Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Wendel over jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland
Vragen van het lid Wendel (VVD) aan de Minister en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland (ingezonden 9 april 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) en de Staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid (ontvangen 23 april 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege
de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren
in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele
activiteiten?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen
over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden
zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit
van dergelijke voorlichting?
Antwoord 2
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten,
en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen
zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van
de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten.
Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt
ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe
veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel
van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn
afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School
& Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een
veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente,
school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie.
Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit
(afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting
voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes
en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen
bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke
risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het
belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het
herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen
handelen.
Vraag 3
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet
u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar
zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Antwoord 3
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd.
In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel
voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht
voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek
van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt
in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er
is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen
uit te voeren.
Vraag 4
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland
tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Antwoord 4
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere
– gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele
middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve)
politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten
jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte
en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten
einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen
zij een kwart miljoen euro.
Vraag 5
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere
gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Antwoord 5
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een
gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de
meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op
basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren
die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten
of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een
relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden
aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten
en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen
beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten
in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale
lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse
Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn
geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet
wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin
een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare
orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren
inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar
ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Vraag 6
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden
besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
Antwoord 6
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners
uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten
en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte
inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat
de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep.
In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn
zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe
inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten.
Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord
binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad.
Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid
over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies
die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang
in de jaarlijkse monitor.
Vraag 7
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn
bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Antwoord 7
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet
van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende
doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit.
Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen
effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden
van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort
AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten,
inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt.
Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie
met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden
actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo
zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via
een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding.
Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren,
waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Vraag 8
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies
die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
Antwoord 8
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door
het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief
zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht
op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren,
evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek
buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak
van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies
de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd
op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing
ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt
naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies,
die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Vraag 9
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet
dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader
en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag
dienen te worden gefinancierd?
Antwoord 9
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet
moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede
inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier.
Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies
te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe
interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI.
Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze
kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Vraag 10
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling
tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Antwoord 10
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk
overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl.
is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak
van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan
knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen
betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze
Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen
bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie
met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten
op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het
ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een
gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals
en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De
Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen.
Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken
we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Vraag 11
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren
in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens
wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Antwoord 11
Ja.
Vraag 12
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem
is dat we moeten aanpakken?
Antwoord 12
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale
media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer
eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt
aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden
een onderdeel van zal uitmaken.
Vraag 13
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu
dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren
te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke
trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld
en gefilmd?
Antwoord 13
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de
Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms
illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben.
Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid
die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige
maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen
te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond
van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel
35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende
mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder
op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten
kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat.
In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief
genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector
in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk,
best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private
samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving
(ECP).
Vraag 14
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
Antwoord 14
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau
zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse
afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal
sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging,
ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke,
maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging
in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd.
Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een
sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van
vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen
waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd
wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook
in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online.
Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Vraag 15
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en
aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Antwoord 15
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games
op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont
aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht.
Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen,
waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties
vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast
wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media
inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische
reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken
worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie
van geweld onder jongeren.
Vraag 16
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op
23 april 2026?
Antwoord 16
Hier streven wij naar.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.