Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Schilder, Lammers en Markuszower over verschillen in strafmaat en kwalificatie bij zaken van bekladding van religieuze instellingen
Vragen van de leden Schilder, Lammers en Markuszower (allen Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over verschillen in strafmaat en kwalificatie bij zaken van bekladding van religieuze instellingen (ingezonden 26 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 11 mei 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1717.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, onder meer van het Centrum Informatie
en Documentatie Israël (CIDI), over een uitspraak in een strafzaak rond bekladding
van een Joodse instelling1 en hoe verhoudt deze zich tot een eerdere uitspraak uit 2024 waarbij voor een vergelijkbaar
feit tegen een moskee celstraffen zijn opgelegd?2
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met deze berichten. Ik treed niet in de beoordeling van rechterlijke
uitspraken. Wel kan ik toelichten dat strafrechters in elke zaak zelfstandig beoordelen
of sprake is van een strafbaar feit, welke juridische kwalificatie daaraan wordt gegeven
en welke straf passend en geboden is, mede op basis van de specifieke feiten en omstandigheden
van het geval, waaronder eventueel een discriminatoir motief. Het is daarbij niet
ongebruikelijk dat zaken die op het eerste gezicht vergelijkbaar lijken, juridisch
verschillend worden beoordeeld, omdat de bewijsvoering, de context van het delict
en de omstandigheden van het geval kunnen verschillen.
Vraag 2
Begrijpt u dat het niet erkennen van een antisemitisch motief in dit soort zaken door
de Joodse gemeenschap kan worden ervaren als een gebrek aan erkenning van de ernst
van antisemitisme?
Antwoord 2
Ik begrijp dat beslissingen in strafzaken in de samenleving en in specifieke gemeenschappen
verschillend kunnen worden ervaren en emoties kunnen oproepen, zeker bij feiten die
raken aan discriminatie. Tegelijkertijd is het aan de strafrechter om vast te stellen
of een discriminatoir aspect kan worden bewezen. Die juridische toets kan niet worden
vervangen door de maatschappelijke beleving van een feit, hoe invoelbaar die beleving
ook kan zijn.
Vraag 3
Hoe vaak wordt in dit soort zaken uiteindelijk juridisch vastgesteld dat sprake is
van antisemitisme en hoe vaak niet? Kunt u concrete cijfers geven?
Antwoord 3
In het rapport Strafbare Discriminatie in Beeld 2025 van het OM is antisemitisme 93 keer geregistreerd als discriminatiegrond. Dit betreft
8% van het totaal aantal geregistreerde discriminatiegronden in dat jaar. In 2024
betrof dit 69 registraties, oftewel 11% van het totaal aantal geregistreerde discriminatiegronden
in dat jaar.
Vraag 4
Deelt u de mening dat het niet vaststellen van een antisemitisch oogmerk in gevallen
waarin dat door betrokkenen en de maatschappij in zijn geheel wel zo wordt ervaren
juist bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Antwoord 4
Ik deel die mening niet. Het strafrecht is gericht op het vaststellen van individuele
strafbare feiten. Het al dan niet kunnen bewijzen van een discriminatoir aspect in
een concrete strafzaak betekent niet dat het onderliggende feit daarmee wordt gebagatelliseerd
of niet als ernstig wordt erkend. Daarnaast denk ik niet dat het in een strafzaak
niet kunnen vaststellen van een antisemitisch aspect op zichzelf bijdraagt aan het
toenemend antisemitisme in de samenleving.
Vraag 5
Deelt u de mening dat antisemitisme als motief bij strafbare feiten explicieter en
zwaarder meegewogen moet worden in de strafmaat? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Het huidige strafrechtelijke kader biedt al uitdrukkelijk de mogelijkheid om een discriminatoir
aspect, waaronder antisemitisme, zwaar te laten meewegen bij vaststelling van de strafmaat.
Gedragingen met een discriminatoir karakter zijn strafbaar gesteld in de artikelen 137c
tot en met 137g van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast kan een discriminatoir aspect
worden aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid bij bepaling van de straf. Met
ingang van 1 juli 2025 is een algemene wettelijke strafverzwaringsgrond geïntroduceerd
(artikel 44bis Wetboek van Strafrecht). Deze bepaling regelt dat de rechter de op
te leggen straf met één derde kan verhogen indien een strafbaar feit (bijvoorbeeld
een mishandeling of vernieling) is gepleegd met een discriminatoir aspect.
Vraag 6
Hoe duidt u de verschillen in strafmaat en kwalificatie in het licht van het gelijkheidsbeginsel
en het uitgangspunt van rechtsgelijkheid?
Antwoord 6
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld.
In het strafrecht betekent dit echter niet dat zaken die in eerste opzicht vergelijkbaar
lijken, automatisch tot dezelfde uitkomst moeten leiden. De strafrechter beoordeelt
per zaak afzonderlijk de concrete feiten en omstandigheden, de bewijslast, de ernst
van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verschillen in strafmaat
of kwalificatie kunnen daarom gerechtvaardigd zijn wanneer deze verschillen berusten
op relevante verschillen in bewijs, context of juridische beoordeling.
Vraag 7
In hoeverre wordt bij incidenten zoals bekladding van Joodse instellingen standaard
onderzocht of sprake is van een antisemitisch motief en welke factoren zijn hierbij
van belang bij de overweging van de rechter voor het aannemen van een antisemitisch
oogmerk? Bent u bereid in overleg met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak te
bezien of nadere richtlijnen of verduidelijkingen nodig zijn om meer consistentie
te bevorderen?
Antwoord 7
In strafrechtelijke onderzoeken wordt in zaken waarin mogelijk sprake is van discriminatoire
aspecten, waaronder antisemitisme, standaard onderzocht of aanwijzingen bestaan voor
een dergelijk motief. Het OM hanteert daarbij de Aanwijzing Discriminatie.3
Of een discriminatoir motief uiteindelijk juridisch kan worden bewezen, hangt af van
de beschikbare bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan door de rechter.
Ik zie, mede gelet op de bestaande wettelijke kaders en de Aanwijzing Discriminatie
van het OM, op dit moment geen aanleiding om aanvullende of nadere richtlijnen te
ontwikkelen. Wel blijf ik in gesprek met het OM en de rechtspraak over de effectieve
werking van het bestaande instrumentarium en de bestrijding van discriminatie in al
haar vormen.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.