Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Schilder, Lammers en Markuszower over het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk
Vragen van de leden Schilder, Lammers en Markuszower (allen Groep Markuszower) aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie en Veiligheid over het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk (ingezonden 17 maart 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
10 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het
Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek
naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens
de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Antwoord
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media
en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed
en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie
op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
Antwoord 2
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties
vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp
dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen
in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit
een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een
eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier
beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de
wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek.
Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording
te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging
tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf
dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek
kon schaden?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar
onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van
de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of
organisaties?
Antwoord 4
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis
van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar
onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Vraag 5
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1
van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder
meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Antwoord 5
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur
van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de
Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Vraag 6
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden
of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed
mogelijk onvolledig is gebleven?
Antwoord 6
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik
het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante
getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter,
ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als
onvolledig kan worden gezien.
Vraag 7
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd
is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden
verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Antwoord 7
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van
– in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met
de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd
eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten
van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject
hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Vraag 8
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods
vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of
ideologische afwegingen handelen?
Antwoord 8
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders
haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad
om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods
vastgoed en mogelijke restitutie.
Vraag 9
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek
naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie
ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt
aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Antwoord 9
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties
die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter,
zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders
verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het
college aan te spreken op haar handelen.
Vraag 10
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering
te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke
termijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.