Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Patijn over TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers
Vragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers (ingezonden 1 april 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 12 mei
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de
zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van
de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever
ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak
kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese
Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Antwoord 2
Nee. De uitspraak is nog niet onherroepelijk; de mogelijkheid van hoger beroep tegen
de uitspraak staat nog open. Vooralsnog zie ik aanleiding voor een andere uitleg van
de Waadi dan de uitleg die in de uitspraak wordt gegeven. Naar mijn oordeel vallen
namelijk ook overheidsorganisaties, waaronder internationale organisaties als ESA,
onder het begrip «onderneming» uit de WOR. Uit de wettelijke reikwijdte van dat begrip
blijkt niet dat organisaties die werken met internationale publiekrechtelijke aanstellingen
of buitenlandse arbeidsovereenkomsten hiervan zijn uitgezonderd. Daarbij is bovendien
relevant dat het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie eerder heeft geoordeeld
dat ook een andere organisatie die alleen aanstellingen volgens internationaal publiekrecht
heeft (EIGE een agentschap met ambtenaren aangesteld op basis van het Statuut van
de ambtenaren van de Europese Unie) onder de reikwijdte van de Uitzendrichtlijn valt.2
Deze jurisprudentie, en de uitzendrichtlijn, lijkt niet te zijn meegewogen in de uitspraak
van de Rechtbank Den Haag. Daarnaast moeten de WOR en Waadi in samenhang worden bezien
met de oprichtingsverdragen van internationale organisaties, zoals ESA, en met die
organisaties gesloten zetelverdragen. Daarin zijn naast bepalingen over het toepassen
van nationale wetgeving ook bepalingen opgenomen over onschendbaarheid en immuniteiten.
Om die reden kan het zijn dat het Nederlandse arbeidsrecht (en het daarin geïmplementeerde
Unierecht) niet in alle situaties op dezelfde manier kan worden toegepast en dat naleving
niet op dezelfde manier kan worden gehandhaafd ten opzichte van internationale organisaties.
De Nederlandse Staat is geen procespartij, maar zal het eventuele vervolg van de procedure
met interesse volgen.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn,
dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij
een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling
valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Antwoord 3
Nee. Zoals hierboven beschreven staat, kan niet zonder meer worden gezegd dat de Waadi
niet van toepassing is op eventuele terbeschikkingstellingen die bij ESA plaats zouden
vinden. Daarnaast is de uitspraak nog niet onherroepelijk. Naar aanleiding van de
eventuele vervolgprocedure zal de Staat moeten beoordelen of de eisen die de Uitzendrichtlijn
aan Nederland stelt, voldoende doorwerken.
Vraag 4
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde
werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel
van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent
u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Antwoord 4
Nee. Wel volg ik de procedure met interesse, omdat zo’n lacune wel kan ontstaan na
het eventuele hoger beroep of uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake
ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten
van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde
werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 5
Die opvatting deel ik, maar zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, is er
nog geen definitieve uitspraak dat dit daadwerkelijk ook het geval is. Daarnaast zijn
er ook andere verdragsbepalingen die in overweging moeten worden genomen.
Vraag 6
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare
constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking
van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Antwoord 6
Het aantal werknemers die door inlening ter beschikking is gesteld aan internationale
organisaties is mij onbekend. Het volledig in kaart brengen van het aantal inlenende
krachten bij internationale organisaties is zeer ingewikkeld. Bovendien zie ik de
meerwaarde daarvan niet. Deze groep van werknemers valt naar mijn oordeel, zoals aangegeven
in de beantwoording van voorgaande vragen, binnen de werking van de Waadi waarbij
voor de toepassing en naleving rekening moet worden gehouden met de bepalingen in
de van toepassing zijnde verdragen.
Vraag 7
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede
Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid
verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden
hebben dan direct aangestelde collega’s?
Antwoord 7
Ik ben van mening dat dit al met de huidige Waadi voldoende gewaarborgd is en met
het wetsvoorstel «meer zekerheid flexwerkers» verder versterkt wordt. Op grond van
de Waadi hebben uitzendkrachten recht op hetzelfde loon, overige vergoedingen en arbeids-
en rusttijden als werknemers bij de inlener. Hieraan wordt met het wetsvoorstel meer
zekerheid flexwerkers toegevoegd dat de overige arbeidsvoorwaarden ten minste gelijkwaardig
dienen te zijn. Zoals uitgelegd bij de beantwoording van vraag 2, gelden deze regels
voor alle arbeidskrachten die in Nederland ter beschikking worden gesteld aan organisaties
om onder diens leiding en toezicht arbeid te verrichten. Internationale organisaties
zijn daar naar oordeel van de regering in beginsel niet van uitgezonderd. Daarmee
zijn de rechten van ingeleende werknemers bij dergelijke internationale organisaties
voldoende geborgd.
Vraag 8
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende
onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties
hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, zie ik aanleiding voor een andere
interpretatie van de Waadi dan de uitleg die is gegeven in de uitspraak. Ik acht het
daarom vooralsnog niet nodig om de Waadi op dit punt aan te passen.
Vraag 9
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse
naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Nu het vraagstuk nog onder de rechter is, en ik aanleiding zie voor een andere interpretatie,
vind ik een nadere analyse in deze fase niet opportuun.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.