Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen die de leden Inge van Dijk en Straatman over het onderzoek naar de antiwitwasaanpak door de Algemene Rekenkamer
Vragen van de leden Inge van Dijk en Straatman (beiden CDA) aan de Ministers van Financiën en van Justitie en Veiligheid over het bericht «Pijnlijke conclusie: peperdure maatregelen tegen witwassen niet effectief en oneerlijk» (ingezonden 13 maart 2026).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën), mede namens de Minister van Justitie en
Veiligheid (ontvangen 7 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel van RTL en het achterliggende rapport van de Algemene
Rekenkamer «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend»?1
Antwoord 1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Vraag 2
Deelt u de hoofdconclusie van de Algemene Rekenkamer dat de huidige anti-witwasaanpak
onvoldoende effectief en efficiënt is?
Antwoord 2
De Algemene Rekenkamer (AR) richtte zich in haar onderzoek op de periode 2020–2024.
Ik ben het met de AR eens dat de antiwitwasaanpak in die jaren in de praktijk beter
kon. Na afloop van die onderzoeksperiode heb ik samen met de Minister van Justitie
en Veiligheid onze nieuwe antiwitwasaanpak met de Tweede Kamer gedeeld.2 Deze nieuwe antiwitwasaanpak adresseert veel van de conclusies van de AR. In deze
nieuwe antiwitwasaanpak benoemen wij twee hoofddoelen: 1) verlagen van lasten voor
bonafide burgers en bedrijven; en 2) barrières verhogen voor criminelen. Door deze
doelen centraal te stellen zetten we in op een antiwitwasaanpak die zowel effectief
is als efficiënt.
Vraag 3, 4 en 10
Kun u een inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van
de personele inzet ter bestrijding van witwassen en hoe deze kosten doorberekend worden
aan klanten?
In hoeverre acht u de genoemde kosten proportioneel in verhouding tot de effectiviteit
van het beoogde doel van witwasbestrijding, mede gelet op neveneffecten zoals het
risico op discriminatie, de toegenomen regeldruk voor bedrijven en verenigingen en
het mogelijke afhaken van vrijwilligers waardoor maatschappelijk initiatief onder
druk kan komen te staan?
In hoeverre hebben deze hogere compliancekosten gevolgen voor de concurrentiepositie
van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen?
Antwoord 3, 4 en 10
Ik kan geen inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg
van de personele inzet, of de gevolgen van de hogere compliancekosten voor de concurrentiepositie
van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen.
Banken bepalen zelf hun eigen inzet op het antiwitwasdossier. Er is sinds de publicatie
van «Herstel naar balans» door De Nederlandsche Bank (DNB) nadrukkelijk ingezet op
een verbeterde risicogebaseerde toepassing van de Wet ter voorkoming van witwassen
en financieren van terrorisme (Wwft), zowel door de toezichthouder als door banken.3 Dit betekent dat de inzet hoger moet zijn als de risico’s hoger zijn. Als de risico’s
lager zijn moeten de maatregelen beperkt worden. De Wwft geeft hier ook de ruimte
voor. Ook in de nieuwe antiwitwasaanpak is dit een belangrijke pijler aangezien is
gebleken dat banken in de praktijk de risicogebaseerde aanpak nog steeds onvoldoende
toepassen. Banken stellen hierdoor nog steeds soms onnodige vragen aan bepaalde klanten,
en sommige burgers ervaren zelfs discriminatie. Een verbetering van de risicogebaseerde
aanpak zorgt ervoor dat banken minder onnodige vragen stellen, en minder maatregelen
nemen wanneer de risico’s lager zijn. Dit kan er toe leiden dat banken minder kosten
maken. De uitvoering van de risicogebaseerde benadering ligt primair bij de banken,
zij dienen ervoor te zorgen dat de maatregelen die zij nemen proportioneel zijn aan
het geconstateerde risico. DNB houdt toezicht op deze risicogebaseerde benadering.
Daarnaast hebben veel banken de afgelopen jaren grootschalige hersteltrajecten moeten
uitvoeren, omdat zij de basis van de antiwitwasaanpak niet op orde hadden.4 Deze hersteltrajecten waren nodig om onder andere een goede basis te leggen voor
de risicogebaseerde aanpak.
De problematiek rondom discriminatie bij banken speelt breder dan enkel de toepassing
van de Wwft. Het is onacceptabel dat burgers discriminatie ervaren in de interactie
met banken. De afgelopen jaren hebben we zelf ook onderzoeken gedaan naar (ervaren)
discriminatie. De Minister van Financiën heeft naar aanleiding van deze onderzoeken
diverse acties opgesteld om (ervaren) discriminatie aan te pakken. Dat geldt ook voor
de banken zelf en voor DNB. Hierover is de Tweede Kamer in mei 20245, december 20246 en september 20257 geïnformeerd.
Vraag 5
Kunt u uitleggen waarom in het rapport wel de effecten van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) op (oud-)politici (Politically Exposed
Persons, PEP’s) zijn onderzocht, maar bijvoorbeeld niet is gekeken naar de effecten
op maatschappelijke organisaties zoals (sport)verenigingen, terwijl deze laatste groep
ook signalen van administratieve lasten en belemmeringen meldt?8
Antwoord 5
De AR bepaalt zelf hoe zij hun onderzoek vormgeven. In het rapport benoemt de AR dat
zij drie groepen hebben geselecteerd om te onderzoeken hoe verschillend de ervaren
controles door banken zijn. Ze hebben niet enkel groepen geselecteerd op signalen
van lasten. Daarnaast is het zo dat er voor PEP’s specifieke onderzoeksverplichtingen
zijn voor poortwachters.9
Vraag 6
Bent u bereid deze effecten op maatschappelijke organisaties alsnog te laten onderzoeken
om zo een volledig beeld te krijgen van de neveneffecten?
Antwoord 6
In 2023 heeft SIRA in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport een onderzoek gedaan naar regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische
instellingen.10 Daar is vervolgens ook een kabinetsreactie op gestuurd in 2024, mede namens mij.11 In het onderzoek is genoemd dat de Wwft-verplichtingen maatschappelijke organisaties
voornamelijk tijd kosten.
Het Ministerie van Financiën is ook regelmatig in gesprek met een brede groep aan
organisaties om de impact van de antiwitwascontroles te bespreken, onder andere in
hetMaatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) de-risking. In het MOB de-risking
zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), DNB, betaalinstellingen,
goede doelen en ondernemers- en consumentenverenigingen samen om de voortgang op de
aanpak van de-risking te bespreken en aan te pakken. Zo heeft de NVB standaarden opgesteld
om banken te helpen in hun klantonderzoek. In haar proportionaliteitsverkenning onderstreept
DNB de positieve vooruitgang die er op dit gebied heeft plaatsgevonden.12 Daarnaast spreekt het Ministerie van Financiën ook regelmatig met onder andere banken
en maatschappelijke organisaties, waarbij de neveneffecten van de Wwft regelmatig
onderwerp van gesprek zijn.
SIRA noemde enkele mogelijkheden tot verbetering, waaronder inzetten op de risicogebaseerde
benadering. Daar ben ik nu mee bezig, maar dit staat en valt met de inzet vanuit banken
zelf. Zij staan primair aan de lat om hier werk van te maken. Ik zie geen reden voor
aanvullend onderzoek.
Vraag 7
Vindt u de huidige personele inzet bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Financial
Intelligence Unit Nederland (FIU) proportioneel ten opzichte van de zeer grote personele
inzet bij banken voor het verzamelen en melden van ongebruikelijke transacties, mede
gelet op signalen dat de opvolging van deze meldingen niet altijd inzichtelijk is?
Antwoord 7
DNB
De personele inzet bij DNB kan wat mij betreft niet vergeleken worden met de inzet
bij banken aangezien deze twee organisaties totaal verschillende rollen hebben op
basis van de wet in de antiwitwasketen. Banken vullen een centrale rol in ons financiële
stelsel en dienen risicogebaseerd onderzoek te doen naar klanten en hun transacties
te monitoren.
DNB controleert of financiële ondernemingen, waaronder banken, voldoen aan hun wettelijke
verplichtingen. De taken die hierbij komen kijken zijn anders dan die van banken,
en dus is het logisch dat de personele inzet van een andere orde is. Ik ben van mening
dat de huidige inzet van DNB daarom proportioneel is.
FIU
De personele inzet bij FIU-Nederland laat zich moeilijk vergelijken met de inzet bij
banken aangezien deze twee organisaties verschillende rollen en verantwoordelijkheden
hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Daarbij dient opgemerkt te worden
dat het analyseren van alle ongebruikelijke transacties geen doel op zich is. De FIU-Nederland
analyseert meldingen risicogebaseerd, waarbij het zich richt op de grootste risico’s
en op de prioriteiten van de ketenpartners. Dit past binnen de risicogebaseerde aanpak
van witwassen.
De FIU-Nederland ziet in de aanbevelingen in het rapport tevens een aansporing van
de huidige inzet op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit
maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering, zoals aanbevolen door de AR, verder
mogelijk. De data gedreven benadering maakt het vervolgens mogelijk om beter inzicht
te krijgen en geven in de meest risicovolle meldingen en de opvolging hierop.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u de signalen dat de huidige werkwijze van de FIU ertoe leidt dat niet
alle ongebruikelijke transacties worden opgepakt, dat de aanpak onvoldoende risico-
en datagedreven is en dat er weinig wordt gedaan aan kwaliteitsverbetering en structurele
terugkoppeling richting banken en bent u bereid hier concrete stappen op te zetten?
Antwoord 8
De focus van de FIU-Nederland ligt op het verder versterken van de risicogebaseerde
aanpak, waarbij de grootste witwasrisico’s prioriteit krijgen. In de praktijk betekent
dit dat de FIU-Nederland meldingen risicogebaseerd analyseert en zich richt op de
belangrijkste risico’s en de prioriteiten van ketenpartners. Het oppakken van alle
ongebruikelijke transacties is daarbij geen doel op zich.
Bovendien neemt de FIU-Nederland de conclusies en aanbevelingen ter harte om meer
risico- en datagedreven te werken. De FIU-Nederland zet daarom ten eerste in op het
verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens
een meer data-gedreven benadering verder mogelijk. De versterkte datapositie zal de
FIU-Nederland ook de mogelijkheid geven om risico’s, trends en fenomenen beter te
identificeren en te duiden. Daarnaast zal de FIU-Nederland verkennen in hoeverre IT-oplossingen
kunnen ondersteunen in een meer data-gedreven benadering. De afgelopen jaren zijn
al een aantal belangrijke stappen gezet ten behoeve van het objectief prioriteren
van belangrijke meldingen.
De FIU-Nederland onderstreept het belang dat de AR geeft aan kwalitatief goede meldingen
door meldingsplichtige instellingen. Binnen de huidige wettelijke mogelijkheden werkt
de FIU-Nederland momenteel al concreet aan het verbeteren van de kwaliteit van de
meldingen, bijvoorbeeld door middel van een aanstaande update van de meldformulieren.
Gedurende het jaar publiceert de FIU-Nederland bovendien op diens website over witwasmethoden,
zoals bijvoorbeeld het «cash compensatie model», zodat poortwachters en andere partijen
die inzichten kunnen benutten in hun werk. Het nieuwe Europese antiwitwaspakket biedt
de FIU-Nederland vanaf juli 2027 meer mogelijkheden om informatie te verstrekken aan
toezichthouders en feedback te geven aan poortwachters. Dit zal een verdere impuls
geven aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen. De FIU-Nederland bereidt
zich momenteel voor op de implementatie van deze wetgeving.
Vraag 9
Klopt het dat DNB een strengere toezichtfilosofie hanteert dan toezichthouders in
andere landen en dat Nederland de Europese anti-witwasregels strikter toepast, waardoor
de administratieve lasten voor Nederlandse financiële instellingen hoger uitvallen?
Antwoord 9
De Europese antiwitwasrichtlijn schrijft voor wat poortwachters moeten doen, de toezichthouder
houdt hier toezicht op. De afgelopen jaren heb ik in verschillende gesprekken signalen
ontvangen van verschillende poortwachters waarin zij aangaven dat Nederland, dan wel
DNB strenger zou zijn op bepaalde onderdelen. Dit bleek telkens om een Europese verplichting
te gaan en niet om een nationale interpretatie. Bovendien zie ik dat in andere EU-landen
toezichthouders ook optreden richting poortwachters die de antiwitwasverplichtingen
niet op orde hebben.
In haar toezicht benadrukt DNB dat poortwachters de verplichtingen uit de Wwft risicogebaseerd
moeten uitvoeren, zoals onder meer blijkt uit haar leidraad (de Q&A en Good Practices
Wwft).13 Voorts hebben DNB en het ministerie bijgedragen aan de totstandkoming van de eerder
genoemde risicogebaseerde sectorstandaarden van de NVB, en heeft DNB in 2025 onderzoeken
gedaan naar het tegengaan van discriminatie14 en de proportionele toepassing van de Wwft door banken.15 De FATF heeft ook in haar richtsnoeren over financiële inclusie (juni 2025) Nederland
diverse malen genoemd als positief voorbeeld.16 Nederland blijft ook in Europees, waaronder in AMLA-verband, aandacht houden voor
de versterking van de risicogebaseerde aanpak.
Vraag 11
Hoe reflecteert u op uw rol en die van uw ministerie ten aanzien van de beperkte inhoudelijke
betrokkenheid bij de effectiviteit van het toezicht van DNB en bent u bereid om het
gesprek over de effectiviteit en de gevolgen van de anti-witwasaanpak structureel
te verankeren in de toekomstige overlegstructuur met DNB?
Antwoord 11
De uitvoering van de opgedragen taken is primair de verantwoordelijkheid van DNB zelf.
DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken
die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van
haar taken.
Tegelijkertijd ben ik systeemverantwoordelijk voor het functioneren van het toezichtsysteem
en de toezichthouders. Hierbij moet ik kunnen beoordelen of DNB haar taken op doeltreffende
en doelmatige wijze uitvoert. Ik oefen hiertoe zogenaamd «toezicht op afstand» uit
op DNB. Dat doe ik conform de visie Toezicht op afstand17 en de Kaderwet zbo’s, op basis waarvan vijfjaarlijks het doeltreffend en doelmatig
functioneren van DNB als zelfstandig bestuursorgaan wordt geëvalueerd.
Het is wenselijk om over de taakuitvoering van de Wwft meer inzicht te krijgen in
de doeltreffendheid en doelmatigheid van het integriteitstoezicht van DNB. Ik ga dan
ook met DNB in gesprek over hoe dit opgepakt kan worden. Hierbij geef ik de voorkeur
om dit structureel te verankeren in bestaande publicaties of kanalen.
Vraag 12 en 13
Wanneer kunnen we de integrale kabinetsreactie ontvangen op het Algemene Rekenkamerrapport
«Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend», inclusief een verbeterplan hoe de anti-witwasaanpak
concreet meer risicogestuurd ingericht kan worden om zo de efficiëntie te verhogen?
Kan de Minister erop toezien dat bovengenoemde vragen meegenomen worden in de aanstaande
kabinetsreactie?
Antwoord 12 en 13
De reactie van de Minister van Justitie en Veiligheid en mijzelf is opgenomen in het
rapport van de AR. In die reactie gaan wij in op de conclusie en aanbevelingen van
het AR rapport. Deze is ook te vinden op de site van de AR.18
In de tweede helft van 2026 zullen wij een voortgangsbrief sturen waarin de Kamer
wordt geïnformeerd over de nieuwe antiwitwasaanpak. In de voortgangsbrief zullen wij
verder inzage geven in de voortgang van de risicogebaseerde benadering. Ik merk hierbij
op, net als wij richting de AR in onze reactie hebben opgemerkt dat de risicogebaseerde
aanpak primair bij de banken ligt: zij dienen ervoor te zorgen dat ze zich op hoge
risico’s richten en minder op lage risico’s.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.