Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Keijzer over het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide (ingezonden 30 maart 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 12 mei
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1695.
Vraag 1
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten,
musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken
zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht,
waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten,
musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid
bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel
onderzoek aan voorafgaat?
Antwoord 2
Voorop staat dat culturele instellingen zelf gaan over hun programmering, verhuur
en richtlijnen die ze daarvoor hanteren. Naar ik begrijp heeft Het Concertgebouw ervoor
gekozen om de richtlijnen aan te vullen zodat transparant is hoe de organisatie bepaalde
toekomstige situaties weegt. Het gaat daarbij om keuzes die alle instellingen maken
op basis van het profiel van de instelling. Instellingen zijn daar vrij in.
Vraag 3
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk
rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen
zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Antwoord 3
Het Concertgebouw is een privaatrechtelijke onderneming. Ze zijn niet gebonden aan
openbare consultaties om hun richtlijnen aan te passen.
Vraag 4
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat
in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen
of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming
of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Antwoord 4
Culturele instellingen zijn vrij in het bepalen wat zij programmeren. Die vrijheid
is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Vanuit dat uitgangspunt
gaan culturele instellingen dus ook over hun eigen programmering/samenwerkingen. Het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat voor deze artistieke vrijheid.
Deze vrijheid is uiteraard wel begrensd daar waar de wet wordt overtreden. Keuzes
in samenwerking mogen – ook door culturele instellingen – bijvoorbeeld nimmer gebaseerd
zijn op gronden die wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. In dat geval kan
men aangifte doen. Ik kan als Minister echter niet op de stoel van de rechter gaan
zitten.
Vraag 5
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische
bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden
of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende
morele rechtspraak?
Antwoord 5
Zie antwoord 2.
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante)
groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele
sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo
ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
Antwoord 6
Het is aan de rechter om te beoordelen of Het Concertgebouw de wet overtreedt.
Vraag 7
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen
en de Governance Code Cultuur?
Antwoord 7
Het is aan de rechter om te beoordelen of de richtlijnen verenigbaar zijn met de wettelijke
non-discriminatienormen.
Wat betreft de Governance Code Cultuur: ik zie niet direct reden om aan te nemen dat
de richtlijn hiermee in strijd is. De code doet geen uitspraken of aanbevelingen over
specifieke zaken rond de bedrijfsvoering, zoals het opstellen van een huishoudelijk
reglement. Ook stelt de code niet verplicht dat culturele instellingen met iedereen
moeten samenwerken, of dat niemand mag worden buitengesloten op grond van bijvoorbeeld
ethische overwegingen.
Overigens wil ik benadrukken dat de code is opgesteld door de sector zelf. Het is
een richtlijn over de principes van goed bestuur en toezicht in de culturele en creatieve
sector, alleen het onderschrijven hiervan is verplicht binnen de basisinfrastructuur
voor de periode 2025–2029. De naleving is in beginsel niet juridisch afdwingbaar.
Vraag 8
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met
publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot
kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Antwoord 8
Zie antwoord vraag 4.
Vraag 9, 10 en 11
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan
2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken
wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee
eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond
vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie
presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit
en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten
voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen
of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid
buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden
normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Antwoord 9, 10, 11
Ik heb geen rol, noch bevoegdheid in de relatie tussen de gemeente Amsterdam en Het
Concertgebouw. Interventie door de rijksoverheid in subsidierelaties tussen gemeenten
en hun instellingen is bovendien onwenselijk, omdat het in strijd is met de bestuurlijke
autonomie van de gemeente.
Vraag 12
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen
waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare
uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke
toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Antwoord 12
Zie antwoord op vraag 4.
Vraag 13
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen
handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te
doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie
overschrijdt?
Antwoord 13
Als een rechter vaststelt dat een instelling die door mijn ministerie wordt gesubsidieerd
in strijd met de wet handelt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten
kan ik de subsidie (al dan niet gedeeltelijk) proberen in te trekken. Mijn ministerie
heeft echter geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw. Dit is aldus niet
aan de orde.
Vraag 14
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk
buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw
is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden
van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale
politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Antwoord 14
Nee. Ik zie hier geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Zoals gezegd heb ik geen directe
subsidierelatie met Het Concertgebouw.
Vraag 15
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd
zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging
en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Antwoord 15
Nee. Ik heb geen subsidierelatie met het Concertgebouw en zie aldus ook geen rol of
bevoegdheid voor mijzelf. Bovendien is het aan de rechter om vast te stellen of sprake
is van een strafbaar feit. Het is m.i. onwenselijk en strijdig met onze democratische
rechtsstaat als politici op de stoel van de rechter gaan zitten.
Vraag 16
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden
door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden,
te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds
kunnen worden gedaan?
Antwoord 16
De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Over de besteding van deze
middelen hoeft dan ook geen verantwoording te worden afgelegd aan het Rijk. Het is
aan het college van B&W om de subsidievoorwaarden te controleren. Het is aan de gemeenteraad
om het college te controleren.
Vraag 17
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken
en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw,
indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Antwoord 17
Zoals bij antwoord 16 aangegeven, dit is aan het college van B&W en de gemeenteraad.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.