Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Piri over de materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht
Vragen van het lid Piri (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Defensie over de materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht (ingezonden 29 april 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Boswijk (Defensie) (ontvangen 19 mei 2026).
Vraag 1, 2, 3 en 4
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk
is van leveranciers buiten de Europese Unie?
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief
voorhanden is?
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare
afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief,
een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees
alternatief?
Antwoord 1, 2, 3 en 4
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid
te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken
over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid
van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor
de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de
levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit
van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het
aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie
en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin
afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa
afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
Vraag 5
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese
leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte
van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
Antwoord 5
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor
de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid.
Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte
van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht –
steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd
(Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering
van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid
van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s
in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit
binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Vraag 6
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese
leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum
op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Antwoord 6
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische
autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover
dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese
leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien
in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn
een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op
te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie
in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend
inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform
de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt
Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van
onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen
voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke
capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Vraag 7
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse
materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte,
verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding
geven om die balans te herijken?
Antwoord 7
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing
van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie,
en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden.
Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen
hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne
oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota
2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de
balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten
evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën.
Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland
en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen,
zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel
en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en
laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij.
Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige
beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven
en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
Vraag 8
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het
afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland
een leidende of substantieel meedragende rol?
Antwoord 8
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking
van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie
bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling.
Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie
Programma (EDIP).
Vraag 9
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren
in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Antwoord 9
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden
ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds
(EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten
beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd.
Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen
om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap
(EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s.
Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel
Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten
van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling
is nu nog niet goed in te schatten.
Vraag 10
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese
afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Antwoord 10
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Vraag 11
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Antwoord 11
Ja.
Ondertekenaars
D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.