Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boomsma over ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’
Vragen van het lid Boomsma (JA21) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten» (ingezonden 19 maart 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 29 april
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1563.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens
de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van
studenten over heeft geslagen?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale
veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan
niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Antwoord 2
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer
bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige
protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten
van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke
invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment
niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de
interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen,
de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de
reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang
en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende
bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling
van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het
belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van
hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet
over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek
ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen
(VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij
afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid
in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Vraag 4
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid
in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Antwoord 4
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen
uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten
Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse
Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid
in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant
is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector
te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten
van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep
is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan
om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door
mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger
onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale
veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor
van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel
zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen
worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor
de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd
op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Vraag 5
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit
van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Antwoord 5
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen
is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid
onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het
inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig
jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale
veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Vraag 6
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid
onder studenten?
Antwoord 6
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Vraag 7
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare
onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Antwoord 7
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren.
Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare
onderzoeken hebben overgeslagen.
Vraag 8
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen
naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Antwoord 8
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende
afspraken acht ik niet nodig.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.