Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Bikker, Diederijk van Dijk, Wiersma en Keijzer over het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’
Vragen van de leden Bikker (ChristenUnie), Diederik van Dijk (SGP), Wiersma (BBB) en Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25» (ingezonden 10 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 21 mei
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1811.
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens
voor jongeren tot 25»1?
Antwoord 1
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht.
Vraag 2
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke
artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet»
als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Antwoord 2
Bij de invulling van de open normen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek
en hulp bij zelfdoding (Wtl) speelt de medisch-professionele normering een belangrijke
rol. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of de geldende medisch-professionele
normering aanpassing behoeft.
De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden zoals neergelegd in
de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018) van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) wordt momenteel herzien.
Gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn
(en die door de beroepsgroep herkend worden), heeft de NVvP een brede oproep uitgezet
om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag
bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst
van deze dialoogsessies wordt benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel.
Het kabinet ziet het essay «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch
lijden: «nu niet» als uitgangspunt» als onderdeel van de discussie in de beroepsgroep
over de aanpassing van de medisch-professionele normering. Het is niet aan het kabinet
om hier inhoudelijk op te reageren. Het kabinet wacht de uitkomsten van de richtlijnherziening
met belangstelling af.
Vraag 3
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging
op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een
pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk
noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel
te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende aangenomen motie en de reactie van
het vorige kabinet hierop, zoals verwoord in de brief aan de Kamer van 9 oktober 2025.3 Het essay vormt voor het kabinet geen aanleiding om het oordeel over een dergelijk
noodventiel te heroverwegen.
In het essay wordt niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond
van psychisch lijden bij jongeren en een ingrijpen op de professionele autonomie van
de arts. In plaats daarvan wordt de «nu niet»-benadering geadviseerd als een basishouding
(vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken
van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar). Hierbij dient individueel
bepaald te worden hoe lang de «nu-niet»-benadering wordt gehanteerd.4
Vraag 4
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die
psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland
duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en
er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de
inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Antwoord 4
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende motie, die destijds is verworpen.
De motie Boomsma c.s. verzocht de regering om met de beroepsgroep tot een moratorium
te komen van drie jaar op euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden,
totdat meer duidelijkheid is over de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie bij deze
groep. De toenmalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport heeft deze motie destijds
ontraden en benoemd als zeer onwenselijk en niet nodig. Het kabinet onderschrijft
deze appreciatie nog steeds. Een moratorium is onwenselijk omdat het een open gesprek
over de doodswens van mensen tot 30 jaar in de weg staat, terwijl juist door een open
gesprek over de doodswens weer perspectief op het leven kan ontstaan. Ook is een moratorium
niet in lijn met het wettelijk stelsel aangezien het aan de uitvoerend arts is om
te bepalen of hij een euthanasieverzoek inwilligt. Een moratorium is ook niet nodig,
omdat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsingspraktijk van de Regionale Toetsingscommissies
Euthanasie (RTE) en het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) blijkt
dat de Wtl goed functioneert en dat er in Nederland sprake is van een zorgvuldige
euthanasiepraktijk. Bij euthanasieverzoeken op basis van psychisch lijden is bovendien
extra behoedzaamheid vereist. Hierover is consensus binnen de beroepsgroep en dit
staat ook in de huidige NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis. In deze richtlijn wordt verder geadviseerd grotere terughoudendheid te betrachten
naarmate de patiënt jonger is.
Een moratorium zou een (tijdelijke) stop op euthanasie betekenen bij jonge mensen
tot 30 jaar die psychisch lijden. Dat is niet waar in het essay voor wordt gepleit.
In de door de auteurs voorgestelde «nu niet»-benadering wordt namelijk niet gepleit
voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren.
Gedurende de «nu niet»-fase dient de doodswens verder expliciet als reële optie bespreekbaar
te blijven, en er moet ook openlijk over de dood zelf gesproken kunnen worden. De
auteurs geven aan dat de uitkomst van zo’n voortdurende en zorgvuldig gevoerde dialoog
uiteindelijk kan zijn dat behandelaren, samen met de jongere en diens naastbetrokkenen,
tot het moreel beladen inzicht komen dat euthanasie daadwerkelijk het ultimum remedium
vormt. Zij adviseren in dit geval om een moreel beraad te organiseren om nog eens
systematisch en met aandacht voor de normatieve dimensie te reflecteren op de situatie,
en gezamenlijk te komen tot een zorgvuldig onderbouwd besluit om al dan niet een euthanasietraject
te starten.
Vraag 5
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit
Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Antwoord 5
Wetenschappelijk is niet aangetoond dat terughoudendheid bij het inwilligen van een
euthanasieverzoek verband houdt met suïcide. Suïcide is (bijna) altijd het gevolg
van een stapeling van factoren en (complexe) problematiek. De manier waarop hulpverleners
reageren op een geuite doodswens kan één van die factoren zijn, maar dat hoeft niet.
Op dit moment wordt door 113 Zelfmoordpreventie en Expertisecentrum Euthanasie het
SUNSET-onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt onder andere onderzocht hoe suïcidaliteit
en euthanasiewensen met elkaar samenhangen, hoe door hulpverleners op een doodswens
wordt gereageerd, en of/hoe dit invloed heeft op de doodswens. De eerste resultaten
van het SUNSET-onderzoek worden in 2027 verwacht. Er zijn meerdere bewezen effectieve
strategieën die een hulpverlener in de spreekkamer kan toepassen wanneer iemand een
doodswens uit, waaronder het gesprek over de doodswens aangaan, aandachtig luisteren,
aandacht houden voor hoop, en het betrekken van naasten. Dit alles kan worden gedaan
met een basishouding van grote terughoudendheid met betrekking tot het inwilligen
van een euthanasieverzoek.
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet
betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd?
Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Antwoord 6
Uit het essay volgt volgens het kabinet inderdaad niet dat de «nu niet»-benadering
betekent dat psychiaters niets hoeven te doen. Het essay beoogt juist praktische handvatten
aan te reiken voor psychiaters hoe zij kunnen handelen bij een euthanasieverzoek van
een jongere op grond van psychisch lijden. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven,
adviseren de auteurs van het essay de «nu niet»-benadering als een basishouding (vanuit
de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken
van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar) waarbij euthanasie als
optie bespreekbaar blijft.
Vraag 7
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke
en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent
u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing,
contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische
zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de
samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?5 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Antwoord 7
Het kabinet onderschrijft dat het belangrijk is dat jongeren en hun naasten altijd
goede zorg en begeleiding krijgen, die aansluiten bij hun problematiek en zorgvraag.
Het kabinet herkent de elementen die de auteurs aanhalen en het belang van een brede
maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan
jongeren en volwassenen.
De opgave op het gebied van mentale gezondheid en ggz vraagt om meer samenhang en
meer samenwerking. Het kabinet zet daarbij in op preventie, (laagdrempelige) ondersteuning
en passende zorg. Zowel het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) als het IBO
mentale gezondheid en ggz6 hebben daar aandacht voor.
Aanvullend richt de «Versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz»7 zich op aanvullende acties die binnen het bestaande stelsel snel(ler) uit te voeren
zijn. Een onderdeel hiervan is het (beter) bespreekbaar maken van mentale gezondheid
onder jongeren door onder meer (waar mogelijk) opvolging te geven aan de aanbevelingen
vanuit het rapport van Praatpower, dat eind vorig jaar is opgeleverd. Langs de lijn
van Praatpower gingen ruim 3.000 jongeren en jongvolwassenen in gesprek over wat hen
helpt om mentaal gezond op te groeien en te blijven. Het rapport biedt diverse aanbevelingen
voor verschillende doelgroepen en thema’s. Zo bevat het rapport ook aanbevelingen
rondom het thema prestatiedruk. Op dit moment onderzoekt het kabinet of en hoe we
de aanbevelingen op kunnen pakken en/of breder kunnen verspreiden. De inzet vanuit
de Versterkingsagenda richt zich daarnaast op het ondersteunen van gemeenten bij het
opzetten en toegankelijker maken van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren,
betere ondersteuning van mensen die op een wachtlijst staan met bestaande initiatieven
voor wachttijdondersteuning en verbetering van de continuïteit van zorg voor jeugdigen
door initiatieven die sturen op een soepele overgang van jeugdhulp naar volwassen
ggz zonder onderbreking.
Vraag 8
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe
deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep
voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Antwoord 8
Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 11 maart 2026, vindt er momenteel een
herziening plaats van specifieke modules van de NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis, te weten de modules 4.1 – Second opinion door onafhankelijke psychiater, 5.1 – Beoordeling
door onafhankelijk consulent en 7 – Specifieke patiëntgroepen levensbeëindiging. Bij
deze laatste module wordt specifiek ingegaan op jongeren. Zoals in antwoord op vraag
2 is aangegeven, heeft de NVvP, gezien de zorgen die er in de samenleving en onder
een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), een
brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie
op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening.
De opbrengst van deze dialoogsessies wordt, naast de gebruikelijke input voor het
modulaire onderhoud, benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het
streven is de herziening van module 7 eind 2026 af te ronden en begin 2027 te autoriseren/goed
te keuren.8
Bij de samenstelling van de werkgroep die de richtlijnherziening begeleidt is er expliciet
rekening mee gehouden dat de verschillende standpunten in het veld vertegenwoordigd
worden. De herziene richtlijn vertegenwoordigt daarmee straks de huidige medische
inzichten en is daarmee geen weergave van een minderheidsstandpunt.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.