Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Beckerman, Jimmy Dijk en Dobbe over het bericht ‘Opnieuw asbestzand te koop bij Bol.com, webwinkel stopt verkoop van speelzand helemaal
Vragen van het lid Beckerman, Jimmy Dijk en Dobbe (allen SP) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Opnieuw asbestzand te koop bij Bol.com, webwinkel stopt verkoop van speelzand helemaal» (ingezonden 13 maart 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de
Minister van Werk en Participatie (ontvangen 17 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1502.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw asbest gevonden is in speelzand dat online
te koop was?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat asbesthoudend speelzand alsnog te koop was, ook nadat verschillende
producenten en verkopers aangaven dat ze de verkoop ervan hadden opgeschort?
Antwoord 2
Het is onwenselijk dat er alsnog asbesthoudend speelzand te koop was. De verantwoordelijkheid
om veilige producten op de markt te brengen ligt bij de marktdeelnemers (zoals fabrikanten,
importeurs en distributeurs). Uit het krantenartikel blijkt dat de betreffende marktdeelnemers
die speelzand hebben aangeboden waarin asbest is aangetroffen, direct actie hebben
ondernomen om het betreffende product van de markt te halen. Daarmee handelden zij
conform de Europese wet- en regelgeving voor speelgoed, waarin is geregeld dat marktdeelnemers
direct maatregelen treffen zodra zij informatie ontvangen dat er iets mis is met het
speelgoed dat zij verkopen.
Vraag 3
Hoe gaat u bovenstaande in de toekomst voorkomen?
Antwoord 3
In de speelgoedwetgeving is vastgelegd welke taken en verantwoordelijkheden marktdeelnemers
hebben, om te voorkomen dat zij niet-conform speelgoed op de markt aanbieden.
De NVWA zal asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht. Afhankelijk van
het risico zal de toezichtintensiteit daar op worden aangepast. Daarbij gaat de NVWA
in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde
eisen van speelzand kunnen voldoen. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico
is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Het kabinet zal zich daarom
in Europees verband inzetten voor aanscherping van de huidige wettelijke limiet.
Vraag 4
Ziet u met licht op het bovenstaande de tot nu toe genomen acties als voldoende om
te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand?
Antwoord 4
Het kabinet heeft de nodige en mogelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat kinderen
in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand.
Aan (onder andere) ouders en kinderopvangorganisaties is meteen geadviseerd om het
speelzand voorlopig even niet te gebruiken totdat het RIVM haar gezondheidskundige
risicobeoordeling heeft afgerond.
Kinderopvangorganisaties zijn daarop gestopt met het aanbieden van dit type speelgoed
aan kinderen tijdens hun verblijf op de opvanglocatie. Nu de resultaten van de risicobeoordeling
bekend zijn geworden, adviseren de brancheverenigingen in de kinderopvang hun leden
om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken. Het kabinet heeft daar
begrip voor.
Fabrikanten, webshops en winkeliers hebben vrijwillig, of op verzoek van de NVWA,
speelzand van de markt gehaald. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico
zal, zoals eerder genoemd, de NVWA asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht
en zal het kabinet zich inzetten voor aanscherping van de wettelijke limiet.
Vraag 5
Ziet u ook dat terugroepacties op eigen verantwoordelijkheid van bedrijven geen garantie
bieden dat potentieel gevaarlijke producten niet langer verkocht worden? Zo ja, hoe
ziet u in dit licht de reactie van de voormalige Staatssecretaris van Jeugd, Preventie
en Sport waarin vooral verwezen werd naar de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven?
Antwoord 5
In Europese wetgeving is de verantwoordelijkheid voor productveiligheid duidelijk
geregeld: marktdeelnemers moeten kunnen aantonen dat hun producten veilig zijn en
de NVWA houdt daarop streng toezicht. Wanneer sprake is van een ernstig risico kan
de NVWA een publiekswaarschuwing of verplichte terugroepactie opleggen. Terugroepacties
blijven een belangrijk instrument, maar toezicht blijft uiteraard noodzakelijk om
de veiligheid van producten op de markt te borgen. Het is niet volledig te garanderen
dat alleen conforme producten op de markt komen.
Vraag 6
Deelt u de mening dat de resultaten van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA) zelf laat uitvoeren te lang op zich laten wachten? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 6
Nee, het kabinet deelt deze mening niet. Het kabinet vindt het van groot belang dat
dergelijk onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd onderkent het kabinet
dat er vanaf het begin grote behoefte was aan informatie over asbest in speelzand.
Daarom heeft de NVWA op 13 maart een tussenrapportage van onderzoeksresultaten naar
buiten gebracht. Hieruit bleek dat in 5 producten meer asbest was aangetroffen dan
de wettelijke limiet. Deze producten zijn toen direct van de markt gehaald.
Daarnaast is ook een gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door het RIVM.
Ook dit onderzoek moest zorgvuldig gebeuren en was tijdrovend. De resultaten van de
beoordeling zijn inmiddels openbaar gemaakt via de website van het RIVM.
Vraag 7
Ziet u het als een beperking dat de NVWA niet handhavend kan optreden op basis van
externe resultaten van geaccrediteerde laboratoria wanneer sprake is van een risico
voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Nee, het is van groot belang dat de monstername (het in bewaring stellen van het product)
onder toeziend oog van een inspecteur gebeurt, die de eed of belofte heeft afgelegd.
Hiermee kan in juridische zin worden gegarandeerd dat er geen fraude is gepleegd ten
tijden van de monstername. De NVWA heeft geaccrediteerde laboratoria benaderd om hun
testuitslagen te ontvangen, om op die manier een breder beeld te krijgen van de situatie.
Vraag 8
Deelt u de mening dat het lange wachten op onderzoeksresultaten van de NVWA en het
uitblijven van aangekondigde instructies voor kinderdagopvangorganisaties kunnen leiden
tot een afwachtende houding bij sommige van deze organisaties?
Antwoord 8
Het onderzoek naar en de risicobeoordeling van asbest in speelzand was erg complex.
Het was noodzakelijk om dit zorgvuldig te doen. De brancheverenigingen in de kinderopvangsector
hadden al proactief opgeroepen om speelzand op te bergen en voorlopig niet meer te
gebruiken. Het beeld van het kabinet is dat de sector gehoor heeft gegeven aan dit
signaal. Op basis van de risicobeoordeling door het RIVM en het Buro-advies kan de
sector bepalen of zij speelzand willen blijven gebruiken. Zoals eerder aangegeven
adviseren de brancheverenigingen hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet
meer te gebruiken.
Vraag 9
Wat vindt u van signalen dat sommige scholen het speelzand nog steeds of weer gebruiken,
omdat leveranciers zelf zeggen dat het asbestvrij is?
Antwoord 9
Een leverancier is ervoor verantwoordelijk dat zijn product aan de wet- en regelgeving
voldoet. Zoals aangetoond in het onderzoek van de NVWA bevat het meeste speelzand
geen of hele kleine hoeveelheden asbest. Maar het kabinet heeft er begrip voor als
ouders of kinderdagverblijven liever het zekere voor het onzekere nemen en voor alternatief
speelgoed kiezen.
Vraag 10
Wat vindt u van het gegeven dat sommige leveranciers hiervoor buitenlandse laboratoria
gebruiken die niet in Nederland geaccrediteerd zijn en die bovendien geen elektronenmicroscopie
gebruiken, maar lichtmicroscopie waarmee asbest niet altijd aangetoond kan worden?
Antwoord 10
Het is van belang dat de juiste methoden op een goede manier wordt uitgevoerd. Voor
de bepaling van gehaltes aan asbest in speelzand is een methode nodig met een voldoende
lage detectiegrens. Lichtmicroscopie heeft een detectiegrens gelijk aan de wettelijke
limiet van 0,1% asbest. Elektronenmicroscopie kan asbest in speelzand tot veel lagere
concentraties vaststellen. De combinatie van NEN 5896 en VDI 3866-5 is daarbij de
meest geschikte aanpak om een indicatie te geven
van het asbestgehalte in speelzand volgens de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek (TNO)2. Laboratoria hoeven niet in Nederland geaccrediteerd te zijn om een dergelijke methode
goed uit te voeren.
Vraag 11
Kunt u bevestigen dat de resultaten afkomstig van laboratoria die niet in Nederland
geaccrediteerd zijn in Nederland niet rechtsgeldig zijn?
Antwoord 11
Nee, als een onderzoek is uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium met de juiste
methoden, dan is dat conform wet- en regelgeving acceptabel.
Vraag 12
Laat de NVWA naast onderzoek naar asbest in het speelzand zelf ook onderzoek doen
naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderdagverblijven en scholen
waar dit speelzand gebruikt is, zoals ook in Australië en Nieuw-Zeeland gedaan is?
Antwoord 12
Nee, er is geen sprake van geweest dat de NVWA zelf onderzoek zou gaan doen naar mogelijk
vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderopvangcentra en scholen.
De lucht in een klaslokaal wordt continu ververst door mechanische ventilatie. Op
basisscholen en kinderopvangcentra houdt het schoonmaakprotocol in dat alle oppervlakken
dagelijks nat worden gereinigd, waardoor elke keer veel van de neergeslagen vezels
worden verwijderd. Aangezien de bron van de verontreiniging is weggenomen en de klaslokalen
meerdere malen nat zijn gereinigd, is professionele sanering van de klaslokalen niet
nodig.
Vraag 13
Deelt u de mening dat zolang dit probleem niet aan de bron aangepakt wordt, terugroepacties
en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen
zullen blijven komen?
Antwoord 13
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest
bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onder de grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast
heeft het RIVM aangetoond dat het gezondheidsrisico van spelen met verschillende soorten
speelzand, waarin minder dan 0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is.
Desondanks zal het kabinet zich binnen Europa inzetten voor een lagere wettelijke
eis voor het asbestgehalte in speelzand. Het kabinet heeft hierover advies gevraagd
aan het RIVM.
Vraag 14
Deelt u de mening dat de NVWA voldoende capaciteit moet hebben om zelf slagvaardig
op te kunnen treden rondom productveiligheid in plaats van de verantwoordelijkheid
vrijwel geheel bij de markt te leggen en dat daar een passende bekostiging bij hoort?
Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 14
Producenten en handelaren zijn zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen
van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van
de Warenwet en in EU-verband via onder andere de Algemene Productveiligheidsverordening.
De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de
NVWA voldoende middelen moet hebben om zijn toezichttaken uit te voeren. Hiervoor
stelt VWS jaarlijks 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid
maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe
deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Vraag 15
Welke vormen van bekostiging voor de NVWA worden onderzocht, wanneer wordt de Kamer
hierover geïnformeerd en op welke manier wordt daarmee voldoende slagkracht voor de
NVWA gewaarborgd?
Antwoord 15
Naar aanleiding van de agentschapsdoorlichting van de NVWA door PricewaterhouseCoopers
uit 2024, kijken de departementen met de NVWA naar andere vormen van bekostiging om
het risicogericht toezicht door de NVWA beter te waarborgen. Hierover is de Kamer
ook geïnformeerd (Kamerstuk 33 835, nr. 257).
Bij deze analyse wordt gekeken welke knelpunten en belemmeringen worden ervaren door
de NVWA en welke oplossingen mogelijk zijn, waaronder verschillende bekostigingsvormen.
Het is geen doel op zich om tot een andere bekostigingswijze te komen.
De Kamer zal uiterlijk einde van dit jaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van
deze verkenning.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.