Schriftelijke vragen : De brief aan de Europese Commissie over de implementatie van de gedelegeerde handeling (DA EU 2023/1184) ten aanzien van de methodologie voor de productie van RFNBO (Renewable Fuels of Non-Biological Origin)
Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de brief aan de Europese Commissie over de implementatie van de gedelegeerde handeling (DA EU 2023/1184) ten aanzien van de methodologie voor de productie van RFNBO (Renewable Fuels of Non-Biological Origin) (ingezonden 21 april 2026).
Vraag 1
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde
versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om
deze lijn te steunen?
Vraag 2
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te
versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode
voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur
temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen
met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Vraag 3
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft
plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben
geïnvesteerd in groene waterstof?
Vraag 4
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele
correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een
beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Vraag 5
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking
van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Vraag 6
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions»,
welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen
met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren
van dit label?
Vraag 7
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel
hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof
toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar
met koolstof-arme waterstof?
Vraag 8
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en
onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld
benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil
specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Vraag 9
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische
haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference
of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie
en de gestelde sunset clause?
Vraag 10
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere
oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet
met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Indieners
-
Gericht aan
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Indiener
Sjoukje van Oosterhout, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.