Amendement : Amendement van het lid Flach over een zware voorhang
36 746 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
Nr. 21 AMENDEMENT VAN HET LID FLACH
Ontvangen 8 april 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
In artikel V wordt aan het voorgestelde artikel 229 een lid toegevoegd, luidende:
2. De voordracht voor het koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
is overgelegd. Indien de Tweede Kamer der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen
met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na
dat besluit een nieuw ontwerp aan de Tweede Kamer worden overgelegd.
Toelichting
Uit de uitvoeringstoets van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is gebleken dat het
wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb niet uitvoerbaar
is, zonder grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten voor de pgb-keten
die van dien mate zijn dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd (voor 2030) mogelijk
is. De regering stelt in de nota van wijziging voor pgb-budgethouders tijdelijk uit
te zonderen van een aantal onderdelen van het wetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers.
De regering schrijft in een toelichting hierover het volgende:
Structurele oplossingen zorgen voor dilemma’s tussen de nieuwe beweging richting meer
zekerheid op de arbeidsmarkt, het doenvermogen van pgb-houders én de vrijheid binnen
en vormgeving van het pgb. Daarbij nemen we ook de constatering mee dat het doenvermogen
voor pgb-houders om het werkgeverschap goed uit te voeren eigenlijk beperkt is. Een
nieuwe vormgeving van het pgb waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel
werkgeverschap zou een koerswijziging binnen het pgb zijn. Ook dit is niet binnen
afzienbare tijd mogelijk. Dit betekent dat het wetsvoorstel invoeren per de beoogde
datum van inwerkingtreding voor deze groep werkgevers niet mogelijk is. Dit brengt
een dilemma met zich hoe daarmee om te gaan. Uitzonderingen specifiek voor pgb-houders
stuiten snel op gelijke behandelingsgrenzen voor werknemers, omdat dat met zich brengt
dat pgb-zorgverleners geen aanspraak kunnen maken op de extra bescherming die dit
wetsvoorstel biedt. Het alternatief, namelijk het gehele wetsvoorstel uitstellen totdat
ofwel de wijzigingen voor de SVB uitvoerbaar zijn ofwel er een structurele oplossing
is, zou betekenen dat de verbeteringen in de positie van flexwerkers over de hele
linie voorlopig uitblijven. Dat heeft gevolgen voor alle flexwerkers. Dit is lastig
verdedigbaar nu het probleem zit bij een kleine groep werkgevers. Verdere verkenning
van een structurele oplossing is noodzakelijk, om vergelijkbare situaties in de toekomst
te voorkomen en deze situatie niet langer dan noodzakelijk te laten duren, ook met
het oog op de rechten van de groep werknemers die het betreft. Daarom wordt uitvoering
gegeven aan de aangenomen de motie van Kamerlid Flach (SGP), waarin wordt opgeroepen
een verkenning uit te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders,
waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen
nadrukkelijk wordt betrokken.1
Mede in het licht van het hiervoor beschreven dilemma is de regering van mening dat
uitstel voor een aantal onderdelen van het wetsvoorstel voor pgb-houders en pgb-zorgverleners
die bij deze particuliere werkgevers in dienst staan het meest zorgvuldig is. Dit
zijn de onderdelen die nu onuitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat tijdelijk
oproepovereenkomsten (waaronder een nulurencontract) nog gebruikt kunnen worden door
pgb-houders en pgb-zorgverleners, dat de introductie van het bandbreedtecontract niet
geldt, en de tussenpoos van de ketenbepaling op 6 maanden blijft staan. Voor het gebruik
van oproepovereenkomsten is het dus niet noodzakelijk dat er sprake is van een scholier
of student met een bijbaan. Voor alle pgb-zorgverleners kan gebruik gemaakt blijven
worden van oproepovereenkomsten, met de huidige voorwaarden die daarbij horen.
Ten aanzien van oproepovereenkomsten wordt volledigheidshalve opgemerkt dat die voor
deze groep vallen onder de oproepdefinitie in het voorgestelde artikel 7:628a, eerste
lid BW. De huidige regels die gelden voor oproepcontracten (die in het tweede lid
van dat artikel vermeld worden) blijven daardoor ook van toepassing op oproepovereenkomsten
van pgb-zorgverleners. Op grond van het voorgestelde artikel 27, eerste lid, van de
Wet financiering sociale verzekeringen blijft op deze oproepovereenkomsten ook de
hoge WW-premie van toepassing.
De van rechtswege omzetting van oproepcontracten naar bandbreedtecontracten, zoals
voorzien in het eerste lid van het voorgestelde artikel 228 Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek, moet zolang het overgangsrecht geldt voor deze groep niet plaatsvinden. Dit
wordt geregeld door het eerste lid, onderdeel a, van het in te voegen artikel 229.
Ook bij de ketenbepaling en de Ragetlieregel blijft de tussenpoos staan op de huidige
tussenpoos van 6 maanden. Dit is in onderdeel d van het artikel geregeld.
De overige onderdelen van het wetsvoorstel (het benadelingsverbod, de wijziging van
de uitzendovereenkomst en het deel van het overgangsrecht dat ziet op cao’s) hebben
ofwel geen effect op de uitvoeringspraktijk, ofwel zijn al niet van toepassing op
arbeidsovereenkomsten tussen pgb-houders en pgb-zorgverleners. Zo kunnen pgb-houders
niet als uitzendwerkgevers kwalificeren.
Dit is nadrukkelijk tijdelijk geregeld en het doel is dan ook dat dit onderscheid
op het vroegst mogelijke moment wordt opgelost, bijvoorbeeld door een andere vormgeving
van het pgb. Het voorgestelde artikel 229 geldt tot een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. De regering is zich er terdege van bewust dat een structurele uitzondering
gelet op gelijke behandelingsgrenzen zeer kwetsbaar is en ook overigens onwenselijk.
In de tussentijd moet een structurele oplossing gevonden worden in een nieuwe vormgeving
van het pgb, waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel werkgeverschap
en het individueel werkgeverschap minder schuurt voor individuele pgb-houders.
Indiener is van mening dat alvorens de tijdelijke uitzondering van deze onderdelen
voor pgb-budgethouders wordt beëindigd en deze maatregelen bij koninklijk besluit
worden geactiveerd, de Staten Generaal in de gelegenheid moet worden gesteld zich
hierover uit te spreken. Zoals de regering terecht zelf aangeeft heeft inwerkingtreding
van deze onderdelen voor deze groep forse implicaties. Om die reden wordt nu een verkenning
uitgevoerd naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders. Daarnaast
komt uit de uitvoeringstoets van SVB naar voren dat voor 2030 uitvoering van deze
maatregelen niet uitvoerbaar is. De regering benadrukt dat de uitzondering van tijdelijke
aard is, waardoor maatregelen tegen flexibele arbeid in de pgb-sfeer nog altijd boven
het hoofd van pgb-budgethouders blijven hangen. De regering geeft aan dat zij een
structurele uitzondering onwenselijk acht en dat wordt gezocht naar een structurele
oplossing in een nieuwe vormgeving van het pgb. Echter, de regering sluit niet uit
dat activering van deze onderdelen bij koninklijk besluit, al dan niet onmiddellijk,
eerder plaatsvindt. Ook blijft onduidelijk wat de regering doet als een structurele
oplossing via deze route uitblijft.
Dit amendement voorziet in een voorhang aan de Tweede Kamer van het koninklijk besluit
dat de inwerkingtreding van genoemde onderdelen van dit wetsvoorstel regelt. Het voorliggende
wetvoorstel schaft onder meer de oproepcontracten af, terwijl daar in pgb-sfeer veelvuldig
gebruik van wordt gemaakt. Pgb-budgethouders zijn geen reguliere werkgevers en pgb-zorg
is moeilijk planbaar. Budgethouders hebben naast hun vaste medewerkers vaak ook werknemers
in dienst die ingezet worden als flexibele schil voor het geval vaste medewerkers
door ziekte of vakantie niet kunnen werken, waardoor oproepcontracten noodzakelijk
blijven. Afschaffing daarvan kan de continuïteit van de benodigde medische zorg in
gevaar brengen.
Om de Tweede Kamer de mogelijkheid te geven de consequenties van genoemde onderdelen
voor pgb-houders volledig en volwaardig te beoordelen, acht de indiener het wenselijk
om een voorhang aan de ingangsdatum van deze onderdelen van de wet te koppelen. Indiener
ziet deze voorhangprocedure als een extra waarborg richting pgb-budgethouders, zodat
de wenselijkheid van de voorgestelde maatregelen nogmaals zorgvuldig wordt afgewogen
in het licht van hun situatie. Dit amendement geeft de Tweede Kamer de mogelijkheid
de maatregelen te beoordelen op uitvoerbaarheid en doenbaarheid voor budgethouders
en uitvoeringsorganisaties, in samenhang met de dan geldende arbeidsrechtelijke verplichtingen
en de bijbehorende regeldruk voor pgb-budgethouders.
Flach
Ondertekenaars
André Flach, Tweede Kamerlid