Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Eijk over de Panama Papers en de Nederlandse trustsector
Vragen van het lid Van Eijk (VVD) aan de Ministers van Financiën en van Justitie en Veiligheid over de Panama Papers en de Nederlandse trustsector (ingezonden 17 april 2026).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën) (ontvangen 19 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Antwoord 1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke
waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Antwoord 2
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het
verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk
is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten,
hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare
regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde
functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn,
zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed
in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening
gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers,
voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken,
dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen
uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen
met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden
van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen
die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein.
Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector,
met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude
Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit
signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende
naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en
politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire
ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering
van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden.
In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen
te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit
gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank
(DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en
de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen
vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat
er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen
(circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd,
maar ook economische consequenties heeft?
Antwoord 3
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen.
Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een
reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds
2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname
van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname
binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook
afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen.
Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van
de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten
geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren
ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele
economische groei.
Vraag 4 en 5
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
– het faciliteren van internationale investeringsstromen;
– naleving van internationale wet- en regelgeving;
– het Nederlandse vestigingsklimaat;
– werkgelegenheid en belastingopbrengsten?
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen
ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Antwoord 4 en 5
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport
Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen
aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt
aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven
die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming
te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen
door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele
structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult
tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan
van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving
en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen
van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van
dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa
willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat
laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante
factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de
aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die
hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente
publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals
in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.
12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die
gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200
naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen
die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van
de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief
zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente-
en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende
jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende
jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden
voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de
EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen
winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan
9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden
eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de
genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft
in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De
cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende
jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op
de trustsector?
Antwoord 6
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht
op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen
aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief
beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks
geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse
rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de
zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie
en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Vraag 7 en 8
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte
of zelfs vijandige toezichtshouding?
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de
sector onnodig te belemmeren?
Antwoord 7 en 8
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de
sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren
Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft
aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een
aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen
en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en
professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken.
Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt
opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit
daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht
neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor
het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze
eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit
en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling
van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren.
Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector
integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de
NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd
risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor
onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen
moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld
belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen
de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het,
zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen,
kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief
willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie
(AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen
verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde
toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor
meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Vraag 9, 10 en 13
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven
en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Antwoord 9, 10 en 13
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang
van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt
DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025,
ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening.
Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt
bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te
komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop
handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt
zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het
geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In
een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd
zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de
overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject
ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete.
In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening
en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen
sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was
dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig
waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen
krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de
praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Vraag 11
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie
tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
Antwoord 11
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken,
maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning
inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het
minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan
dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek.
Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente
hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad
extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren
leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee.
Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Vraag 12, 14 en 16
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar
ziet u ruimte voor verbetering?
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening,
maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel
daarover?
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening,
bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Antwoord 12, 14 en 16
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel
strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken
in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële
sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak
van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig
bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt.
Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale
trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk.
Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd
van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het
maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening:
het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken
van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres
aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming
van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij
worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een
rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening
zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was
van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket
een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip
is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027
van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden
worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek
te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de
Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak
met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Vraag 15
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Antwoord 15
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor
de zomer naar de Kamer te zenden.
Vraag 17
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Antwoord 17
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering
op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering
en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude.
Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere
mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen
uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste
witwasdreiging is.
Vraag 18
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen27)?
Antwoord 18
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst
informeren over de uitkomsten.
Vraag 19
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Antwoord 19
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking
tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen.
De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit
maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland
een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners
en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor
is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Vraag 20 en 21
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen
zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor
belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Antwoord 20 en 21
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen,
zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen
effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting
op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende
jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende
jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden
voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de
EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen
winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan
9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens
onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een
aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard
in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1
en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied
van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen
tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak
van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de
BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in
de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken
die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse
groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten
minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel
te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel
in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan
door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing
(zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het
belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale
belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese
Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op
dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals
in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting
op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Vraag 22 en 23
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat
verder onder druk zetten?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden
voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische
ontwikkelingen?
Antwoord 22 en 23
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is
voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland
zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen.
Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving,
houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven.
Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig
gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het
recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt
bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb
ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar
blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader
loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel
toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting
in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.