Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van der Werf en Bamenga over het bericht ‘Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel’
Vragen van de leden Van der Werf en Bamenga (beiden D66) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: Rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie» (ingezonden 13 april 2026).
Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 8 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel:
rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele
aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed
en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot
hulporganisaties?
Antwoord 2
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen
zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod
op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet
wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen
in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen.
In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid
bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister
van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen
in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Vraag 3
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel
in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als
uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Antwoord 3
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend
volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor
de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen
zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Vraag 4
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen
op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis,
en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen
en hun ouders of verzorgers?
Antwoord 4
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse
minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en
organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Antwoord 5
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten
van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning.
Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Vraag 6
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël
van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding
geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël
Associatieverdrag?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie
Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een
update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord,
om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was
hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke
of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun
in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2
van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen,
waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.