Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld (ingezonden 2 april 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 20 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1750
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in
Hoenderloo»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»?
Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
Antwoord 2
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële
grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd
zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente
toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren:
een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde
telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere
vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Vraag 3
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow
the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar
later de situatie nog steeds zorgelijk is?
Antwoord 3
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds
2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders
op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden
echter niet gepubliceerd.
Vraag 4
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht
voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep,
de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente
Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen
in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele
incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen
bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
Antwoord 4
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per
6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen,
De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen
het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo
gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden
afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip
en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende
en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen
en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur.
In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken
en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat
het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar
inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Vraag 5 en 6
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd
sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal
plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet
opgeleverd?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda
ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven
werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat
gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Antwoord 5 en 6
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied
van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij
een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke
aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit
de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op
welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk.
De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde
hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen
voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door
de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden
er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten.
Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de
VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om
één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet
in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen
te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze
jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan
jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte
met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken
of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt
wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning
bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor
de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het
najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren
van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken.
Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel
(met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie
te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk
niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken
bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Vraag 7
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol
spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in
Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van
bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende
planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten
van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding
en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor
aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering
te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Antwoord 7
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren
en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen
(overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende
jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende
goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van
het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak
t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe
problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan.
Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren
van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in
de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd
zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende
maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom
werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing
van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp
mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie
van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen
dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de
bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen
en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende
maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid
jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële
jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Vraag 8
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari
2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke
activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden
op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Antwoord 8
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn
en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig
geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen
zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein.
Deze waren van de volgende aard:
– 305 x ongeoorloofd afwezig;
– 179 x vermissing minderjarig persoon;
– 77 x ruzie/twist zonder vervolg;
– 42 x verdachte situatie;
– 28 x melding overlast jeugd;
– 20 x vermissing meerderjarig persoon.
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van
middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet
geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot
gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als
beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht
van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein.
De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de
IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In
de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd.
Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde
voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke
activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal
incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren
zich onveilig voelden.
Vraag 9
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg
waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke
activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden
waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Antwoord 9
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp
verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie
te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren.
Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen
in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen
de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over
geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de
categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Vraag 10
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de
jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest
van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
Antwoord 10
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht
op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument.
In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de
IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op
haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de
uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg
en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd
op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners
en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vraag 11
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar
behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten
hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat
doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Antwoord 11
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen
die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen
genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld
(bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet
Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast
heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op
het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en
transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde
instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook
niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse
keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is.
Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar
uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar
ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten
om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten
hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol
als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het
is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut
en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en
worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te
maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen
beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover
verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer
wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb
besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating,
screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak
waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met
betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede
zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet
op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik
ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de
invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.