Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over "de uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536"
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536 (ingezonden 12 maart 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 13 april
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfonden (GIP) in
geschil 2024-0536?1
Antwoord 1
Ja. De zaak ging in kort om het volgende. Hierbij is de samenvatting in de uitspraak
geschillencommissie GIP aangehouden.
«Verzoeker ontvangt sinds 2010 ouderdomspensioen van ABP. ABP verlaagt per 1 januari
2024 de ouderdomspensioenuitkering, omdat verzoeker is gaan samenwonen en vanaf 1 september
2022 het AOW-bedrag voor een gehuwde ontvangt. De verlaging betreft het opgebouwde
ouderdomspensioen vóór 1 januari 1995. Verzoeker is het niet eens met deze verlaging.
Voor de beoordeling van het geschil had de commissie meer informatie nodig van ABP.
Daarom deed zij op 5 augustus 2025 een
tussenuitspraak. In deze einduitspraak weegt de commissie de van ABP ontvangen informatie over de
grondslag van de genoemde verlaging in de wet en het pensioenreglement. Die grondslag
heeft de commissie niet aangetroffen en daarom wijst zij het verzoek toe.»
Vraag 2
Wat vindt het kabinet ervan dat de ouderdomspensioenuitkering van de indiener in deze
zaak door het ABP is verlaagd, omdat verzoeker is gaan samenwonen?
Antwoord 2
Het kabinet spreekt zich niet uit over de juistheid of de onderbouwing van individuele
uitspraken van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen. De Geschilleninstantie Pensioenfondsen
functioneert onafhankelijk en volgt haar eigen procedurele en inhoudelijke afwegingen.
Tegen de uitspraak van 10 februari 2026 is bovendien door ABP beroep ingesteld bij
de Commissie van Beroep. Het is aan deze onafhankelijke beroepsinstantie om de uitspraak
verder te beoordelen. Gelet hierop en in het belang van een zorgvuldige behandeling
van dit lopende beroep past het kabinet terughoudendheid in de beantwoording van uw
vragen.
Vraag 3
Welke juridische grondslag is er voor pensioenfondsen om pensioenuitkeringen te verlagen,
enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde gaat samenwonen?
Antwoord 3
Zie antwoord op vraag 2.
In dit geschil ging het om een verlaging per 1 januari 2024 van het vóór 1 januari
1995 opgebouwde ouderdomspensioen omdat de verzoeker (in verband met samenwonen) vanaf
1 september 2022 het AOW-bedrag voor een gehuwde ontvangt.
ABP heeft zich op het standpunt gesteld dat het pensioenreglement leidend is. Het
bevat(te) toen en nu de regel dat ABP het pensioen vermindert als een gepensioneerde
is gaan samenwonen en dus een AOW voor samenwonenden geniet. De pensioenregeling bij
ABP viel tot 1 januari 1996 onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Wet ABP). Op
grond daarvan en van toepasselijke reglementen geldt bij een pensioenopbouw tot 1995
een onderscheid werd gemaakt tussen franchisebedragen, afhankelijk van de burgerlijke
staat. In de uitkeringsfase werkt dit onderscheid door: het pensioen wordt vastgesteld
met een correctiefactor en een gewijzigde franchise die aansluit bij de feitelijke
AOW-situatie op het moment van uitbetaling. Per 1 januari 1995 zijn de aanspraken
omgerekend naar het ABP-reglement. Deelnemers hebben een eindbeslissing gehad over
de omrekening en konden kenbaar maken of ze het eens waren met de eindbeslissing.
Destijds werd aangenomen dat iedereen de wet kende. ABP heeft ook gewezen op de toegezonden
UPO’s die het verschil duidelijk maakte tussen gehuwd en alleenstaand.
In de uitspraak heeft de geschillencommissie GIP vooropgesteld dat voor het bepalen
van de rechten van de deelnemer maatgevend is de tekst van het pensioenreglement dat
geldt op het moment van de verlaging (in dit geval september 2022). De geschillencommissie
heeft daarbij onder andere overgangsbepaling K1 van het pensioenreglement 2022 overwogen.
Daarin is een bepaling opgenomen over omrekening van het tot 1 januari 1996 opgebouwde
pensioen. De geschillencommissie heeft geconcludeerd dat de door ABP aangedragen grondslagen
de toegepaste verlaging van ouderdomspensioen niet kunnen dragen.
Het ABP heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
Vraag 4
Deelt het kabinet de conclusie alsmede de onderbouwing van de conclusie van de uitspraak
van de geschillencommissie? Indien nee, waarom niet?
Antwoord 4
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Deelt het kabinet de waarneming, dat er hoogstwaarschijnlijk meer personen zijn getroffen
door de interpretatie van de regels door het ABP? Zijn er indicaties die erop wijzen
dat pensioenverlagingen op deze grondslag vaker zijn voorgekomen?
Antwoord 5
In dit geschil is een voor 1 januari 1996 opgebouwd ouderdomspensioen verlaagd omdat
de gepensioneerde na ingang van het ouderdomspensioen is gaan samenwonen. Het kabinet
deelt de waarneming dat er hoogstwaarschijnlijk vergelijkbare gevallen zijn. Zoals
aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heeft ABP beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de geschillencommissie GIP.
Vraag 6
Is het aannemelijk dat ook andere pensioenfondsen pensioenverlagingen hebben doorgevoerd
op basis van dezelfde (afgewezen) grondslag en interpretatie van regels?
Antwoord 6
De uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen heeft uitsluitend betrekking
op de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds ABP en op de toepassing daarvan
in het voorliggende individuele geval. Pensioenfondsen beschikken ieder over een eigen
pensioenregeling, met eigen bepalingen en systematiek. In hoeverre het aannemelijk
is dat andere pensioenfondsen vergelijkbare bepalingen hanteren of op basis van eenzelfde
interpretatie besluiten hebben genomen, is op dit moment niet in te schatten.
Vraag 7
Is het mogelijk om te achterhalen hoeveel pensioendeelnemers precies zijn getroffen
door pensioenverlagingen in dit verband?
Antwoord 7
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5 zijn er hoogstwaarschijnlijk wel vergelijkbare
gevallen. Het kabinet beschikt echter niet over cijfers. Een verlaging van opgebouwd
ouderdomspensioen in vergelijkbare gevallen hoeft niet te betekenen dat deze verlaging
ten onrechte heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de geschillencommissie GIP betrof
een uitspraak in een individueel geval. ABP heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Vraag 8
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de geschillencommissie voor de deelnemers die
met een vergelijkbare pensioenverlaging te maken hebben gehad?
Antwoord 8
Zie antwoord op vraag 7.
Vraag 9
Wordt de uitspraak gecommuniceerd aan de deelnemers in kwestie en worden de verlagingen
in dit verband dan automatisch en met terugwerkende kracht teruggedraaid of moeten
zij zelf in actie komen? Kunt u een toelichting geven?
Antwoord 9
Zie antwoord op vraag 7.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.