Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Moorman, Patijn en Vliegenthart over het artikel 'Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar'
Vragen van de leden Moorman, Patijn en Vliegenthart (allen GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar» (ingezonden 25 maart 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en de Minister
van Werk en Participatie, mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
(ontvangen 21 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr.
1627.
Vraag 1
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel
en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Antwoord 1
Ja, dit is mij bekend.
Vraag 2
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet
u voor de hoge uitval?
Antwoord 2
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie
31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle
vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte
van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen
per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar
hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
NEA 2023–2024 alleen vrouwelijke werknemers
Totaal
21–30
31–40
41–50
50+
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar
vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen
van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Vraag 3
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke
sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Antwoord 3
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg,
zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld
inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Vraag 4
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Antwoord 4
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt
en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom
aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30
tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de
totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen
30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde
leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in
2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
WIA
2021
2022
2023
2024
2025
Totale instroom
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
Waarvan vrouwen 30–39 jaar
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Instroom Vrouwen 30–39 jaar als % van totale instroom
11%
12%
12%
13%
13%
Instroom Vrouwen 30–39 jaar als % van verzekerden
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet,
de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39
jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
Ziektewet
2021
2022
2023
2024
2025
Totaal aantal toegekende ZW-uitkeringen
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
Waarvan vrouwen 30 – 39 jaar
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
Instroom Vrouwen 30–39 jaar als % van totale instroom ZW
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage
van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet
is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke
groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Vraag 5
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de
uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Antwoord 5
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft
verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen
dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt
aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep
het hoogste.
NEA 2023–2024
Verzuim afgelopen 12 maanden (%)
Frequentie verzuim (gemiddelde)
Aantal werkdagen verzuimd (gemiddelde)
Ziekteverzuim
percentage
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Vraag 6
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze
vrouwen in de WIA instromen?
Antwoord 6
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen
in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
Instroom in WIA van vrouwen 30–39 jaar naar type contract
2021
2022
2023
2024
2025
vast contract
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
tijdelijk en oproepcontract
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
Uitzendcontract
603
529
534
619
531
Onbekend
679
644
694
791
933
Totaal
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Vraag 7
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80
en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Antwoord 7
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel
van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en
Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt
hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
Instroom WIA met dagloon > 80% max. dagloon
2021
2022
2023
2024
2025
Percentage met dagloon 80%-100%
5%
4%
5%
6%
5%
Percentage met dagloon > 100%
2%
2%
2%
3%
2%
Instroom ZW met dagloon > 80% max. dagloon
2021
2022
2023
2024
2025
Percentage met dagloon > 80%-100% max. dagloon
5%
5%
5%
6%
6%
Percentage met dagloon > 100% max. dagloon
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Vraag 8
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Antwoord 8
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen
en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten,
vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt
elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens
haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het
dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers
van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat
het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor
een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft
56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook
geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk
gedaan krijgen bij klachten.
Vraag 9
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Antwoord 9
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege
burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd,
waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat,
griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en
concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn,
waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt
9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën
21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Vraag 10
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen
te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Antwoord 10
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op
aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke
aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid
op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom
in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren
ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet
zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW
informeren.
Vraag 11
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen
kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien
van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
Antwoord 11
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed
zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren
met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld
ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de
eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert
een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer
via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de
vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker
te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen
het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk
en privé.
Vraag 12
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord
de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Antwoord 12
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke
vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk
goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen
(bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage
zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder
zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel
kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk
en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland,
maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar.
Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering.
De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt
namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de
norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke
normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Vraag 13
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor
overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt
u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de
problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het
taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arboartsen?
Antwoord 13
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen)
van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen
te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt
aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit
moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Vraag 14
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten
en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op
de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete
manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker
worden?
Antwoord 14
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste
werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk
dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste
behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
• Natuurlijke aanpak die zich richt op leefstijlveranderingen;
• Hormonale therapie (waaronder pillen, pleisters, gels);
• Niet-hormonale medicatie;
• Vaginale behandelingen;
• Alternatieve middelen;
• Psychologische ondersteuning.
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering
als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist.
Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij
de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten
en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende
verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er
Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn
overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom
de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang
en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de
overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Vraag 15
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat
u hier concreet uitvoering aangeven?
Antwoord 15
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest
in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities
en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle
meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid
en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid.
Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt.
Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend
op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen
en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
• Vrouwengezondheid serieus aan te pakken en op hun eigen én gezamenlijke agenda’s te
zetten en te houden;
• Te inventariseren welke initiatieven de ondertekenende partijen ondernemen en deze
waar mogelijk te intensiveren;
• Kennis en data te delen, acties en initiatieven onderling af te stemmen en gezamenlijk
nieuwe, passende initiatieven te initiëren;
• Samen speerpunten te bepalen en witte vlekken te identificeren en deze te bundelen
in een gezamenlijke werkagenda, met als doel de impact te vergroten en te versnellen.
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen
aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling
dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale
Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni
2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties
die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen
in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers
elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen
van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking
van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Vraag 16
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede ondertekenaar
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.