Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op de het lid Russcher over de besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als 'ontmoetingen' en 'integratie'
Vragen van het lid Russcher (FVD) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als «ontmoetingen» en «integratie» (ingezonden 31 maart 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens
de Minister van Werk en Participatie (ontvangen 11 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1691.
Vraag 1
Hoe beoordeelt u het bericht dat de grootste gemeenten in Nederland tienduizenden
euro’s aan publieke middelen hebben besteed aan het organiseren of faciliteren van
iftarbijeenkomsten, en dat deze uitgaven zijn verantwoord onder begrotingsposten als
«ontmoetingen» en «integratie»?1
Antwoord 1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving. Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid
voor de besteding van middelen en de inrichting van hun beleid. Het budgetrecht in
de gemeente berust bij de gemeenteraad. Daarbij kan de gemeenteraad geld reserveren
voor bepaalde doelstellingen. De raad heeft de taak om te controleren of de gemeentelijke
middelen juist worden besteed door het college van burgemeester en wethouders.
Vraag 2
Onder welke begrotingsposten zijn deze uitgaven door de betreffende gemeenten precies
verantwoord, en hoe waarborgt u dat het wegschrijven van uitgaven voor religieuze
bijeenkomsten onder neutrale noemers als «ontmoeting», «verbinding» of «integratie»
de democratische controle door de gemeenteraad niet bemoeilijkt?
Antwoord 2
Het is aan de individuele gemeenteraden om het budgetrecht uit te oefenen en toe te
zien op de juiste besteding van middelen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke
mogelijkheden om deze controletaak te verrichten.
Vraag 3
Welke meetbare integratiedoelstellingen liggen ten grondslag aan de gemeentelijke
financiering van iftarbijeenkomsten, en op basis van welke evaluaties of effectmetingen
is vastgesteld dat deze bijeenkomsten aantoonbaar bijdragen aan taalverwerving, arbeidsparticipatie
of maatschappelijke zelfredzaamheid?
Antwoord 3
Dit zal per gemeente verschillen aan de hand van het lokaal gevoerde beleid op integratie
en aanverwante beleidsterreinen. Het is aan de gemeenteraad om hier controle op uit
te oefenen. Ook kan binnen de gemeente worden overwogen of wordt overgegaan op evaluaties
en effectmetingen met betrekking tot de doelen die door subsidies en gefinancierde
activiteiten worden gediend.
Vraag 4
In hoeverre kan worden uitgesloten dat bij de door gemeenten gefinancierde iftars
organisaties betrokken zijn die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd vanuit
het buitenland, bijvoorbeeld door Turkije (Diyanet/ISN), Saoedi-Arabië, Qatar of andere
staten, en welk toezicht bestaat hierop?
Antwoord 4
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor subsidieverlening en het stellen van voorwaarden,
waaronder transparantie over financieringsstromen indien dat relevant wordt geacht.
Daar waar er mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering kent Nederland
een systeem met verschillende instrumenten. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
(AIVD) doet onderzoek naar personen of organisaties die een bedreiging kunnen vormen
voor de nationale veiligheid of de democratische rechtsorde. Indien het Ministerie
van Buitenlandse Zaken notes verbales over ongewenste buitenlandse financiering ontvangt
vanuit derde landen, kan Buitenlandse Zaken deze doorsturen naar de AIVD.
De voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke
organisaties (Wtmo) zag op het tegengaan van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding
door donaties aan maatschappelijke organisaties. Aangezien het wetsvoorstel door de
Eerste Kamer is verworpen, wordt er nader bezien of een aanvullend instrument passend
is.
Vraag 5
Hoe verhoudt de structurele financiering van iftarbijeenkomsten door gemeenten zich
tot het grondwettelijke beginsel van scheiding van kerk en staat, mede in het licht
van de uitspraak van uw voorganger bij de beantwoording van eerdere Kamervragen dat
de overheid «geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken»?2
Antwoord 5
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit
de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de
Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies
door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast
niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid
van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele
zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte
biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent
aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het
bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk
te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals
gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past
aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland,
waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen
en waardepatronen.
Mocht een gemeente ervoor kiezen om in het kader van een subsidieregeling ten behoeve
van integratie en dialoog iftaractiviteiten te subsidiëren, moeten subsidieaanvragen
die door een ander geloof zijn geïnspireerd en op gelijke mate bijdragen aan de doelen,
in principe op gelijke manier worden toegekend. Wanneer gemeenten zelf iftaractiviteiten
organiseren of deze buiten een subsidieregeling om subsidiëren, zijn ze ook gehouden
aan het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang te overwegen welke doelen met de
activiteit worden gediend, of ook andere geloofsgerelateerde activiteiten die dezelfde
doelen dienen worden georganiseerd of gefinancierd en hoe wordt voorkomen dat een
geloof door de gemeente wordt voorgetrokken. De gemeenteraad kan op deze keuzes controle
uitoefenen.
Vraag 6
In welke omvang en frequentie financieren dezelfde gemeenten bijeenkomsten die verbonden
zijn aan andere religieuze tradities, zoals het christendom, het jodendom of het hindoeïsme,
en hoe verklaart u een eventueel verschil met de financiering van islamitische bijeenkomsten?
Antwoord 6
Elke gemeente kent een andere begroting en andere subsidieregelingen. Het is aan het
college van burgemeester en wethouders van de gemeenten om verantwoording af te leggen
aan de gemeenteraad over de besteding van de gemeentelijke begroting.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u het feit dat iftarbijeenkomsten naar hun aard religieuze handelingen
omvatten – zoals gebeden en Koranrecitatie – terwijl gemeenten dergelijke bijeenkomsten
presenteren en financieren als neutrale «ontmoetingen»?
Antwoord 7
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun
leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen
langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven
heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt
met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke
doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze
neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten
om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete
eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Vraag 8
Op welke wijze draagt het faciliteren van religieus-culturele bijeenkomsten die primair
gericht zijn op de eigen gemeenschap bij aan werkelijke integratie – het leren van
de Nederlandse taal, het verwerven van economische zelfstandigheid en het internaliseren
van democratische waarden – en hoe weegt u dit af tegen het risico dat dergelijke
financiering juist gescheiden religieuze gemeenschappen bevestigt en institutionaliseert?
Antwoord 8
Als iftarmaaltijden door de gemeente worden gefinancierd in het kader van integratie
of dialoog impliceert dit dat de bijeenkomsten niet zijn voorbehouden aan een specifieke
gemeenschap of religie, maar juist zijn gericht op ontmoeting en uitwisseling tussen
Nederlanders met verschillende achtergronden. Deze activiteiten kunnen bijdragen aan
het versterken van de sociale samenhang en participatie in de samenleving en kunnen
daarmee onderdeel zijn van een bredere aanpak gericht op integratie en versterken
van de sociale samenhang.
Vraag 9
Hoe verhoudt de gemeentelijke financiering van religieuze maaltijden zich tot het
kabinetsbeleid dat inzet op assimilatie – het overnemen van de Nederlandse taal, normen,
waarden en gebruiken – in plaats van het accommoderen van religieuze en culturele
praktijken uit het land van herkomst?
Antwoord 9
Zoals in het regeerakkoord vermeld, richt het kabinetsbeleid zich op meedoen in de
Nederlandse samenleving. Dat betekent dat iedereen actief deelneemt en bijdraagt aan
de samenleving. Wij verwachten daarbij dat iedereen de waarden van de democratische
rechtsstaat omarmt, waaronder godsdienstvrijheid. Het financieren van iftarmaaltijden
die open staan voor iedereen in het kader van dialoog kan bijdragen aan tolerantie
en respect voor de godsdienstvrijheid binnen Nederland. De organisatie van dergelijke
activiteiten kan daarnaast de sociale samenhang bevorderen.
Vraag 10
Hoe beoordeelt u het risico dat door de overheid gefinancierde iftars bijdragen aan
het ontstaan van parallelgemeenschappen, waarin de band met het land van herkomst
en de eigen religieuze gemeenschap wordt versterkt ten koste van deelname aan de bredere
Nederlandse samenleving?
Antwoord 10
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 8, 9 en 11.
Vraag 11
Hoe weegt u de zorg van een substantieel deel van de Nederlandse bevolking dat de
toenemende institutionalisering van islamitische rituelen in het publieke domein –
inclusief door de overheid gefinancierde iftars op ministeries, bij de Nationale Politie
en in publieke gebouwen – bijdraagt aan een ervaring van culturele verdringing?
Antwoord 11
Ruimte voor verschillende culturele en religieuze activiteiten is kenmerkend voor
zowel de diversiteit binnen onze samenleving alsook de naleving van kernwaarden van
onze democratische rechtsstaat, zoals gelijkheid en godsdienstvrijheid. Ik verwijs
hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Vraag 12
Op welke wijze geeft het structureel financieren van iftars door overheden – terwijl
vergelijkbare faciliteiten voor andere levensbeschouwelijke tradities achterwege blijven
– een signaal van ongelijkheid af, en hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het
maatschappelijke draagvlak voor integratie?
Antwoord 12
Iedereen moet in Nederland in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien overheden
activiteiten ondersteunen moeten ze het gelijkheidsbeginsel in acht nemen. Ik verwijs
hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede namens
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.