Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Prickaertz over productiekrimp in de Nederlandse industrie
Vragen van het lid Prickaertz (PVV) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»» (ingezonden 13 april 2026).
Antwoord van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 11 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse
industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat
concreet per sector inzichtelijk maken?
Antwoord 2
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie
beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur.
Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van
hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren
exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht
te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie
van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in
belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen
concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden
tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere
(Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Vraag 3, 4 en 5
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting
landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen
neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland
te voorkomen? Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen,
aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 3, 4 en 5
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is
voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland
is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal
opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder
druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt
het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar
500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen
te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei,
en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid
en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet
is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige
Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie
met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het
voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden
en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet
aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie.
Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie
aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft
het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend
tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte
kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met
de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op
sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie.
Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten
waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert
de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking
van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie
in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok»
van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie,
neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de
rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie
uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast
op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische
gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan
Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie.
Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid
op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en
manier van overheidsingrijpen vragen.
Ondertekenaars
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.