Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Teunissen over de aangenomen doodstrafwet in Israël
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de aangenomen doodstrafwet in Israël (ingezonden 3 april 2026).
Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 23 april 2026).
Vraag 1
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat het Israëlische parlement een wet heeft aangenomen
die de doodstraf mogelijk maakt en die in de praktijk uitsluitend op Palestijnen zal
worden toegepast?1
Antwoord 1
Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze
wetgeving.2 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset
onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen
van executies wat wordt gezien als onmenselijk en ondoeltreffend. Daarnaast is het
discriminatoire karakter van de wetgeving extra zorgwekkend en onacceptabel. Het kabinet
heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij
de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld
tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog
op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische
Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast
aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de
wetgeving.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat een wettelijke regeling die expliciet of feitelijk onderscheid
maakt op basis van nationaliteit of etniciteit bij het opleggen van de doodstraf in
strijd is met het non-discriminatiebeginsel? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ja, een wettelijke regeling die onderscheid maakt op basis van nationaliteit of etniciteit
bij het opleggen van de doodstraf is volgens het kabinet in strijd met het non-discriminatiebeginsel.
Het kabinet wijst er hierbij op dat het Internationaal Gerechtshof in zijn advies
van 19 juli 2024 inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse heeft vastgesteld
dat Israël de verplichting heeft om alle wetgeving en maatregelen die discriminerend
zijn jegens de Palestijnse bevolking in de bezette Palestijnse Gebieden in te trekken.
Met het invoeren van deze nieuwe wetgeving gaat Israël tegen dit advies in.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van VN-experts dat toepassing van de doodstraf in
de bezette Palestijnse gebieden neerkomt op een oorlogsmisdaad?3
Antwoord 3
Het kabinet neemt de waarschuwing van VN-experts serieus. De VN-experts verwijzen
specifiek naar de bepaling in de Israëlische wetgeving die het opleggen en uitvoeren
van de doodstraf binnen een termijn van 90 dagen mogelijk zou maken. Het Vierde Verdrag
van Genève bepaalt dat opzettelijk aan beschermde personen het recht onthouden op
een eerlijke en rechtmatige berechting, een ernstige inbreuk is op dat verdrag. Dergelijke
ernstige inbreuken zijn aangemerkt als oorlogsmisdrijven.
Vraag 4
Erkent u dat het opleggen van de doodstraf door een bezettende macht aan beschermde
personen onder het Vierde Verdrag van Genève in beginsel verboden is? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 4
Volgens het Vierde Verdrag van Genève mag een bezettende macht alleen de doodstraf
opleggen aan beschermde personen (in dit geval de lokale Palestijnse bevolking) indien
deze personen schuldig zijn bevonden aan spionage, een ernstige daad van sabotage
tegen de militaire installaties van de bezettende macht, of aan opzettelijke vergrijpen
die de dood van één of meer personen tot gevolg hebben gehad. Terdoodveroordeelden
hebben het recht om gratie of uitstel van executie te verzoeken. Een belangrijke voorwaarde
is dat de doodstraf alleen mag worden opgelegd indien bovengenoemde vergrijpen al
strafbaar waren, met de doodstraf als strafbepaling, volgens de wetgeving van het
bezette gebied die van kracht was voordat de bezetting begon.
Vraag 5
Hoe verhoudt deze wet zich volgens u tot internationale standaarden rondom het recht
op een eerlijk proces, met name gezien signalen dat rechters verplicht worden de doodstraf
op te leggen en procedures worden versneld?
Antwoord 5
Verschillende onderdelen van de wet lijken in strijd te zijn met het recht op een
eerlijk proces en, vanwege de aard van de wetgeving, daardoor met het recht op leven.
Het gaat daarbij om het verplichte karakter van de doodstraf onder deze wet en het
gebrek aan discretionaire ruimte voor de rechter, naast het feit dat de doodstraf
onder deze wet zal worden opgelegd aan Palestijnse burgers door militaire rechtbanken
in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit is een van de vele maatregelen waarmee de
Palestijnse bevolking gescheiden wordt gehouden van de kolonisten in de bezette gebieden,
in strijd met het discriminatieverbod onder artikel 3 van het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Over de praktijk van
berechting van Palestijnse burgers door Israëlische militaire rechtbanken – en de
eerbiediging van het recht op een eerlijk proces hierbij – uiten internationale waarnemers
al langer zorgen. Wanneer aan deze zelfde militaire rechtbanken de (dwingende) bevoegdheid
wordt toegekend tot het opleggen van de doodstraf aan burgers, worden deze zorgen
des te pregnanter. Wanneer de doodstraf wordt opgelegd als gevolg van een procedure
waarin het recht op een eerlijk proces wordt geschonden, moet de opgelegde doodstraf
worden beschouwd als willekeurig en in strijd met het recht op leven.
Vraag 6
Bent u bereid expliciet te erkennen dat deze wetgeving in strijd is met het internationaal
recht, zoals ook door onafhankelijke experts en VN-rapporteurs wordt gesteld?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 1, 4 en 5. De zorgen van het kabinet worden gedeeld met
verschillende gelijkgezinde staten en internationale experts. Ook binnen Israël heeft
de wetgeving tot veel kritiek geleid. Direct na het aannemen van de wet door de Knesset,
hebben verschillende Israëlische organisaties beroep hiertegen ingesteld bij het Israëlische
Hooggerechtshof. Het kabinet volgt de uitspraak van het Hooggerechtshof nauwlettend.
Vraag 7
Welke stappen zet Nederland, nationaal en in EU-verband, om deze wetgeving aan te
kaarten en aan te dringen op intrekking ervan?
Antwoord 7
Nederland voert wereldwijd een afschaffingsbeleid ten aanzien van de doodstraf. Dit
afschaffingsbeleid wordt al vele jaren gezamenlijk met EU-partners verricht op grond
van EU-richtlijnen en Nederland draagt ook actief bij aan het uitvoeren van dit beleid.
De EU roept in het bijzonder op tot het handhaven of instellen van moratoria als een
eerste stap naar afschaffing. Nu de Israëlische doodstrafwet is aangenomen roept Nederland
Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen
van het (Europese) afschaffingsbeleid. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur
van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel
publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President
met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister
van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op
15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese
Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving
Vraag 8 en 9
Bent u bereid om in EU-verband of nationaal hier maatregelen aan te verbinden? Zo
nee, waarom niet?
Hoe past het uitblijven van concrete maatregelen tegen deze wet binnen het kabinetsbeleid
om straffeloosheid wereldwijd tegen te gaan, en welke vervolgstappen overweegt u om
hier invulling aan te geven?
Antwoord 8 en 9
Zie het antwoord op vraag 7.
Vraag 10
Wilt u deze vragen voor aanvang van de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire
hulp van donderdag 9 april 2026 beantwoorden?
Antwoord 10
Het kabinet heeft getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording.
Door de korte termijn en de juridisch complexe materie, is het niet gelukt de vragen
voor de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire hulp te beantwoorden.
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.