. Windenergie op land is nodig om woningbouw, bedrijvigheid en mobiliteit mogelijk
te maken. Het is namelijk met zon-PV de meest kosteneffectieve manier om hernieuwbare
energie op te wekken. Het draagt bij aan de diversificatie van het opwekportfolio
in Nederland en op die manier aan meer energieonafhankelijkheid. Ook kan windenergie
op land dichter bij de vraag en dus netefficiënt worden ingepast, en daarmee bijdragen
aan het verminderen van netcongestie. Een goede inpassing van windenergie op land
en betrokkenheid van omwonenden is van belang. Windenergie op land is daarom essentieel
voor een betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem, naast windenergie op
zee, zon-PV en kernenergie.
In de actualisatie van het NPE is de Minister van KGG van plan om o.a. in te gaan
op een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land richting 2040. Ook is zij van plan
om in te gaan op de relatie met waterstofproductie en -import in Nederland.
Vraag 10
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke kosten zoals slaapverstoring, stress, zorgkosten,
uitval op werk en school, woningwaardedaling en leefomgevingsschade niet worden meegenomen
in de huidige maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) en systeemverkenningen voor
het energiesysteem?
Antwoord 10
Om de beleidsinzet voor de energietransitie te bepalen worden verschillende perspectieven
en systeemanalyses meegenomen. Er is niet één MKBA die hieraan ten grondslag ligt.
Het RIVM doet in opdracht van EZK uitgebreid onderzoek naar gezondheidseffecten, zoals
slaapverstoring en stress, waarvan de resultaten worden meegewogen in beleid, zoals
de milieunormen voor windturbines. Het kabinet neemt deze inzichten mee in de beleidskeuzes,
net als andere inzichten over de impact op leefomgeving zoals bijvoorbeeld ruimtegebruik.
In het NPE wordt op nationaal niveau bepaald wat de beleidsinzet is voor de energietransitie.
De Minister van KGG zal een geactualiseerd NPE rond de zomer naar de Kamer sturen.
De vertaling naar de regio’s gebeurt in samenwerking met de decentrale overheden.
Hierbij wordt niet alleen gekeken naar het kostenperspectief, maar ook naar de impact
op de leefomgeving en ruimtelijke inpassing. Indien nodig wordt op basis daarvan het
landelijke beeld in het NPE weer bijgesteld.
Vraag 11
Bent u bereid een integrale mkba uit te voeren waarin wind op land, wind op zee, kernenergie
en import in verschillende scenario’s worden vergeleken, zodat de politiek een transparante
keuze kan maken?
Antwoord 11
De Minister van KGG ziet geen meerwaarde in een aparte nationale MKBA. De impact op
de leefomgeving van verschillende energieoplossingen wordt al onderzocht en meegewogen.
Bovendien is de impact erg afhankelijk van specifieke locaties, waardoor een generieke
MKBA op nationaal niveau weinig meerwaarde heeft voor besluiten in de regio.
Vraag 12
Kunt u bevestigen dat wind op land vanwege de lagere vollasturen en grotere fluctuaties
een ongunstiger productieprofiel heeft dan wind op zee, waardoor in de praktijk meer
bijstook in gascentrales nodig is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen met historische
productiedata?
Antwoord 12
Windenergie op land heeft een lagere capaciteitsfactor dan windenergie op zee, en
daardoor wordt er per geïnstalleerd vermogen minder energie opgewekt. Tegelijkertijd
zijn de kosten van windenergie op land significant lager dan die van windenergie op
zee. Windenergie op land en windenergie op zee zijn nodig om ook 's nachts elektriciteit
op te wekken en sluiten goed aan bij het opwekprofiel van zon-PV. Op dit moment zijn
er periodes waarop de zon niet schijnt en de wind niet waait. Op deze momenten zijn
er andere bronnen nodig, zoals gas- of kerncentrales of flexibele oplossingen.
Vraag 13
Bent u bereid dit CO2-verschil structureel te laten doorrekenen door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
of TNO, zodat de klimaatimpact van extra wind op land objectief beoordeeld kan worden?
Antwoord 13
Nee. Het CO2-reductiepotentieel van de verschillende klimaattechnieken zoals windenergie op land
en windenergie op zee wordt al door PBL doorgerekend om de maximale subsidiebedragen
vast te stellen voor de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie
(SDE++), Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee (TOWOZ) en in de toekomst
ook voor de tweerichtingscontracten voor zonne- en windenergie. Daaruit komt een objectieve
maatstaf om de emissiereductie en kosten per techniek met elkaar te vergelijken: de
subsidie-intensiteit (euro/tCO2).
Vraag 14
Hoe rijmt u dat in officiële communicatie en in het Klimaatakkoord wordt gesteld dat
windmolens «bij voorkeur op zee» moeten worden geplaatst, terwijl tegelijkertijd de
ambitie voor wind op land wordt vergroot ondanks het al bereiken van de oorspronkelijke
35 TWh-doelstelling?
Antwoord 14
In het toekomstige energiesysteem is zowel windenergie op land als windenergie op
zee nodig, zoals ook vermeld in het NPE 2023. De 35 TWh-doelstelling is voor 2030,
ook daarna blijft de doorgroei van windenergie op land nodig. Daarom is de Minister
van KGG van plan om in de actualisatie van het NPE een nieuwe richtwaarde voor windenergie
op land op te nemen. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.