Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schilder over gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten (ingezonden 30 maart 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
11 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1694.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat grote gemeenten tienduizenden euro’s uitgeven
aan iftar-activiteiten, al dan niet via subsidies of eigen organisatie?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2, 3, 4 en 5
Deelt u de opvatting dat het organiseren of subsidiëren van iftars door gemeenten
in de kern een religieuze activiteit ondersteunt? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het actief faciliteren van iftars door gemeenten zich tot het beginsel
van scheiding tussen kerk en staat?
Deelt u de mening dat gemeenten zich terughoudend dienen op te stellen bij het financieren
of organiseren van religieuze bijeenkomsten, in het bijzonder iftars? Zo nee, waarom
niet?
Hoe voorkomt u dat het organiseren en subsidiëren van iftars door gemeenten de indruk
wekt dat de overheid zich vereenzelvigt met een specifieke religie?
Antwoord 2, 3, 4 en 5
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit
de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de
Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies
door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast
niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid
van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele
zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte
biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent
aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het
bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk
te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals
gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past
aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland,
waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen
en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter,
dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In
welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze
neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op
een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding
tussen kerk en staat.
Vraag 6 en 7
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeentelijke middelen worden ingezet voor activiteiten
die direct samenhangen met religieuze gebruiken, zoals het verbreken van het vasten
tijdens de ramadan?
Welke criteria hanteren gemeenten om te bepalen of een activiteit als «maatschappelijk»
wordt aangemerkt, terwijl deze in de praktijk een religieus karakter heeft?
Antwoord 6 en 7
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven
uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met
godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten
zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen
kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke
doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties
met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger
des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht
en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij
als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Vraag 8
Deelt u de zorg dat het labelen van iftars als «ontmoeting» of «integratie» feitelijk
een omzeiling van het neutraliteitsbeginsel kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun
leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen
langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven
heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt
met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke
doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze
neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten
om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete
eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Vraag 9
In hoeverre wordt gecontroleerd of dergelijke subsidies daadwerkelijk een algemeen
maatschappelijk doel dienen en niet primair een religieuze activiteit faciliteren?
Antwoord 9
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt
zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen
op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De
lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog
te laten plaatsvinden.
Vraag 10
Kunt u uitsluiten dat door deze praktijk een precedent ontstaat waardoor terugkerend
aanspraak wordt gemaakt op vergelijkbare financiering? Zo nee, hoe wordt hiermee omgegaan?
Antwoord 10
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger
een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het
is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te
beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk
voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde
incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag
ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort
tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het
college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Vraag 11
Acht u het wenselijk dat gemeenten zelf iftars organiseren op bijvoorbeeld het stadhuis
en zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de vereiste neutraliteit van de overheid?
Antwoord 11
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie,
en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen
kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Vraag 12
Ziet u aanleiding om gemeenten explicieter te wijzen op de grenzen van het subsidiëren
van activiteiten met een religieus karakter? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten
(VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken
inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook
het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking
is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.