Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over fiche: Verordening betreffende digitale netwerken (Kamerstuk 22112-4281)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4351
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 mei 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat inzake het «Fiche: Verordening
betreffende digitale netwerken» (Kamerstuk 22 112-4281).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 maart 2026 aan de Staatssecretaris van Economische
Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 19 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Dekker
Adjunct-griffier van de commissie, Muller
1
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche over
de voorgestelde Verordening betreffende digitale netwerken (Digital Networks Act;
hierna: DNA). Deze leden steunen de doelstelling om het Europese wetgevend kader voor
telecom te harmoniseren en te moderniseren, in lijn met het coalitieakkoord. Zij hebben
wel hebben enkele vragen.
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan het behoud van de bestaande principes
van netneutraliteit en open internet. Deze leden lezen dat het kabinet vragen heeft
bij de meerwaarde van het samenvoegen van de bestaande netneutraliteitsregels uit
de Open Internet Verordening (OIR) met de DNA. Zij vragen specifiek of het kabinet
het risico deelt dat het samenvoegen van deze regels in een breder wetgevend kader
de deur opent voor toekomstige verwatering van netneutraliteitsprincipes.
Antwoord
Het kabinet deelt dit belang. Het kabinet hecht groot belang aan het behoud van de
bestaande principes van netneutraliteit en open internet. Er bestaat altijd een risico
dat de bepalingen bij toekomstige onderhandelingen en/of wetswijzigingen ter discussie
komen. Wel ziet het kabinet dat de bepalingen vanuit de Open Internet Verordening
(OIR) in grotendeels ongewijzigde vorm zijn overgeheveld naar de Digital Networks
Act (DNA). Het kabinet zet zich tijdens de onderhandeling in voor het behoud van de
openinternet-principes in de DNA.
2
De leden van de D66-fractie constateren daarnaast dat het kabinet weinig noodzaak
ziet voor het voorgestelde conciliatiemechanisme, en bezorgd is dat dit mechanisme
zich kan lenen voor misbruik ten nadele van kleinere content- en applicatieaanbieders
en innovatieve scale-ups. Deze leden delen deze zorg. Het ontbreken van een impact
assessment op dit onderdeel vinden deze leden zorgelijk. Is het kabinet bereid in
de Raad aan te dringen op een impact assessment voor het conciliatiemechanisme, en
zich te verzetten tegen dit onderdeel indien adequate waarborgen voor kleinere aanbieders
uitblijven?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorgen van de D66-fractie over het ontbreken van het impact assessment
op dit onderdeel, zoals ook aangegeven in het BNC-fiche. Een impact assessment van
de Commissie geeft de nodige inzichten over de mogelijke gevolgen van het integreren
van de openinternet-principes en de het conciliatiemechanisme. Het kabinet zal de
Commissie verzoeken op voorgenoemde delen alsnog een inschatting te maken van de verwachte
gevolgen. Primair zal het kabinet zich inzetten om enerzijds een betere onderbouwing
van de noodzaak van de integratie van de openinternet-principes en het conciliatiemechanisme
te vragen, en anderzijds tijdens de onderhandelingen inzetten op goede waarborgen
om te voorkomen dat het conciliatiemechanisme vatbaar wordt voor misbruik ten aanzien
van de verschillende partijen in het ecosysteem. Hierbij onderzoekt het kabinet ook
mogelijke voorwaarden, met inachtneming van de openinternet-principes, die hieraan
bij kunnen dragen.
3
Zij vragen hoe het kabinet het risico beoordeelt dat de DNA via wijzigingen in toegang,
interconnectie of spectrumbeleid kan leiden tot hogere kosten voor internetgebruikers.
Acht het kabinet de betaalbaarheid van digitale basisvoorzieningen voldoende geborgd
in het voorstel? In hoeverre heeft het kabinet inzicht in de mogelijke effecten van
de voorgestelde verordening op de kosten voor eindgebruikers, en kan het kabinet aangeven
welke risico’s het ziet op stijgende prijzen voor internettoegang en digitale diensten
voor burgers en bedrijven?
Antwoord
Hoewel het kabinet geen inzicht heeft in de precieze effecten van het DNA-voorstel
op de kosten voor eindgebruikers, is het van mening dat een goed werkende concurrerende
markt met keuzemogelijkheden waarborgen biedt voor betaalbare digitale basisvoorzieningen.
Een soepelere houding naar gevestigde aanbieders van telecommunicatiediensten zou
concurrentie in het gedrang kunnen brengen. Het kabinet is daarom positief over het
behoud van mogelijkheden tot ex-ante toegangsregulering van vaste telecomnetwerken;
het kabinet heeft daarentegen zorgen over het voorstel tot oneindige vergunningen
voor spectrumgebruik en de effecten daarvan op de noodzakelijke innovatie-prikkels.
4
De leden van de D66-fractie merken op dat het DNA-voorstel een nieuw weerbaarheidshoofdstuk
bevat. Deze leden vragen hoe dit hoofdstuk zich verhoudt tot de NIS2-richtlijn en
de Richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten (CER-richtlijn),
die Nederland momenteel implementeert via de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Welke inzet kiest het kabinet in de Europese
onderhandelingen om te waarborgen dat de nieuwe verplichtingen onder de DNA aansluiten
op bestaande kaders zoals de NIS2- en CER-richtlijn, en hoe wordt voorkomen dat aanvullende
regels leiden tot extra regeldruk zonder aantoonbare meerwaarde voor de weerbaarheid
van digitale infrastructuur?
Antwoord
Zoals ook in het BNC-fiche is beschreven zal het kabinet de Commissie vragen om dit te verduidelijken. Op het gebied van weerbaarheid kan het
voorstel van de Commissie mogelijk leiden tot regeldruk door mogelijke extra (administratieve)
verplichtingen bij aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en
-diensten door het Preparedness Plan for Digital Infrastructure van BEREC. Daarnaast zal ook worden gevraagd hoe de voorgestelde maatregelen over
onder andere de ononderbroken beschikbaarheid van kritieke communicatie en 112 zich
verhouden tot de beveiligingsmaatregelen waar reeds in de NIS2-richtlijn in is voorzien.
De inzet is om duidelijkheid te krijgen hoe de Commissie deze verhouding ziet en om
onnodige regeldruk te voorkomen.
5
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche van de werkgroep Beoordeling
Nieuwe Commissie voorstellen (BNC) betreffende digitale netwerken. Deze leden zijn
blij dat er actie wordt ondernomen op een onderwerp wat bijvoorbeeld ook in het belangrijke
Draghi-rapport wordt genoemd. Zij hebben over het BNC-fiche nog enkele opmerkingen
en vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn teleurgesteld dat er op onderdelen geen impact assessment
is uitgevoerd bij dit voorstel van de Europese Commissie. Deze leden steunen dan ook
het kabinet in haar voornemen om hier tijdens de Raad wel op aan te dringen.
Zij merken op dat het voorstel voorziet in noodhulpcommunicatie via de European Digital
Identity Wallet (EDI-wallet). De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang
van brede bereikbaarheid van 112, maar de inzet van de EDI-wallet hiervoor roept vragen
op. Hoe wil het kabinet waarborgen dat het gebruik van digitale identiteitsmiddelen
niet een voorwaarde wordt voor toegang tot noodcommunicatie?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het uitgangspunt dat noodcommunicatie via 112 te allen tijde
laagdrempelig, toegankelijk en zonder voorwaarden moet zijn. Het gebruik van een European
Digital Identity Wallet (EDI-wallet) mag derhalve nooit een vereiste worden voor toegang
tot noodhulpdiensten. Het kabinet acht het van groot belang dat bestaande kanalen
voor het bereiken van 112 volledig behouden blijven en dat eventuele aanvullende functionaliteiten,
zoals via een EDI-wallet, uitsluitend een vrijwillig karakter hebben. In de verdere
uitwerking van het voorstel zal het kabinet hier nadrukkelijk op toezien.
6
Zij lezen verder dat het kabinet constateert dat met de door de Europese Commissie
voorgestelde aanpak in potentie de situatie kan verslechteren voor landen die op dit
moment excellent presteren, zoals Nederland. Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie
een toelichting op deze zorg van het kabinet en hoe zij er concreet voor wil zorgen
dat dit niet gebeurt.
Antwoord
Zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche erkent het kabinet het belang van het zoveel
mogelijk harmoniseren van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders
op EU-niveau. Echter is het kabinet van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft
om in te kunnen spelen op nationale omstandigheden en beleidsdoelen voor het bevorderen
van draadloze toepassingen. Bij beleidsdoelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid
om specifieke nationale eisen te stellen aan de kwaliteit en snelheid van de mobiele
netwerken; nationale omstandigheden betreffen bijvoorbeeld de invloed van specifieke
geografische en demografische kenmerken. Zo heeft Nederland in vergelijking tot veel
andere lidstaten een vlak oppervlakte en is dichtbevolkt, zonder grote buitengebieden.
Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige
gebieden. Het kabinet ziet risico’s in het verder verbreden en verplichten van harmonisatie
in het Nationaal Frequentieplan omdat, gegeven onder meer de geografie en demografie
van Nederland maar ook de marktvraag, de frequentiebestemmingen niet optimaal worden
vastgesteld. Een gevolg hiervan kan zijn dat de frequenties in Nederland niet bestemd
worden voor het gebruik met de grootste maatschappelijke waarde. Ook is het (her)bestemmen
van vergunningen voor nieuwe toepassingen moeilijker. Het is daarom, volgens het kabinet,
niet wenselijk om meer bevoegdheden bij de Commissie te centraliseren op het gebied
van beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid.
Het kabinet zal zich inzetten voor een proportioneel voorstel waarbij zo veel mogelijk
op internationaal niveau en anders op EU-niveau harmonisatie van frequentiebestemmingen
mogelijk gemaakt kan worden, maar waar ook de mogelijkheid blijft bestaan om nationaal
maatwerk te leveren. Zoals aangegeven in het fiche, zal de meerderheid van de lidstaten
kritisch staan tegenover het afstaan van de beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid
aan de Commissie. Het kabinet zet zich in om met deze lidstaten samen te werken in
de onderhandelingen om tot een proportioneel voorstel te komen.
7
Deze leden lezen dat het kabinet in het fiche constateert dat «met name in de buitengebieden
van Europa» de netwerkkwaliteit achterblijft en dat dit ongunstig kan zijn voor de
Europese en daarmee ook de Nederlandse economie. Zij vragen aan het kabinet of het
een actuele stand van zaken kan verschaffen van de netwerkkwaliteit in Nederland en
of zij nog mogelijkheden ziet om de netwerkkwaliteit in Nederland te verhogen.
Antwoord
De beschikbaarheid van (super)snelle vaste en mobiele netwerken is zeer hoog in Nederland.
Eind 2025 beschikt 99,5% van de Nederlandse huishoudens over een vaste verbinding
van ten minste 100 Mbps en 98,9% over een verbinding van 1 Gbps.1 Verder is er nagenoeg overal in Nederland goede 4G en 5G mobiele dekking,2 onder meer als gevolg van de dekkings- en snelheidsverplichting waar mobiele netwerkoperators
zich aan moeten houden.3 Gelet op deze hoge beschikbaarheid staat Nederland steevast in de top van landen
in de EU met snelle vaste en mobiele netwerken.4 De uitbreiding en opwaardering van netwerken ligt bij de markt en is iets dat partijen
continu doen, blijkens de hoge scores in internationale benchmarks naar kwaliteit van vaste en mobiele telecomnetwerken in Nederland.5
8
De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast zorgen ontvangen vanuit de markt over
de gevolgen van dit voorstel voor de investeringsbereidheid. Kan het kabinet toelichten
wat volgens haar, per saldo, de gevolgen van dit voorstel zijn op de investeringsbereid
vanuit de markt? Gaat het kabinet tijdens de behandeling van dit voorstel in de Raad
voorstellen doen die volgens het kabinet de investeringsbereidheid voor de markt in
Nederland vergroten en zo ja, om welke voorstellen gaat dit dan?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringsbereidheid van bedrijven in de
Nederlandse markt. Ter ondersteuning daarvan richt het kabinet zich op het bieden
van zekerheden aan de markt. Dat kreeg tot dusverre bijvoorbeeld gestalte in het beleidskader
dat duidelijkheid geeft aan marktpartijen om in veilingen langjarige vergunningen
te verwerven voor mobiele telecommunicatiediensten, met de daaraan vooraf geëxpliciteerde
verbonden voorschriften. Daarnaast ziet het kabinet ook effectieve concurrentie in
de vaste telecommunicatiemarkt en het toezicht daarop als belangrijke factoren voor
investeringszekerheid en daarmee investeringsbereidheid van partijen. Het voorstel
doet daar naar het oordeel van het kabinet geen afbreuk aan, omdat de mogelijkheden
blijven bestaan nationaal maatwerk te blijven verrichten. Het kabinet zal bij de behandeling
van het voorstel hierop toezien.
9
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over
de Verordening Digitale Netwerken (DNA). Deze leden hebben suggesties, opmerkingen
en vragen over de inzet van het kabinet over autonomie en betaalbaarheid. Deze zullen
zij hieronder uiteenzetten. Eerst delen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hun
eigen visie op een open en betaalbare digitale infrastructuur.
Ten eerste onderschrijven deze leden de unieke positie van Nederland op het gebied
van telecommunicatie en de digitale infrastructuur. Het netwerk in Nederland is stevig.
Zij onderkennen echter ook dat deze positie niet vanzelfsprekend is. Daarom vragen
de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aan het kabinet welke prioriteiten zij de
komende jaren stelt op het gebied van telecommunicatie, connectiviteit en spectrumbeleid.
Welke rol ziet het kabinet voor zichzelf weggelegd en welke voor de markt?
Antwoord
De overkoepelende doelstelling van het kabinet, zoals neergelegd in Pijler 4 van de
Strategie Digitale Economie,6 is het behouden en versterken van een hoogwaardige en weerbare digitale infrastructuur.
De overheid draagt zorg voor de goede kaders en randvoorwaarden, zodat marktpartijen
kunnen investeren en innoveren en er een hoogwaardig, concurrerend, weerbaar en betaalbaar
aanbod met voldoende keuzevrijheid voor gebruikers is (zowel consumenten als zakelijke
gebruikers). In de veranderde geopolitieke omstandigheden is er daarbij extra aandacht
voor de weerbaarheid van onze digitale infrastructuur en voor digitale open strategische
autonomie (promote, protect, partner). Er kunnen gegronde redenen zijn om aanvullend publieke financiering in te zetten
in bijvoorbeeld zeekabels als marktinvesteringen onvoldoende tot stand komen. Ook
kan de overheid met eigen aanbestedingen van digitale dienstverlening, zoals cloudtechnologie,
het Europese marktaanbod stimuleren.
10
Deze leden zijn van mening dat internet en connectiviteit een nutsvoorziening is.
Net als water, gas en licht, zou niemand afgesloten moeten kunnen worden van het internet.
Dit moet volgens deze leden het uitgangspunt zijn van de Nederlandse inzet op het
gebied van connectiviteit. Deelt het kabinet deze analyse van de deze leden? Welke
keuzes kunnen er gemaakt worden in zowel de DNA-Verordening als de Gigabit Infrastructure
Act om de principes van openheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid in heel Europa
te versterken?
Zij wijzen op verschillende voorbeelden van bouwprojecten waar betaalbaar internet
is gerealiseerd door een proactieve rol van woningcorporaties en vastgoedeigenaren.
Zo heeft woningcorporatie Patrimonium Groningen betaalbaar internet voor 15 euro gerealiseerd
voor ouderenwoningen, door in samenwerking met Fiber NL eigen infrastructuur aan te
leggen in een hoogbouwproject. Woonstad Rotterdam heeft een soortgelijk project gerealiseerd
in een studentenpand, net als beheerder Sipkema, ook in Rotterdam.7 Is het kabinet bekend met deze voorbeelden? Wat is de visie van het kabinet op betaalbaar
internet en de verantwoordelijkheid die woningcorporaties, vastgoedeigenaren en (kleinschalige)
leveranciers van digitale infrastructuur daarin spelen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien met de DNA-Verordening een kans om deze
succesvoorbeelden op te schalen en te stimuleren. Deze leden vragen het kabinet of
zij bereid is om in gesprek te gaan een vertegenwoordiging van kleine aanbieders,
woningcorporaties, vastgoedeigenaren en andere experts om te verkennen welke obstakels
in de weg staan om bij meer bouwprojecten kosten voor eindgebruikers te besparen door
zelf infrastructuur aan te leggen. Het verzekeren van betaalbaar internet voor zo
veel mogelijk huishoudens is volgens deze leden een verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris
van Economische Zaken. Zij verzoeken bovendien om de uitkomsten te betrekken bij de
Nederlandse inzet voor de DNA-Verordening en de Gigabit Infrastructure Act.
Antwoord
Het kabinet ziet internet en connectiviteit als een basisbehoefte, niet als nutsvoorziening.
Die basisbehoefte is betaalbaar in Nederland en er is daarom geen reden voor een generieke
regeling over zogeheten sociale internettarieven. Voor kwetsbare huishoudens kunnen
lokale maatwerkoplossingen worden geboden, zoals bijvoorbeeld de genoemde initiatieven
van woningcorporaties. De voorstellen in de DNA en de Gigabit Infrastructure Act (GIA)
staan dat niet in de weg.
11
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Europese Commissie constateert
dat de uitrol van 5G achterloopt in de Europese Unie (EU). De Commissie veronderstelt
negatieve gevolgen voor consumenten, concurrentie en innovatie in de EU. Waarop baseert
de Commissie deze analyse? Deelt het kabinet dit oordeel? Kan het kabinet de onderzoeken
waar dit uit blijkt met de Kamer delen?
Antwoord
De Commissie stelt dat de EU achterloopt in de uitrol van hoge kwaliteit 5G, met name
«5G Stand Alone». De Commissie noemt deze cijfers in de impact assessment van de DNA, waarbij de
EU 40% dekking kent van 5G Stand Alone, ten opzichte van 90% in Noord-Amerika. Het kabinet herkent deze cijfers van de Commissie
voor wat betreft dekking van 5G Stand Alone, waarbij de kanttekening moet worden gemaakt dat de dekking van reguliere 5G in de
EU erg hoog ligt (ruim boven 90%), net als de kwaliteit van de dienstverlening. Zo
blijkt uit verschillende internationale benchmarks dat de kwaliteit van de Nederlandse
(en Europese) netwerken van hoog niveau is.8
12
Deze leden lezen ook dat de Commissie voornemens is om toe te staan dat frequentierechten
voor oneindige periode en op EU-niveau worden verleend. Het inperken voor een kortere
duur moet alsnog mogelijk zijn. Zij vragen het kabinet om nader uit te leggen onder
welke voorwaarden de Commissie zou kiezen voor een kortere duur van verlening. Het
is nog onvoldoende onderbouwd waarom dit nieuwe recht waardevol is, en onder welke
voorwaarden daarvan wordt afgeweken.
Antwoord
De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen nadere uitleg over de voorwaarden waaronder
de Commissie kan kiezen voor een kortere duur van verlening van frequentierechten.
In artikel 24 van het DNA-voorstel gaat het over de duur van vergunde rechten. De
hoofdregel daarbij (artikel 24, eerste lid), is dat rechten voor het gebruik van frequenties
in beginsel voor een oneindige periode worden verleend. Als uitzondering op de hoofdregel,
kunnen individuele gebruiksrechten voor een gelimiteerde periode worden verleend (artikel 24,
derde lid). De periode die hiervoor gekozen kan worden door een lidstaat moet onderbouwd
worden met een analyse van de technische en economische situatie en de concurrentie
in de markt (artikel 30, vierde lid).
In het geval van individuele gebruiksrechten voor draadloze breedbanddiensten, waarbij
gedacht kan worden aan mobiele communicatie, is de beperking ingesteld op minstens
40 jaar (artikel 24, vierde lid). Van deze periode kan bijvoorbeeld worden afgeweken
als het gaat om beperkte geografische gebieden waar toegang tot netwerken van hoge
snelheden ontbreekt of ernstig tekortschiet, voor specifieke korte termijn projecten
of voor experimenteel gebruik (artikel 24, vijfde lid). Over deze mogelijke inperkingen
heeft het kabinet verder opgemerkt dat de Commissie in het voorstel een mogelijkheid
heeft gecreëerd om een veto uit te spreken als zij deze niet gepast dan wel onnodig
acht (overweging 116).
De Commissie geeft in de overwegingen aan waarom zij onbeperkte vergunningsduren nodig
acht: dit zou volgens de Commissie investeringszekerheid bevorderen en bijdragen aan
een snellere uitrol van netwerken en betere dienstverlening. Ook zouden oneindige
vergunningsduren een secundaire markt voor handel en leasing kunnen faciliteren (overwegingen
100 en 101).
Voor wat betreft het standpunt van het kabinet over de onbeperkte vergunningsduren,
kan nog opgemerkt worden dat de huidige vergunningsduren tussen de 15 en 20 jaar zijn,
gebaseerd op het huidige Europese kader van de Telecomcode. Een dergelijke termijn
maakt het mogelijk voor zowel nieuwkomers als bestaande partijen om hun investeringen
terug te verdienen met een redelijk rendement. Dit wordt in de Nota Mobiele Communicatie9 nader toegelicht. Naar het oordeel van het kabinet biedt een dergelijke termijn ruimte
om frequenties daar waar nodig te herbestemmen en herverdelen, bijvoorbeeld om innovatie
te stimuleren of asymmetrische marktposities te corrigeren. Zoals aangegeven in het
fiche zijn de huidige vergunningstermijnen in veel EU-landen, waaronder Nederland,
lang genoeg om voldoende investeringen te doen. Als er voorkeur zou zijn in bepaalde
EU-landen om langere termijnen te hanteren, biedt het huidige kader die mogelijkheid
al. De inzet van het kabinet is er daarom op gericht om maatwerk per land mogelijk
te blijven houden.
13
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Commissie wil voorkomen dat nationale
regulering de groei en vraag van breedbanddiensten belemmert. Echter, deze leden erkennen,
net als het kabinet, dat de staat van de digitale infrastructuur in Nederland gunstig
is. Deelt het kabinet de mening dat nationale regulering ook gunstig kan uitpakken
voor de groei en vraag van breedbanddiensten? Is dit in Nederland het geval geweest?
Zij benadrukken bijvoorbeeld dat Nederland vooralsnog het enige EU-lidstaat is dat
wettelijk het principe van netneutraliteit in de telecomwetgeving heeft vastgelegd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dit een waardevolle verankering van
open internet principes. Valt dit volgens de Commissie ook onder onwenselijke «nationale
regulering»?
Antwoord
Bij onwenselijke «nationale regulering» doelt de Commissie ogenschijnlijk op nationale
koppen bij implementatie van het wetgevend kader voor telecom. Met Europese harmonisatie
middels een verordening, is er minder ruimte voor deze nationale regulering. De principes
van netneutraliteit zaten daarbij al in een Europese verordening (Open Internet Verordening),
en golden daarmee voor alle lidstaten. Deze Europese bepalingen worden in grotendeels
ongewijzigde vorm overgenomen in de DNA, waarmee het Europese kader voor openinternet-principes
in stand blijft. In lijn met het BNC-fiche zet het kabinet zich in voor behoud van
de openinternet-principes.
14
Deze leden lezen dat de uitfasering van kopernetwerken wordt versneld. Zij vragen
het kabinet welke gevolgen dit heeft voor Nederland en wat de huidige stand is van
het uitfaseren van koper. Ook vragen zij of het behouden van (enkele relevante) kopernetwerken,
in een noodgeval of om de weerbaarheid in tijd van crisis te vergroten, ook gunstig
kan zijn.
Antwoord
Het uitfaseren van het kopernetwerk door KPN is al in 2020 in gang gezet en inmiddels
is ongeveer de helft van de leveradressen overgezet naar glasvezel. Een belangrijke
drijfveer voor KPN om deze transitie in gang te zetten is dat de koperen infrastructuur
verouderd is en geen gigabitsnelheden kan leveren. Ook verbruiken deze kopernetwerken
veel meer stroom dan nieuw aangelegde glasvezelnetwerken. Gelet op de al hoge mate
van beschikbaarheid van vaste gigabitnetwerken in Nederland10 zal een versnelde afschakeling nagenoeg geen impact hebben op het (tijdig) waarmaken
van de Europese connectiviteitsdoelstellingen (in Nederland). Daarentegen zullen administratieve
lasten voor overheden en bedrijven naar verwachting hoog zijn, als gevolg van de verplichtingen
voor het opstellen en uitvoeren van uitfaseringsplannen. Het kabinet zal zich in de
onderhandelingen dan ook inzetten voor een proportioneel voorstel waarbij lasten in
verhouding staan tot het doel. Omdat het kopernetwerk niet toekomstbestendig is en
steeds lastiger te onderhouden, is het voor de langere termijn niet geschikt als betrouwbaar
«back-up netwerk». Het ligt meer voor de hand om voor noodgevallen en het versterken
van weerbaarheid te richten op moderne netwerken zoals glasvezel, mobiel en satelliet.
Hier wordt in het kader van weerbaarheid tegen hybride en militaire dreigingen aan
gewerkt.
15
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Commissie in het DNA-voorstel
netneutraliteitsregels wil integreren. Deze leden zijn voorstander van het zo veel
mogelijk wettelijk implementeren van deze regels in nationaal beleid, als waardevolle
tegenmacht om monopolievorming en machtsmisbruik in de digitale sector tegen te gaan.
Wat zijn de gevolgen van het integreren van netneutraliteit in het DNA-voorstel? Heeft
dit als gevolg dat ook andere EU-lidstaten de open internet principes in nationaal
beleid moeten verankeren? Vindt het kabinet dit een goede ontwikkeling, en is zij
bereid om daarvoor te pleiten?
Antwoord
De netneutraliteitsregels zijn vastgelegd in de huidige OIR, waardoor deze rechtstreeks
gelden in alle Europese lidstaten en implementatie in nationale wetgeving niet nodig
is. Het ongewijzigd overnemen van de regels in de voorgestelde DNA heeft slechts tot
gevolg dat de regels uit de OIR onderdeel zullen zijn van deze verordening. Het kabinet
vindt het een goede ontwikkeling dat de openinternet-principes behouden blijven in
de EU, en pleit hier dan ook voor in de onderhandelingen.
16
Zij hebben kritische opmerkingen over het conciliatiemechanisme. Het lijkt erop dat
de macht van de toezichthouder beperkt wordt, omdat zij geen bindende conclusie aan
het overleg kan geven. Daarmee kan het mechanisme verworden tot een vrijblijvende
en trainerende optie voor partijen in geschil. Welke voorstellen heeft het kabinet
om dit risico te vermijden en de doorzettingsmacht van de toezichthouder te bestendigen?
Antwoord
Het conciliatiemechanisme, zoals geïntroduceerd in het DNA-voorstel, bestaat naast
het geschilbeslechtingsmechanisme, waarbij de toezichthouder wel bindende conclusies
kan geven. Wel deelt het kabinet de bedenkingen van GroenLinks-PvdA over de noodzaak
van het introduceren van het conciliatiemechanisme, zoals uiteengezet in het BNC-fiche.
Zo is er geen sprake van aantoonbaar marktfalen in de markt voor interconnecties en
bestaat de zorg bij het kabinet dat het mechanisme zich onbedoeld kan lenen als drukmiddel
tegen middelgrote en kleinere content- en applicatieaanbieders. Het kabinet zal zich
daarom inzetten om enerzijds een betere onderbouwing van de noodzaak van het conciliatiemechanisme
te vragen, en anderzijds tijdens de onderhandelingen inzetten op goede waarborgen
om te voorkomen dat het conciliatiemechanisme vatbaar wordt voor misbruik ten aanzien
van de verschillende partijen in het ecosysteem. Hierbij onderzoekt het kabinet ook
mogelijke voorwaarden, met inachtneming van de openinternet-principes, die hieraan
bij kunnen dragen.
17
Bovendien vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie om een reactie op het risico
dat de Single Passport Procedure ertoe leidt dat internationale leveranciers zich
vestigen in het land met de laagste kwaliteit van toezicht.
Antwoord
Het kabinet signaleert in het BNC-fiche het risico dat de Single Passport Procedure onbedoeld de deur zou kunnen openen naar een situatie waarbij internationale spelers
zich vestigen in een land met de laagste kwaliteit van toezicht (forum-shopping). Het kabinet zal dit om deze reden tijdens de onderhandelingen onder de aandacht
brengen. Hierbij kan worden gedacht aan een kader, waarbinnen invulling voor het dagelijkse
en operationele toezicht door de nationale toezichthouder mogelijk is, ongeacht in
welk land het bedrijf gevestigd is.
18
Deze leden maken zich zorgen over de mogelijkheid dat de EDI-wallet een rol gaat spelen
bij noodhulpcommunicatie. Zij kunnen zich niet inbeelden welke rol de wallet kan spelen,
en hoe dit de betrouwbaarheid en snelheid van noodcommunicatie kan verbeteren. Wat
verwacht het kabinet van deze mogelijkheid? Kan zij concreet uitleggen hoe het kabinet
gaat voorkomen dat er impliciete dwang ontstaat om de EDI-wallet te gebruiken in een
noodsituatie, waarin mensen sneller geneigd zullen zijn om voor de makkelijkste optie
te kiezen, en dus ook sneller onder druk gezet kunnen worden?
Antwoord
In de eIDAS-verordening is vastgelegd dat het gebruik van EDI-wallets vrijwillig dient
te zijn voor gebruikers. In lijn hiermee, is voor het kabinet dan ook het uitgangspunt
dat burgers te allen tijde zelf bepalen of en wanneer zij deze EDI-wallet gebruiken.
Er mogen geen prikkels ontstaan die het gebruik van de wallet feitelijk noodzakelijk
maken in noodsituaties. Impliciete dwang kan voorkomen worden door ervoor te zorgen
dat er verschillende manieren beschikbaar blijven voor noodcommunicatie, zoals telefonische
oproepen en websites.
19
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven de positie van het kabinet
om alle consumenten in Nederland toegang moeten hebben tot basistelecomdiensten. Deze
leden vragen het kabinet voor welke consumenten dit in Nederland nog niet het geval
is, en wat het kabinet gaat doen om álle consumenten hier recht op te geven. Wel wijzen
zij erop dat er eerder sprake moet zijn van «burgers» dan «consumenten,» omdat online
connectiviteit een randvoorwaarde is voor goed burgerschap en meedoen in de maatschappij.
Zij vragen het kabinet welke voorstellen zij proactief doet in de onderhandelingen
van het DNA-voorstel en de Gigabit Infrastructure Act (GIA) om dit uitgangspunt te
versterken en in heel Europa uit te dragen.
Antwoord
Eind 2025 kan 99,5% van de Nederlandse huishoudens beschikken over een vaste internetverbinding
van ten minste 100 Mbps en 98,9% over een verbinding van 1 Gbps.11 De verwachting is dat deze beschikbaarheid in de komende jaren verder zal toenemen,
als gevolg van verdere verglazing. De huishoudens die (nog) niet kunnen beschikken
over een snelle vaste verbinding, kunnen gebruik maken van snelle draadloze oplossingen
die in veel gevallen sneller zijn dan de vaste internettoegang op die locaties.12 Als ultimum remedium kan de overheid een universele dienstverplichting opleggen aan
de markt, maar alleen als de toegang tot een adequate breedbanddienst ontbreekt en
minder marktverstorende overheidsinterventies zoals staatssteun geen soelaas bieden.13 In de onderhandelingen van het DNA-voorstel zal worden ingezet op het behoud van
de Universele Dienstverlening als vangnet voor de levering van een basisniveau internettoegang.
Wat betreft de GIA hebben de onderhandelingen hierover in 2023/2024 plaatsgevonden,
waarna de verordening op 11 mei 2024 in werking is getreden en op 12 november 2025
van kracht is geworden. De verordening heeft tot doel het versnellen van de uitrol
van glasvezel en 5G in de hele EU, niet zozeer het bieden van toegang tot basistelecomdiensten
voor burgers.
20
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben twijfels of de DNA-Verordening zal
leiden tot het verminderen van regeldruk. Het kabinet stelt dit wel als voordeel.
Kan het kabinet hard maken dat er nu grote regeldruk bestaat in de telecom, en dat
het DNA-voorstel noodzakelijk is? Vindt Nederland deze Verordening wel nodig?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het doel van de verordening om bij te dragen aan toekomstbestendige
digitale infrastructuur in de EU en het verdiepen van de interne markt voor telecom.
Daarbij ziet het kabinet dat een aantal bepalingen mogelijk leiden tot regeldrukverminderingen,
met name voor grensoverschrijdend opererende aanbieders. Dit is mede het gevolg van
verdere harmonisatie van het kader. Een aantal van de bepalingen hebben daarentegen
ook negatieve regeldrukgevolgen, zoals de uitfasering van kopernetwerken. Het kabinet
zal de Commissie verzoeken opheldering te geven of nader te specificeren wat de verwachte
gevolgen zijn op het gebied van regeldruk, op onderdelen van het voorstel waar dit
onvoldoende duidelijk naar voren komt in het impact assessment.
21
Deze leden lezen dat voor defensiesystemen nationale ruimte geboden moet zijn, om
vanuit veiligheidsbelangen nadere eisen te stellen. Dit achten deze leden verstandig.
Zij vragen daarom of het kabinet van plan is om een uitzonderingspositie voor frequentievergunningen
in het Defensie-domein te bepleiten. Kan het kabinet verder toelichten wat «flexibiliteit»
voor nationale autoriteiten wat haar betreft inhoudt?
Antwoord
Het kabinet ziet grote risico’s in het voorstel tot het verstrekken van frequentievergunningen
van onbeperkte duur. Die risico’s betreffen de mogelijk negatieve effecten op de concurrentie
in de mobiele telecommunicatiemarkt en daarmee op noodzakelijke prikkels tot innovatie.
Daarnaast zullen oneindige vergunningsduren het veel moeilijker maken om banden in
de toekomst een andere bestemming te geven als de maatschappelijke behoefte daarom
vraagt. Het is belangrijk dat nationale autoriteiten flexibel kunnen inspelen op specifieke
spectrumbehoeften zonder te worden ingeperkt door EU-brede, in tijd onbegrensde licenties
voor draadloze breedbanddiensten. Naast defensiesystemen zijn er nog tal van andere
systemen die deze nationale flexibiliteit nodig hebben. Zo kan het ook voor andere
publieke taken, zoals die van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap en Infrastructuur en Waterstaat, maar ook voor privaat gebruik,
nodig zijn om maatwerk op nationaal niveau te leveren.
Verder ingaand op de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie over wat flexibiliteit voor
nationale autoriteiten inhoudt kan het kabinet aangeven dat dit ziet op onder andere
het flexibel kunnen inspelen op specifieke frequentiebehoeften voor nationale casussen.
Dat houdt in dat er meer rekening gehouden moet kunnen worden met regionale verschillen,
omdat Nederland in vergelijking tot veel andere Europese lidstaten een vlak oppervlakte
heeft en dichtbevolkt is. Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan
in bijvoorbeeld bergachtige gebieden. Gevolg hiervan kan zijn dat frequenties niet
bestemd worden voor het gebruik met de grootste maatschappelijke waarde.
22
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ondersteunen het kabinet in de vraag om meer
duidelijkheid over het verlengen van al uitgegeven vergunningen. Het moet heel helder
zijn welke gevolgen het aannemen van de DNA-Verordening heeft op de huidige telecommarkt,
en specifiek wat de gevolgen zijn voor Nederland. Tevens zijn deze leden benieuwd
hoe het kabinet zich zal inzetten om «waarborgen voor effectieve mededinging» in het
voorstel te behouden. Welke waarborgen staan momenteel onder druk, en met welke gelijkgestemde
landen trekt Nederland hierin op?
Antwoord
Effectieve mededinging is inderdaad noodzakelijk voor goede betaalbare en innovatieve
telecommunicatiediensten. Het kabinet is daarom kritisch op de veel langere vergunningsduur
en de eventueel ruimere mogelijkheden tot verlenging van vergunningen. Er moet op
worden toegezien dat langdurige bestendiging van de markt er niet toe leidt dat concurrentie-
en innovatieprikkels verminderen. Voor Nederland is dit een belangrijk punt in de
onderhandelingen. Hoewel het DNA-voorstel op dit punt informeel bredere kritiek krijgt,
kan het kabinet geen uitspraken doen over het optrekken met gelijkgestemde landen.
Dat heeft er mee te maken dat lidstaten om verschillende redenen kritisch kunnen zijn,
maar ook omdat iedere lidstaat zijn eigen integrale afwegingen in de onderhandelingen
zal maken.
23
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn voorstander van het stevig verankeren
van netneutraliteit en een open internet. Dit is broodnodige zekerheid dat de macht
in de digitale wereld eerlijk wordt verdeeld. Deze leden vragen dan ook welke specifieke
voorstellen het kabinet zal doen om deze principes het uitgangspunt te maken van het
Europese beleid.
Antwoord
Het kabinet onderschrijft de principes van netneutraliteit en open internet. Het kabinet
staat er dan ook positief tegenover dat de openinternet-principes in het DNA-voorstel
behouden blijven. Het kabinet zal zich primair inzetten tijdens de onderhandeling
voor het behoud van de huidige principes in het DNA-voorstel.
24
Zij begrijpen de zorgen van het kabinet over het conciliatiemechanisme. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om duidelijk toe te lichten hoe dit
mechanisme er volgens haar idealiter uit moet zien. Moet er bijvoorbeeld een drempel
gelden voor wanneer aanbieders dit mechanisme in kunnen roepen? Waarop baseert het
kabinet haar aanname dat er van dit mechanisme misbruik gemaakt kan worden, en met
welke voorstellen komt het kabinet om dit risico te voorkomen?
Antwoord
Het kabinet heeft in beginsel vragen bij de meerwaarde van het conciliatiemechanisme,
in een goed functionerende markt voor interconnectie. Idealiter wordt, bij een dergelijke
introductie, ervoor gezorgd dat het zich niet onbedoeld kan lenen voor misbruik ten
nadele van middelgrote en kleinere content- en applicatieaanbieders. Bij herhaaldelijk
gebruik van het conciliatiemechanisme, kan dit mogelijk als drukmiddel gebruikt worden
tegen deze aanbieders, met als doel een veranderende kostenverdeling tussen partijen
in het interconnectie-ecosysteem. Om deze reden zet het kabinet zich in om enerzijds
een betere onderbouwing van de noodzaak van het conciliatiemechanisme te vragen en
anderzijds tijdens de onderhandelingen in de zetten op goede waarborgen om te voorkomen
dat het conciliatiemechanisme vatbaar wordt voor misbruik ten aanzien van de verschillende
partijen in het ecosysteem. Hierbij onderzoekt het kabinet ook mogelijke voorwaarden,
met inachtneming van de openinternet-principes, die hieraan bij kunnen dragen.
25
Deze leden lezen dat het kabinet «niet onwelwillend [staat]» tegenover de nieuwe bestuurlijke
inrichting. Zij horen graag concreter waarover het kabinet nog twijfelt en welke voorstellen
over de bestuurlijke inrichting wat haar betreft niet nodig of nog onvoldoende van
meerwaarde zijn.
Antwoord
Het kabinet staat in beginsel positief tegenover de voorgestelde bestuurlijke inrichting
in het DNA-voorstel ten aanzien van BEREC, RSPB en het ondersteunende orgaan (Office
for Digital Networks). Het kabinet ziet op dit moment geen specifieke onderdelen die
het als niet wenselijk acht of waarvan de meerwaarde onvoldoende is aangetoond. In
de onderhandelingen zal het kabinet aandacht hebben voor de uitvoerbaarheid en administratieve
lasten voor nationale toezichthouders zoals de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur
(RDI) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) binnen de bestuurlijke inrichting.
26
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om de kritiek op het harmoniseren
van het nummerbeleid nader te onderbouwen. Het kabinet beschrijft dat er een weging
van diverse publieke belangen moet plaatsvinden om hier regels over te maken. Welke
belangen zijn dat, en hoe weegt Nederland die belangen?
Antwoord
Het kabinet heeft nog vragen over het voorgestelde kader voor een verdere harmonisering
van het nummerbeleid. Het is namelijk nog onduidelijk wat de precieze mate van harmonisatie
is die de Commissie nastreeft en wat daarvan de gevolgen zijn, bijvoorbeeld voor nummerportabiliteit
en toegang tot hulpdiensten. Ook is bijvoorbeeld onduidelijk tot welke kosten dit
voor telecomaanbieders leidt. Het kabinet zal vragen om een nadere motivatie en verduidelijking
van het voorstel.
Als onderdeel van de harmonisatie doet de Commissie het voorstel een onafhankelijke
nationale regelgevende instantie de bevoegdheid te verlenen (telefoon)nummerplannen
te beheren (artikelen 48 en 115) die ook strekt tot het opstellen van regels voor
het nummerbeheer. In beginsel is het kabinet kritisch op het volledig beleggen van
nummerbeleid gerelateerde taken bij een onafhankelijke nationale regelgevende instantie
waar deze om een weging van diverse publieke belangen vragen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld
om de betekenis van geografische netnummergebieden (zoals 010, 020), nummers voor
diensten met een bijzonder maatschappelijk belang (zoals 113, 144) en mogelijke omnummering
indien de capaciteit van nummerreeksen zou moeten worden vergroot (zoals zich kan
voordoen bij de 06-nummerruimte). Deze vereisen een integrale benadering, afgestemd
op de nationale situatie, en dienen niet volledig op afstand van de politiek te worden
belegd.
27
Deze leden ondersteunen van harte de inzet van het kabinet om de privacy beter te
waarborgen in de aanpak van online fraude. Telecomaanbieders moeten niet op de stoel
van de opsporing gaan zitten om fraudeurs en slachtoffers op te sporen; dit is een
verstrekkende bevoegdheid die helder belegd moet worden bij de juiste autoriteiten.
Hoe gaat het kabinet zich inzetten voor een transparante en effectieve verdeling van
deze taken, en welke taak ziet het kabinet weggelegd voor telecomaanbieders in het
aanpakken van online fraude? Met welke landen trekt Nederland hierin op?
Antwoord
Het kabinet deelt de mening dat strafrechtelijke opsporing een publieke taak is die
belegd moet zijn bij bevoegde autoriteiten. In het kader van strafrechtelijke opsporing
is de verhouding tot aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten
vastgelegd in nationale regelgeving, zoals het Wetboek van Strafvordering. Buiten
het domein van strafrechtelijke opsporing kunnen telecomaanbieders vanuit hun centrale
positie in telecomnetwerken en het feit dat daarvoor veelvuldig ook telecomvoorzieningen
worden misbruikt, ook een rol spelen in het aanpakken van online fraude. Dit door
maatregelen te treffen om online fraude te kunnen detecteren en te beëindigen, en
zo mogelijk ook te kunnen voorkomen. Daarom is het belangrijk dat telecomaanbieders
de daarvoor benodigde ruimte krijgen in de regelgeving die op hen van toepassing is.
Waar strafrechtelijke opsporing veelal plaatsvindt naar aanleiding van voltrokken
strafbare feiten, kunnen met dergelijke preventieve maatregelen en interventies bij
incidenten telecomgebruikers beter beschermd worden en zo verdere slachtoffers van
online fraude voorkomen worden. Wel trekt Nederland al op met andere landen bij het
ontwikkelen van een geharmoniseerde aanpak hiervoor. Het gaat daarbij tot dusverre
om kennisuitwisseling en het opstellen van richtsnoeren in breder Europees (European Conference of Postal and Telecommunications Administrations, CEPT) verband, waarbij ook wordt opgetrokken met de Europese Commissie en landen
buiten de EU.
28
Tot slot lezen zij dat het kabinet verwacht dat een meerderheid van EU-lidstaten kritisch
zal zijn op de voorstellen van de Commissie. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vragen daarom in hoeverre de DNA-Verordening nog zal wijzigen naar aanleiding van
deze kritiek. Van welke voorstellen verwacht het kabinet dat deze nog ingrijpend zullen
veranderen, of algeheel kunnen verdwijnen? Is er sprake van een Verordening die onvoldoende
is afgestemd op de wensen van de EU-lidstaten? Kan het kabinet wat meer vertellen
over lidstaten in de totstandkoming van de Verordening zijn betrokken? Als laatste
zijn de leden benieuwd wat de voor- en nadelen zouden zijn om de DNA een richtlijn
te maken, in plaats van een verordening. Welke rechtsvorm heeft de voorkeur van het
kabinet?
Antwoord
Het kabinet verwacht dat bepaalde onderdelen van het DNA-voorstel, zoals het voorstel
om beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid over te dragen aan de Commissie, kritisch
zullen worden ontvangen door een groot aantal lidstaten. Voor andere onderdelen van
het DNA-voorstel verwacht het kabinet juist steun bij veel lidstaten, zoals het behoud
van toegangsregulering. Gezien het Europees Parlement en de Raad gaan onderhandelen
over het voorstel van de Commissie en daarbij amendementen zullen voorstellen is het
waarschijnlijk dat de DNA na onderhandelingen zal verschillen van de tekst die de
Commissie heeft voorgesteld. Het is op dit moment nog niet te zeggen op welke onderdelen
het DNA-voorstel zal veranderen. Zowel de Raad als het Europees Parlement hebben nog
geen formele positie ingenomen.
Voorafgaand aan het voorstel van de Commissie voor de DNA is er op Europees niveau
een beleidsdiscussie gevoerd over de toekomst van digitale infrastructuur in de EU.
Deze discussie is geïnitieerd door de Commissie met de publicatie van het witboek
over digitale infrastructuur in 2024.14 De lidstaten hebben hierop gereflecteerd en gereageerd via raadconclusies die zijn
aangenomen tijdens de telecomraad op 6 december 2024.15 In aanvulling hierop heeft het kabinet in 2025 via het Nederlandse non-paper digitale
connectiviteiteigenstandig positie genomen in deze Europese discussie.16 Tot slot heeft de Europese Commissie in 2025 via een evaluatie van de bestaande EU-wetgeving,
de Europese telecomcode, belanghebbenden en lidstaten geconsulteerd. Het kabinet constateert
dat het DNA-voorstel van de Commissie op belangrijke onderdelen verschilt van de ideeën
die de Commissie eerder heeft uiteengezet in het witboek en daarmee op bepaalde onderwerpen
gevoelig is gebleken voor de standpunten van lidstaten en belanghebbenden. Zo hebben
Nederland en andere lidstaten gepleit voor het behoud van toegangsregulering dat effectieve
mededinging in de telecomsector waarborgt. De Commissie heeft in het DNA-voorstel
toegangsregulering grotendeels in stand gehouden. Anderzijds zijn op het terrein van
frequentiebeleid voorstellen gedaan in de DNA die gelijkenis tonen met de ideeën in
het witboek van de Commissie, ondanks een kritische notie hierover van de lidstaten
in de raadsconclusies.
De rapporten Letta en Draghi benadrukken ook de cruciale rol van digitale infrastructuur
voor de Europese concurrentiekracht. Tegelijkertijd identificeren de rapporteren Letta
en Draghi een gefragmenteerde markt voor elektronische communicatie in de EU en is
verdere verdieping van de interne markt aanbevolen. Het kabinet onderschrijft deze
conclusie. Verdere harmonisering van het wetgevend kader kan hieraan bijdragen, mits
op bepaalde terreinen, zoals frequenties, nationaal maatwerk mogelijk blijft. Ook
binnen het wetinstrument EU-verordening is het mogelijk om lidstaten de ruimte te
geven voor nationaal maatwerk. Het kabinet ziet daarom in algemene zin geen bezwaar
dat het DNA-voorstel een verordening is.
29
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Verordening betreffende digitale
netwerken en het bijbehorende fiche en hebben hierover enkele vragen.
Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan garanderen dat deze verordening niet
zal leiden tot een lager niveau van digitale soevereiniteit en minder regie over kritieke
netwerken dan onder deze verordening het geval zal zijn.
Antwoord
Het kabinet hecht groot belang aan digitale soevereiniteit. Het kabinet verstaat daaronder
het vermogen van de EU om in het digitale domein als mondiale speler, in samenwerking
met internationale partners, op basis van eigen inzichten en keuzes publieke belangen
te borgen en weerbaar te zijn in een onderling verbonden wereld.17 Digitale infrastructuur heeft in de praktijk een grensoverschrijdend karakter wat
betekent dat regie op en verminderen van afhankelijkheden niet uitsluitend op nationaal
niveau kan worden geadresseerd. Daarnaast is een goed functionerende digitale infrastructuur
in andere lidstaten bevorderlijk voor de Europese weerbaarheid en concurrentiekracht.
Dit draagt daarmee bij aan onze digitale soevereiniteit. Bovendien versterkt dit het
Nederlandse verdienvermogen en geopolitieke handelingsvrijheid.
Om die reden onderschrijft het kabinet het doel van het DNA-voorstel om bij te dragen
aan toekomstbestendige digitale infrastructuur in de EU en het verdiepen van de interne
markt voor telecom. Harmonisatie van de telecomregulering is hier onderdeel van. Het
kabinet erkent daarbij nadrukkelijk het belang van regie over kritieke netwerken.
Zoals ook aangegeven in het BNC-fiche, zal het kabinet op onderdelen van het voorstel
waar zorgen bestaan over de verhouding tussen de bevoegdheidsverdeling van de individuele
lidstaten en de Commissie, tijdens de onderhandelingen de Commissie hierop bevragen.
Dit betreft onder meer de onderdelen van het voorstel over frequentiebeleid, satellietcommunicatie
en het nieuw geïntroduceerde weerbaarheidshoofdstuk.
30
Zij vrezen dat Nederlandse providers en burgers te maken gaan krijgen met extra bureaucratie
en harmonisatiedwang ten gevolge van deze «vereenvoudiging» van digitale netwerken,
terwijl de echte knelpunten zoals een tekort aan technici, afhankelijkheid van buitenlandse
leveranciers en trage uitrol blijven liggen. Kan de Staatssecretaris garanderen dat
Nederlandse burgers en bedrijven niet op kosten worden gejaagd?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het doel van de verordening om bij te dragen aan toekomstbestendige
digitale infrastructuur in de EU en het verdiepen van de interne markt voor telecom.
Het kabinet voorziet dat de DNA op onderdelen kan gaan leiden tot vermindering van
regeldruk voor bedrijven, zoals bij de Single Passport Procedure. Daarnaast ziet het kabinet geen concrete regeldruk gevolgen voor burgers.
Het kabinet deelt daarbij wel de constatering van de PVV dat een aantal bepalingen
mogelijk negatieve regeldruk gevolgen hebben, zoals bij de uitfasering van kopernetwerken.
Dit aangezien Nederland in de Europees context voorloopt bij de uitrol van glasvezel.
Daarom zal het kabinet de Commissie verzoeken opheldering te geven of nader te specificeren
wat de verwachte gevolgen zijn op het gebied van regeldruk, van onderdelen van het
voorstel waar dit onvoldoende duidelijk naar voren komt in het impact assessment.
31
Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet expliciet kan pleiten
voor een «opt-out» of voor nationale uitzonderingen op de verordening, zodat Nederland
niet nog dieper in de Europese digitale eenheid wordt getrokken.
Antwoord
Het kabinet staat in beginsel positief tegenover het voorstel en de doelstelling om
bij te dragen aan toekomstbestendige digitale infrastructuur in de EU, zoals ook beschreven
in het Nederlandse non-paper over Digitale Connectiviteit.18 Een nationale uitzondering zou niet bijdragen aan het verdiepen van de interne markt
voor telecom, wat van belang is om de Europese digitale infrastructuur op de lange
termijn concurrerend, hoogwaardig, veilig, betrouwbaar en betaalbaar te houden.
32
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche
over de Verordening betreffende digitale netwerken. Deze leden onderschrijven het
belang van sterke, veilige en toekomstbestendige digitale netwerken in Europa. Europese
samenwerking kan helpen om versnippering tegen te gaan en investeringen te bevorderen.
Voor deze leden is wel van belang dat dit niet leidt tot onnodige overdracht van nationale
bevoegdheden, extra regeldruk of een verslechtering van het gelijke speelveld voor
kleinere partijen.
Zij lezen dat het kabinet kritisch is op verdergaande Europese sturing op het spectrumbeleid.
De leden van de CDA-fractie vragen welke inzet het kabinet kiest om voldoende nationale
zeggenschap en maatwerk te behouden, juist omdat Nederland op dit terrein goed functioneert.
Antwoord
Het kabinet zal zich inzetten voor een proportioneel voorstel waarbij zo veel de harmonisatie
van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders op EU-niveau, mogelijk
wordt gemaakt, maar waarbij ook de mogelijkheid blijft bestaan om nationaal maatwerk
te leveren. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, zal de meerderheid van de lidstaten
kritisch staan tegenover het afstaan van de beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid
aan de Commissie. Het kabinet zal zich inzetten om met deze lidstaten samen te werken
om tot een proportioneel voorstel te komen.
33
Deze leden lezen daarnaast dat het voorstel nieuwe regels bevat voor interconnectie,
terwijl het kabinet vraagtekens zet bij de noodzaak daarvan. Zij vragen hoe het kabinet
voorkomt dat deze nieuwe regels in de praktijk ongunstig uitpakken voor kleinere content-
en applicatieaanbieders, waaronder mkb-bedrijven en scale-ups, en hoe daarbij een
open en eerlijk internet geborgd blijft.
Antwoord
Het kabinet zal zich, vanwege deze onduidelijkheid omtrent het conciliatiemechanisme,
primair inzetten op meer duidelijkheid vanuit de Commissie voor de noodzaak en toegevoegde
waarde van dit mechanisme. Het is voor het kabinet van belang dat de introductie van
een conciliatiemechanisme niet onbedoeld ongunstig uitpakt voor (kleinere) content-
en applicatieaanbieders, zoals ook uiteengezet in het BNC-fiche. Het kabinet zal zich
daarbij ook inzetten voor het behoud van de openinternet-principes in het DNA-voorstel.
34
Voorts lezen de leden van de CDA-fractie dat het kabinet vragen heeft bij mogelijke
overlap tussen de weerbaarheidsbepalingen in deze verordening en bestaande kaders,
zoals de NIS2- en de CER-richtlijn. Deze leden vragen hoe het kabinet wil voorkomen
dat dit leidt tot dubbele verplichtingen, extra administratieve lasten en onduidelijkheid
in het toezicht. Zij vragen daarbij in het bijzonder hoe het kabinet de cyberweerbaarheid
wil versterken zonder nieuwe stapeling van regels.
Antwoord
Zoals ook in het BNC-fiche wordt beschreven zal het kabinet de Commissie vragen om
dit te verduidelijken. Op het gebied van weerbaarheid kan het voorstel van de Commissie
mogelijk leiden tot regeldruk door mogelijke extra (administratieve) verplichtingen
bij aanbieders van openbare elektronische netwerken en diensten door het Preparedness Plan for Digital Infrastructure van BEREC. De inzet is om scherp te krijgen hoe de Commissie deze verhouding ziet
en extra onnodige regeldruk te voorkomen.
35
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen de Single
Passport Procedure. Deze leden vragen welke waarborgen nodig zijn om te voorkomen
dat bedrijven gaan shoppen tussen lidstaten met het soepelste toezicht, en hoe wordt
geborgd dat effectief toezicht en een gelijk speelveld behouden blijven.
Antwoord
Het kabinet signaleert in het BNC-fiche het risico dat de Single Passport Procedure onbedoeld de deur zou kunnen openen naar een situatie waarbij internationale spelers
zich vestigen in een land met de laagste kwaliteit van toezicht («forum-shopping»). Het kabinet zal om deze reden dit tijdens de onderhandelingen onder de aandacht
brengen. Hierbij kan worden gedacht aan een kader, waarbinnen invulling voor het dagelijkse
en operationele toezicht door de nationale toezichthouder mogelijk is, ongeacht in
welk land het bedrijf gevestigd is.
36
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van de Europese
Commissie inzake de Verordening digitale netwerken en het bijbehorende BNC-fiche van
het kabinet. Deze leden constateren dat het voorstel een ingrijpende herziening behelst
van het Europese kader voor digitale connectiviteit en verder reikt dan enkel telecommarktordening.
Het voorstel raakt immers ook aan strategische autonomie, digitale infrastructuur,
AI, cloud, satellietcommunicatie en crisisbestendigheid. Deze leden onderschrijven
het belang van hoogwaardige, veilige en veerkrachtige digitale netwerken, maar hebben
naar aanleiding van het voorstel nog de volgende vragen.
Zij lezen dat het kabinet kritisch is op de verschuiving van bevoegdheden richting
de Europese Commissie, met name ten aanzien van spectrumbeleid. Kan de Staatssecretaris
nader toelichten op welke concrete onderdelen van het voorstel nationale bevoegdheden
onder druk komen te staan? In hoeverre acht de Staatssecretaris het bovendien wenselijk
dat besluitvorming over spectrumgebruik (bijvoorbeeld voor 5G, 6G en satellietcommunicatie)
op EU-niveau wordt gecentraliseerd? Welke risico’s ziet de Staatssecretaris verder
voor lidstaten die momenteel goed presteren, zoals Nederland?
Antwoord
Zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche erkent het kabinet het belang van het zoveel
mogelijk harmoniseren van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders
op EU-niveau. Echter is het kabinet van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft
om in te kunnen spelen op nationale omstandigheden en beleidsdoelen voor het bevorderen
van draadloze toepassingen. Bij beleidsdoelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid
om specifieke nationale eisen te stellen aan de kwaliteit en snelheid van de mobiele
netwerken. Nationale omstandigheden betreffen bijvoorbeeld de invloed van specifieke
geografische en demografische kenmerken. Zo heeft Nederland in vergelijking tot veel
andere lidstaten een vlak oppervlakte en is het dichtbevolkt, zonder grote buitengebieden.
Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige
gebieden. Het kabinet ziet risico’s in het verder verbreden en verplichten van harmonisatie
in het Nationaal Frequentieplan omdat, gegeven onder andere de geografie en demografie
van Nederland maar ook de marktvraag, de frequentiebestemmingen niet optimaal worden
vastgesteld. Een gevolg hiervan kan zijn dat de frequenties in Nederland niet bestemd
worden voor het gebruik met de grootste maatschappelijke waarde. Tevens is het (her)bestemmen
van vergunningen voor nieuwe toepassingen moeilijker. Het is daarom volgens het kabinet
niet wenselijk om meer centralisatie bij de Commissie te leggen op het gebied van
beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid.
37
De leden van de fractie van JA21 constateren dat het kabinet twijfels heeft over de
effectiviteit van de voorgestelde EU-aanpak voor het verbeteren van connectiviteit
in minder goed ontsloten gebieden. Op basis van welke aannames of analyses komt de
Europese Commissie volgens de Staatssecretaris tot haar voorstel? Kan de Staatssecretaris
concreet aangeven waarom deze aanpak mogelijk niet effectief is? Welke alternatieven
ziet het kabinet om connectiviteit in buitengebieden te verbeteren zonder negatieve
effecten voor goed presterende lidstaten?
Antwoord
De Commissie stelt dat de EU achterloopt in de uitrol van hoge kwaliteit 5G, met name
«5G
Stand Alone». De Commissie noemt deze cijfers in de impact assessment van de DNA, waarbij de
EU 40% dekking kent van 5G Stand Alone, ten opzichte van 90% in Noord-Amerika. Het kabinet herkent de cijfers van de Commissie
voor wat betreft dekking van 5G
Stand Alone, waarbij de kanttekening moet worden gemaakt dat de dekking van reguliere 5G in de
EU erg hoog ligt (ruim boven 90%), net als de kwaliteit van de dienstverlening. Zo
blijkt uit verschillende internationale benchmarks dat de kwaliteit van de Nederlandse
(en Europese) netwerken van hoog niveau is.19
Het kabinet is geen voorstander van de voorgestelde maatregelen op het gebied van
frequentiebeleid. Het kabinet is van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft
voor bevorderen van draadloze digitale connectiviteit, ook in buitengebieden. Met
de voorgestelde aanpak kan in potentie de situatie verslechteren voor landen die op
dit moment excellent presenteerde, zoals Nederland. Tegelijkertijd wordt niet voldoende
door de Commissie onderbouwd dat de voorgestelde maatregelen de situatie voor de onder-presterende
gebieden zal verbeteren. Daarbij constateert het kabinet dat gerichte maatregelen
voor gebieden in de EU die achterblijven in termen van netwerkkwaliteit, zoals het
opleggen van dekkings- en snelheidverplichtingen, op basis van het huidige kader al
mogelijk zijn.
38
Deze leden constateren dat de DNA nieuwe verplichtingen introduceert rondom netwerkweerbaarheid
en crisisparaatheid. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe deze verplichtingen zich
verhouden tot bestaande kaders zoals de NIS2-richtlijn en de CER-richtlijn? Hoe wordt
voorkomen dat aanbieders te maken krijgen met dubbele verplichtingen en administratieve
lasten? Acht de Staatssecretaris de voorgestelde Europese coördinatie op dit punt
noodzakelijk of kan dit beter nationaal worden ingericht?
Antwoord
Zoals ook in het BNC-fiche wordt beschreven zal het kabinet de Commissie vragen om
dit te verduidelijken. Op het gebied van weerbaarheid kan het voorstel van de Commissie
mogelijk leiden tot regeldruk door mogelijke extra (administratieve) verplichtingen
bij aanbieders van openbare elektronische netwerken en diensten door het Preparedness Plan for Digital Infrastructure van BEREC. De inzet is om scherp te krijgen hoe de Commissie deze verhouding ziet
en om onnodige regeldruk te voorkomen.
Om goed te kunnen bepalen in hoeverre Europese coördinatie op maatregelen noodzakelijk
kan zijn in aanvulling op nationaal beleid is eerst de verduidelijking van de Commissie
noodzakelijk.
39
Zij hebben verder vragen over de introductie van het zogeheten «Single Passport».
Kan de Staatssecretaris toelichten hoe wordt voorkomen dat aanbieders zich vestigen
in lidstaten met het minst strenge toezicht (forumshopping)? Welke rol behouden nationale
toezichthouders in het toezicht op aanbieders die via een andere lidstaat opereren?
Acht de Staatssecretaris het toezicht in de huidige vorm voldoende robuust?
Antwoord
Het kabinet signaleert in het BNC-fiche het risico dat de Single Passport Procedure onbedoeld de deur zou kunnen openen naar een situatie waarbij internationale spelers
zich vestigen in een land met de laagste kwaliteit van toezicht («forum-shopping»). Het dagelijkse en operationele toezicht door de nationale toezichthouder, ongeacht
in welk land het bedrijf gevestigd is, heeft hierbij de aandacht van het kabinet.
40
De leden JA21-fractie maken zich zorgen over mogelijke effecten op kleinere aanbieders
en het open internet. Kan de Staatssecretaris toelichten of het voorgestelde mechanisme
voor interconnectie kan leiden tot hogere kosten voor kleinere aanbieders van apps
en content? Hoe wordt geborgd dat netneutraliteit niet indirect onder druk komt te
staan? Welke waarborgen acht de Staatssecretaris noodzakelijk om een gelijk speelveld
te behouden? Welke effecten verwacht de Staatssecretaris van dit voorstel op de kosten
van internet- en communicatiediensten voor burgers en bedrijven?
Antwoord
Zoals aangegeven in het BNC-fiche deelt het kabinet de zorgen van JA21 en heeft het
vragen bij de noodzaak van het voorgestelde conciliatiemechanisme en de mogelijke
negatieve gevolgen voor kleinere aanbieders van apps en content. Dit komt mede doordat
er geen aanwijzingen zijn dat de samenwerking in het interconnectie-ecosysteem momenteel
tekortschiet. Het kabinet heeft nog geen goed beeld van de gevolgen voor aanbieders,
en mogelijk voor burgers en bedrijven, aangezien de Commissie geen impact assessment
op deze onderdelen van het voorstel ten grondslag heeft gelegd. Het kabinet zal vragen
aan de Commissie om deze alsnog te doen. Het kabinet zal zich daarnaast primair inzetten
voor het behoud van de huidige openinternet-principes, waar netwerkheffingen expliciet
geen onderdeel van zijn.
41
Deze leden hebben als laatste vragen over de mogelijke inzet van de digitale identiteitswallet
bij noodcommunicatie. Acht de Staatssecretaris deze inzet noodzakelijk en proportioneel?
Hoe wordt geborgd dat de privacy van burgers voldoende beschermd blijft? Welke alternatieven
zijn overwogen?
Antwoord
Zoals in het BNC-fiche aangegeven zet het kabinet erop in dat alternatieven om het
gewenste doel te bereiken serieus worden afgewogen. Het kabinet acht de inzet van
een EDI-wallet bij noodcommunicatie op dit moment niet aangetoond noodzakelijk. De
proportionaliteit van deze maatregel kan pas worden beoordeeld wanneer duidelijkheid
bestaat over de concrete werking, beschikbare alternatieven en mogelijke meerwaarde
ervan. Met EDI-wallets kunnen burgers zelf bepalen welke gegevens zij met welke partij
uitwisselen. Een mogelijk alternatief is bijvoorbeeld een verbetering realiseren binnen
bestaande communicatie-infrastructuren.
Ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens geldt dat elke toepassing moet
voldoen aan de geldende Europese en nationale privacywetgeving, waaronder de eIDAS-verordening
en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
42
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche en hebben
nog enkele vragen.
Deze leden lezen dat de Staatssecretaris erkent dat Nederland een voorloper is, maar
dat er in «buitengebieden» nog uitdagingen zijn. Als we koper verplicht uitfaseren,
wie garandeert dan dat de allerlaatste boerderij of afgelegen schuur op het platteland
niet zonder betaalbare verbinding komt te zitten als glasvezel daar commercieel niet
rendabel blijkt?
Antwoord
De verplichtingen uit het DNA-voorstel over koperafschakeling voorzien in een getrapte
aanpak, waarbij in eerste plaats de uitfasering geldt voor gebieden waar (vóór 2036)
ten minste 95% van de huishoudens en bedrijven kunnen beschikken over een glasvezelaansluiting
en de overige adressen kunnen beschikken over een betaalbaar, kwalitatief vergelijkbaar
alternatief voor koperdiensten. Voor de gebieden waar de aanleg van glasvezel economisch
niet haalbaar is en waar er geen alternatieven zijn voor bestaande koperdiensten,
kunnen lidstaten afwijken van de koperafschakelverplichtingen.
Wat betreft de Nederlandse situatie, en specifiek die in de buitengebieden, is de
aanleg van glasvezel al zeer ver gevorderd. In een eerdere Kamerbrief gaf het kabinet
aan dat eind 2023 circa 27.500 huishoudens in het buitengebied hierover nog niet konden
beschikken.20 Inmiddels is dat aantal door verdere verglazing van marktpartijen afgenomen tot minder
dan 18.000 (eind 2025), met de verwachting dat dit verder zal afnemen tot 12.000 huishoudens
in 2028.21 De huishoudens die (nog) niet kunnen beschikken over een snelle vaste verbinding,
kunnen gebruik maken van snelle draadloze oplossingen die in veel gevallen sneller
zijn dan de koperdienst op die locaties.22 Ik blijf de ontwikkelingen monitoren en zal in 2027/2028 opnieuw de balans opmaken.
43
Verder constateren zij dat veel agrarische bedrijven gebruik maken van Internet of
Things (IoT)-sensoren die mogelijk nog op oudere technologieën vertrouwen. Is er onderzocht
wat de kosten zijn voor de eindgebruiker (de boer) om al zijn hardware te moeten vervangen
omdat de EU een deadline stelt voor het afschakelen van oude netwerken?
Antwoord
Het kabinet ziet dat de EU een deadline stelt voor het afschakelen van verouderde
vaste kopernetwerken. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van vergelijkbare
alternatieven voor deze netwerken. Daarbij maken veel van de IoT-sensoren gebruik
van mobiele netwerken (als 2G/3G/4G/5G). De mobiele netwerktechnologieën kennen geen
verplichte deadline voor afschakeling. Wel worden in de komende jaren in de EU 2G
en 3G afgeschakeld, waarbij de mobiele netwerkaanbieders rekening dienen te houden
met een overgang van klanten naar nieuwere netwerktechnologieën.
44
Als laatste constateren de leden van de BBB-fractie dat Nederland veel lokale glasvezelinitiatieven
kent en dat er kleinere aanbieders zijn die juist in de regio het verschil maken.
In hoeverre werkt de «Single Passport Procedure» schaalvergroting in de hand, waardoor
de lokale Friese of Limburgse aanbieder wordt weggevaagd door een Europese gigant
die vanuit een ander land gunstigere regels opzoekt?
Antwoord
Zoals in het BNC-fiche aangegeven verwacht het kabinet dat de introductie van een
zogenaamde Single Passport Procedure zal leiden tot een regeldrukvermindering voor aanbieders die in meerdere lidstaten
actief zijn. Hierdoor zou het voor internetaanbieders die al actief zijn in een andere
EU-lidstaat het eenvoudiger moeten worden om ook in Nederland actief te worden. Daarbij
verwacht het kabinet dat de registratie voor telecomaanbieders in Nederland momenteel
een relatief beperkte administratieve last is, en een Single Passport daarbij niet doorslaggevend zal zijn voor veel aanbieders om nu diensten aan te gaan
bieden in Nederland.
45
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche Verordening betreffende
digitale netwerken. Deze leden onderstrepen het grote belang van het versterken en
toekomstbestendig maken van onze digitale infrastructuur, onder meer het oog op het
veiliger maken hiervan in een geopolitiek onrustige wereld en het vergroten van het
Europese concurrentievermogen. Zij hebben enkele vragen over het Commissievoorstel
en het fiche.
Gelet op de snelheid van de digitale ontwikkelingen vragen de leden van de SGP-fractie
allereerst of de Nota Frequentiebeleid (2016) en het Nationaal Frequentieplan (2014)
nog actueel zijn, of een update behoeven.
Antwoord
In het najaar komt er een nieuwe Nota Frequentiebeleid.
Voor wat betreft het Nationaal Frequentieplan kan opgemerkt worden dat deze in 2014
is gepubliceerd, maar sinds die tijd 29 keer geactualiseerd is. Het Nationaal Frequentieplan
bevat een frequentietabel waarin per frequentieband wordt aangegeven voor welk type
gebruik deze band bestemd is, en volgens welk verdeelmechanisme deze band beschikbaar
wordt gesteld voor frequentiegebruikers. Veranderingen in technologie, in de markt
en in de maatschappij maken het gewenst dat het Nationaal Frequentieplan van tijd
tot tijd aangepast wordt, zodat ruimte gegeven kan worden aan nieuwe ontwikkelingen
en frequentiebehoeften. Ook worden in dergelijke aanpassingen harmoniserende (internationale
of Europese) frequentiebesluiten geïmplementeerd. Voorbeelden van aanpassingen sinds
2014 zijn het bestemmen van de 3.5 GHz-band voor mobiele communicatie, de implementatie
van uitvoeringsbesluiten van de Commissie en wijzigingen ten behoeve van lokale of
landelijke FM-omroep.
46
Deze leden vragen de Staatssecretaris tevens om de bezwaren van het kabinet met betrekking
tot voorgestelde maatregelen op het gebied van spectrumbeleid nader toe te lichten.
Hoe kan de Digital Networks Act (DNA) Nederland en andere voorlopers op digitale connectiviteit
op achterstand zetten?
Antwoord
Zoals eerder aangegeven in het BNC-fiche erkent het kabinet het belang van het zoveel
mogelijk harmoniseren van frequentiebestemmingen op internationaal niveau, en anders
op EU-niveau. Echter is het kabinet van mening dat nationaal maatwerk belangrijk blijft
om in te kunnen spelen op nationale omstandigheden en beleidsdoelen voor het bevorderen
van draadloze toepassingen. Bij beleidsdoelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid
om specifieke nationale eisen te stellen aan de kwaliteit en snelheid van de mobiele
netwerken. Nationale omstandigheden betreffen bijvoorbeeld de invloed van specifieke
geografische en demografische kenmerken. Zo heeft Nederland in vergelijking tot veel
andere landen een vlak oppervlakte en is het dichtbevolkt, zonder grote buitengebieden.
Radio-technisch zijn er daarom andere mogelijkheden dan in bijvoorbeeld bergachtige
gebieden. Het kabinet ziet risico’s in het verder verbreden en verplichten van harmonisatie
in het Nationaal Frequentieplan omdat, gegeven onder andere de geografie en demografie
van Nederland maar ook de marktvraag, de frequentiebestemmingen niet optimaal worden
vastgesteld. Een gevolg hiervan kan zijn dat voor Nederland de frequenties niet bestemd
worden voor het gebruik dat met de meeste maatschappelijke waarde opbrengt. Tevens
is het (her)bestemmen van vergunningen voor nieuwe toepassingen moeilijker. Het is
daarom, volgens het kabinet, niet wenselijk om meer centralisatie bij de Commissie
te leggen op het gebied van beslissingsbevoegdheid over frequentiebeleid.
47
Welke aanvullende maatregelen zou Nederland onder de DNA moeten nemen om te voldoen
aan de koperuitfasering? Het verzoek van deze leden is om hierbij ook in te gaan op
de gevolgen voor ons landelijk gebied en het aspect van de bezwaren tegenover de inzet
op glasvezel als enige vaste-dragertechnologie.
Antwoord
De uitfasering van het kopernetwerk is al in 2020 door KPN in gang gezet. Het kabinet
vreest dat voor lidstaten met nagenoeg landelijke glasvezel- en gigabitdekking, zoals
Nederland, de administratieve lasten voor het opstellen en uitvoeren van uitfaseringsplannen
door respectievelijk overheden en bedrijven hoog zullen zijn, maar de beoogde effecten
gering. Daarom zet het kabinet in de onderhandelingen op dit punt in op een proportioneel
voorstel. Wat betreft de gevolgen van de koperuitfasering in de landelijke gebieden
van Nederland, is de aanleg van glasvezel al zeer ver gevorderd. In een eerdere Kamerbrief
gaf het kabinet aan dat eind 2023 circa 27.500 huishoudens in het buitengebied hierover
nog niet konden beschikken.23 Inmiddels is dat aantal door verdere verglazing van marktpartijen afgenomen tot minder
dan 18.000 (eind 2025), met de verwachting dat dit verder zal afnemen tot 12.000 huishoudens
in 2028.24 De huishoudens die (nog) niet kunnen beschikken over een snelle vaste verbinding,
kunnen gebruik maken van snelle draadloze oplossingen die in veel gevallen sneller
zijn dan de koperdienst op die locaties.25 Ik blijf de ontwikkelingen monitoren en zal in 2027/2028 opnieuw de balans opmaken.
De vragen die het kabinet heeft over de inzet op glasvezel als enige vaste-dragertechnologie,
zien op de inzet van technologieën om de EU-gigabitdoelstelling te behalen. Aangezien
de Commissie eerder een technologie-neutrale aanpak hanteerde, wordt nu primair ingezet
op glasvezel. Nederland kent naast glasvezel, namelijk ook een bijna landelijk dekkend
(televisie)kabelnetwerk waarover gigabitinternet wordt aangeboden. Het kabinet zal
de Commissie in de onderhandelingen hierover vragen stellen.
48
De leden van de SGP-fractie hechten aan de autonomie van nationale autoriteiten om
in te kunnen spelen op specifieke spectrumbehoeften. Deze leden erkennen daarom het
risico van verstrekken van frequentievergunningen van onbeperkte duur. Kan de Staatssecretaris
aangeven in hoeverre de nationale veiligheid onder druk kan komen te staan bij een
ongewijzigd Commissievoorstel, gelet op het genoemde voorbeeld van defensiesystemen
die om flexibiliteit vragen? Heeft de NAVO een standpunt over de wenselijkheid van
dit aspect van de DNA?
Antwoord
Het kabinet ziet grote risico’s in het voorstel tot het verstrekken van frequentievergunningen
van onbeperkte duur. Die risico’s betreffen de mogelijk negatieve effecten op de concurrentie
in de mobiele telecommunicatiemarkt en daarmee op noodzakelijke prikkels tot innovatie.
Daarnaast zullen oneindige vergunningsduren het veel moeilijker maken om banden in
de toekomst een andere bestemming te geven als de maatschappelijke behoefte daarom
vraagt. Het is belangrijk dat nationale autoriteiten flexibel kunnen inspelen op specifieke
spectrumbehoeften zonder te worden ingeperkt door EU-brede, in tijd onbegrensde licenties
voor draadloze breedbanddiensten. Naast defensiesystemen zijn er nog tal van andere
systemen die deze nationale flexibiliteit nodig hebben. Zo kan het ook voor andere
publieke taken, zoals die van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap en Infrastructuur en Waterstaat, maar ook voor privaat gebruik,
nodig zijn om maatwerk op nationaal niveau te leveren.
De fractie van de SGP vraagt verder in hoeverre de nationale veiligheid onder druk
kan komen te staan bij een ongewijzigd Commissievoorstel. Als vergunningen voor oneindige
duur worden uitgegeven, betekent dat dat er veel moeilijker herbestemming plaats kan
vinden. Dat kan ertoe leiden dat bepaalde, bestaande en nieuwe, frequenties niet of
moeilijk vrij te geven zijn voor toepassingen voor bijvoorbeeld de hiervoor genoemde
publieke en private toepassingen.
Daarnaast vraagt de fractie van de SGP zich af of de NAVO een standpunt heeft rondom
de wenselijkheid van het DNA-voorstel ziende op verstrekking van frequentievergunningen
voor onbeperkte duur. De NAVO heeft hierin geen expliciet standpunt en leunt hiervoor
op de individuele lidstaten om de belangen van militaire inzet en interoperabiliteit
binnen het NAVO-bondgenootschap voldoende te borgen.
49
Met het kabinet hechten de leden van de SGP-fractie aan behoud van de principes van
open internet. Dataverkeer moet in beginsel gelijk behandeld worden en burgers gaan
zelf over hun mediaconsumptie. Dat laat onverlet dat zij pal staan voor de positie
van gefilterde internetdiensten die – op verzoek van huishoudens, scholen en andere
afnemers – pornografie, extreem grafisch geweld en online gokken blokkeren. Deelt
de Staatssecretaris de mening dat deze internetproviders onverkort moeten kunnen blijven
opereren, en dat de DNA geen aanleiding mag vormen om hun diensten te beperken of
te ontmoedigen? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het uitgangspunt blijft dat
gefilterde internetdiensten volledig verenigbaar zijn met de beginselen van netneutraliteit,
en dat deze aanbieders geen nadelige gevolgen zullen ondervinden van de verdere uitwerking
van de Europese regels over open internet?
Antwoord
Het kabinet hecht grote waarde aan het behoud van de openinternet-principes en staat
er daarom positief tegenover dat de bepalingen hieromtrent in grotendeels ongewijzigde
vorm worden overgenomen in het DNA-voorstel. Vanwege deze overheveling in grotendeels
ongewijzigde vorm, lijkt de DNA geen aanleiding te geven voor een verandering in de
huidige praktijk van het open internet. Hieronder valt het aanbod van filters door
internetdienstenaanbieders, op verzoek van hun klanten.
50
De leden van de SGP wijzen opnieuw op de grote nadelen en onzekerheden die kleven
aan de Europese digitale identiteitsportemonnee (EDI-wallet), met name op het terrein
van veiligheid en privacy. Daarom steunen deze leden de kritische opstelling van het
kabinet ten aanzien van de DNA in relatie tot het vergroten van bereikbaarheid en
toegankelijkheid van 112-oproepen. Zij zien geen toegevoegde waarde in het gebruik
van de EDI-wallet voor 112-oproepen. Kan de Staatssecretaris toezeggen de Kamer te
informeren over de uitkomsten van de gevraagde opheldering en de reactie daarop vanuit
de Europese Commissie en betrokken partijen?
Antwoord
Het kabinet zal de Kamer hierover informeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier