Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ergin over de rol van voormalig minister Gouke Moes bij een rechtszaak tegen de Staat
Vragen van het lid Ergin (DENK) aan de Minister-President en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van voormalig Minister Gouke Moes bij een rechtszaak tegen de Staat (ingezonden 13 maart 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 23 april 2026). Zie ook
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1526.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gouke Moes zich kort na zijn aftreden heeft aangesloten als vicevoorzitter bij de
Stichting Democratische Vernieuwing, die een rechtszaak voorbereidt tegen de Nederlandse
Staat onder de noemer «cultuurdefensie»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het dat een voormalig Minister van Cultuur zich binnen enkele weken
na zijn aftreden aansluit bij een stichting die een rechtszaak tegen de Staat voorbereidt
onder de noemer «cultuurdefensie»?
Antwoord 2
Het is in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van bewindspersonen en voormalige
bewindspersonen om te waken voor (mogelijke) belangenverstrengeling. Daarbij zijn
zij uiteraard gehouden aan de geldende wet- en regelgeving.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat het op zijn minst opmerkelijk en politiek problematisch is
wanneer een bewindspersoon die kort daarvoor nog deel uitmaakte van de regering zich
vrijwel direct daarna aansluit bij een initiatief dat de Staat juridisch wil aanklagen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Heeft de heer Moes tijdens zijn ministerschap betrokkenheid gehad bij beleid of besluitvorming
rond migratie, integratie, cultuurbeleid of maatschappelijke cohesie die mogelijk
raakt aan het onderwerp van deze voorgenomen rechtszaak?
Antwoord 4
De heer Moes nam als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deel aan de wekelijkse
ministerraden en onderraden, waarbij dergelijke onderwerpen zijn besproken. Daarnaast
was het onderwerp cultuurbeleid onderdeel van de portefeuille van de heer Moes. Op
grond van de artikelen 98 en 272 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van
het Reglement van orde van de ministerraad bestaat er een geheimhoudingsplicht ten
aanzien van ambtsgeheimen, staatsgeheimen en ten aanzien van hetgeen tijdens vergaderingen
van de ministerraad besproken wordt of geschiedt. Dat geldt ook voor vergaderingen
van onderraden en van commissies uit de ministerraad. Deze geheimhoudingsplicht blijft
ook na ontslag uit het ambt van bewindspersoon bestaan.
Vraag 5
Beschikte de heer Moes tijdens zijn ministerschap over vertrouwelijke informatie of
beleidsinzichten die relevant zouden kunnen zijn voor de voorbereiding van een rechtszaak
tegen de Staat? Zo ja, welke waarborgen bestaan er dat dergelijke informatie niet
wordt gebruikt?
Antwoord 5
Zie antwoord op vraag 4.
Vraag 6
Vindt u het passend dat een voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
zich drie weken na zijn aftreden aansluit bij een initiatief dat de Nederlandse Staat
wil aanklagen onder de noemer «cultuurdefensie»? Zo ja, waarom?
Antwoord 6
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 7
Klopt het dat, op grond van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, een gewezen
bewindspersoon binnen twee jaar na aftreden het Adviescollege rechtspositie politieke
ambtsdragers om advies moet verzoeken over de aanvaardbaarheid van een voorgenomen
functie?
Antwoord 7
Ja, voor zover het gaat om beoogde vervolgfuncties waarop deze wet betrekking heeft,
te weten dienstverbanden bij private en semipublieke werkgevers. Ook ten aanzien van
beoogde vervolgfuncties in de publieke sector bestaat deze adviesverplichting, tenzij
het gaat om één van de uitzonderingen genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet.
Bij een dienstverband gaat het om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht.
Vraag 8
Heeft de heer Moes een dergelijk advies aangevraagd of ontvangen met betrekking tot
zijn functie als bestuurder van de Stichting Democratische Vernieuwing? Zo ja, wat
was de uitkomst van dit advies en wanneer is dit uitgebracht?
Antwoord 8
Ik heb van het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers (Arpa) begrepen
dat de heer Moes geen advies omtrent het aangaan van deze functie heeft gevraagd.
Daartoe zou ook geen verplichting bestaan indien het gaat om een onbezoldigde functie.
Het Arpa heeft overigens geen actieve onderzoeksplicht.
Vraag 9
Indien geen advies is aangevraagd, acht u dat in overeenstemming met de verplichtingen
uit de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen?
Antwoord 9
Indien sprake is van een onbezoldigde functie, bestaat er op basis van de Wet regels
integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen geen verplichting tot het vragen van
advies aan het Arpa.
Vraag 10
Klopt het dat artikel 4 van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen bepaalt
dat een gewezen bewindspersoon gedurende twee jaar na aftreden geen zakelijk contact
mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie of met ambtenaren van andere
ministeries over beleidsterreinen waarbij hij intensief betrokken is geweest?
Antwoord 10
Ja.
Vraag 11
Is bij u bekend of de heer Moes, sinds zijn aantreden als bestuurder van de Stichting
Democratische Vernieuwing, contact heeft gezocht of contact heeft laten zoeken met
ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of andere ministeries
over deze voorgenomen rechtszaak of over het onderwerp «cultuurdefensie»?
Antwoord 11
De heer Moes heeft, voor zover wij kunnen overzien, geen contact gezocht met ambtenaren
van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over deze voorgenomen rechtszaak
of over het onderwerp «cultuurdefensie».
Vraag 12
Is voor de heer Moes een ontheffing verleend van het verbod op zakelijk contact met
ambtenaren zoals bedoeld in de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen? Zo ja,
op welke gronden en wanneer?
Antwoord 12
Nee.
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk zou zijn wanneer een voormalig Minister van
Cultuur die drie weken na zijn aftreden betrokken raakt bij een initiatief dat de
Staat wil aanklagen alsnog ontheffing zou krijgen van het verbod op zakelijk contact
met ambtenaren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13
In de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen is een lobbyverbod
opgenomen dat inhoudt dat een voormalig bewindspersoon gedurende twee jaar na zijn
ontslag geen zakelijk contact mag hebben met ambtenaren van zijn voormalig ministerie,
en ook niet met ambtenaren van andere ministeries voor zover het gaat om aanpalende
beleidsterreinen. Doel van dit lobbyverbod is het tegengaan van (het risico op) belangenverstrengeling.
Slechts in uitzonderlijke gevallen kan door de Minister-President, na een advies van
het Arpa, ontheffing van het lobbyverbod worden verleend indien daarom wordt verzocht.
Het spreekt voor zich dat de Minister-President met deze bevoegdheid terughoudend
omgaat, aangezien ontheffing een afwijking van de wettelijke hoofdregel betekent.
In de onderhavige casus is, zoals aangegeven in antwoord 12, geen sprake van ontheffing
van het lobbyverbod.
Vraag 14
Zijn bij u signalen bekend dat oud-bewindspersonen van kabinet Schoof 1 in vergelijkbare
situaties terecht zijn gekomen, bijvoorbeeld door kort na hun aftreden betrokken te
raken bij functies op beleidsterreinen waarvoor zij eerder verantwoordelijk waren?
Zo ja, zijn daarbij signalen bekend dat regels uit de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen,
handboek bewindspersonen en andere integriteitsregels mogelijk zijn overtreden?
Antwoord 14
De voormalige bewindspersonen uit het kabinet-Schoof zijn gehouden aan de Wet regels
integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.
Vraag 15
Vindt u dat de huidige Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen voldoende waarborgen
bevat om te voorkomen dat een oud-bewindspersoon kort na zijn aftreden betrokken raakt
bij initiatieven die de Staat juridisch activistisch procederen op beleidsterreinen
waarvoor hij zelf eerder verantwoordelijk was?
Antwoord 15
De verplichting om advies aan het Arpa te vragen over een beoogde vervolgfunctie heeft
volgens de wet alleen betrekking op dienstverbanden (met uitzondering van de functies
die zijn genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet). Bij een dienstverband gaat
het, zoals gezegd, om een bezoldigde functie of een betaalde opdracht. Onbezoldigde
functies of opdrachten vallen dus niet onder de adviesverplichting. Als dat wel het
geval zou zijn, zou voor allerlei soorten vrijwilligerswerk advies aan het Arpa moeten
worden gevraagd. De wetgever heeft dit niet wenselijk geacht.
Op basis van artikel 8 van de wet zal drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie
plaatsvinden omtrent de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Ik acht het voorstelbaar
dat de afbakening voor wat betreft de adviesverplichting onderdeel uitmaakt van deze
evaluatie.
Overigens is de reikwijdte van het lobbyverbod op basis van artikel 4, eerste lid,
van de wet niet beperkt tot bezoldigde functies of opdrachten.
Vraag 16
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Namens
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.