Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 9 februari 2026, over begrotingsonderdeel Sport
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 188
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 3 april 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 9 februari 2026
overleg gevoerd met mevrouw Tielen, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, over:
− het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 XVI);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 16 september 2025
inzake het werkprogramma van de Nederlandse Sportraad voor 2026 (Kamerstuk 30 234, nr. 427);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 3 september 2025 inzake
advies van de Nederlandse Sportraad «Hoofdzaak. Advies om hersenletsel door sport
te voorkomen» (Kamerstuk 30 234, nr. 426);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 3 september 2025 inzake
reactie op petitie Generatieonderzoek Buitenspelen 2025, opvolging van de motie van
de leden Dobbe en Van Nispen over sporten en bewegen makkelijker maken (Kamerstuk
32 793, nr. 837) en toezegging over DUMAVA-aanvragen vanuit de sport (Kamerstuk 30 234, nr. 412);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 10 november 2025 inzake
zwemdiplomabezit in 2024 (Kamerstuk 30 234, nr. 432);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 13 november 2025 inzake
«Monitor Sportakkoord II. Voortgangsrapport «een groter bereik» (Kamerstuk 30 234, nr. 433);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 31 oktober 2025 inzake
beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen
(Kamerstuk 30 234, nr. 431);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 20 oktober 2025 inzake
rapport «Evaluatie Sportinnovator» (Kamerstuk 30 234, nr. 430);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 9 oktober 2025 inzake
reactie op advies «Hoofdzaak» van de Nederlandse Sportraad (Kamerstuk 30 234, nr. 429);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 11 december 2025 inzake
verzamelbrief sport en bewegen 2025 (Kamerstuk 30 234, nr. 434);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 16 december 2025 inzake
antwoord op vragen commissie over het advies van de Nederlandse Sportraad «Hoofdzaak.
Advies om hersenletsel door sport te voorkomen» (Kamerstuk 30 234, nr. 426) (Kamerstuk 30 234, nr. 435);
− de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 9 januari 2026 inzake
sluiten aanvraagloket BOSA 2026 (Kamerstuk 30 234, nr. 436).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
De griffier van de commissie, Esmeijer
Voorzitter: Vliegenthart
Griffier: Heller
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Inge van Dijk, Huizenga, Kisteman,
Van Meetelen, Mohandis, Van der Plas en Vliegenthart,
en mevrouw Tielen, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, allemaal. Hierbij open ik de vergadering van de vaste commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Aan de orde is vandaag het wetgevingsoverleg over
het begrotingsonderdeel Sport. Allereerst heet ik de mensen op de publieke tribune
en natuurlijk ook de mensen die vanuit huis naar het debat kijken, van harte welkom.
Uiteraard ook een warm welkom aan de Staatssecretaris, mevrouw Tielen. Datzelfde geldt
voor alle aanwezige leden van de Kamer. Dat zijn meneer Mohandis van GroenLinks-PvdA,
mevrouw Van der Plas van BBB, mevrouw Huizenga van D66, mevrouw Van Dijk van het CDA,
mevrouw Van Meetelen van de PVV en meneer Kisteman van de VVD. Welkom.
U heeft voorafgaand aan het wetgevingsoverleg een indicatieve spreektijd opgegeven.
Mijn voorstel is om aan die spreektijd vast te houden. Verder stel ik voor om maximaal
zes interrupties in de eerste termijn en zes interrupties in de tweede termijn aan
te houden. Laten we heel even kijken hoe het qua tijd zit. Dan zien we even hoe vrij
ik hiermee om kan gaan.
Dan gaan we nu beginnen. Ik stel voor om de sprekersvolgorde aan te houden zoals gebruikelijk
bij een begrotingsbehandeling. Dan begint de grootste partij die nu nog in de oppositie
zit. Dat is D66. Mevrouw Huizenga, ik geef u het woord.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter, dank u wel. 180! 1080! Ik zat gisteravond te kijken naar de big air. Daar
word je vrolijk van. Als voormalig topsporter en waterpoloër wil ik beginnen met iets
waar mijn sporthart sneller van gaat kloppen. Onze waterpolovrouwen stonden afgelopen
donderdag in de EK-finale. Na een zinderende wedstrijd stond er 10–10 op het scorebord.
Met penalty’s won Nederland de Europese titel, en dat voor de zevende keer. Dat vraagt
focus en doorzettingsvermogen. Zulke momenten laten zien wat sport kan doen: sport
zorgt voor euforie en trots en laat mensen geloven in wat er mogelijk is met talent.
Sporten heeft mij gevormd. Sporten leerde mij discipline, doorzettingsvermogen en
samenwerken. Als skidocent in de aangepaste sport zie ik dagelijks hoe krachtig bewegen
kan zijn. Voor veel mensen is sport geen hobby, maar een manier om vrijheid, zelfvertrouwen
en plezier te krijgen, te hebben en te houden. Een samenleving die sport en beweegt,
is een gezonde samenleving, ook mentaal gezond. Daar sta ik vandaag voor: zorgen dat
meer mensen in Nederland die kans krijgen. Van waterpoloën heb ik leren samenwerken,
omdat iedereen in het team bijdraagt aan het resultaat, niet alleen degene die het
doelpunt scoort, maar ook de goede verdediger en iedereen rondom het team.
Als skidocent heb ik ervaren hoe belangrijk het is dat je iemand helpt om weer op
te staan en dat het niet gaat om snelheid, maar vooral om genieten van het moment
en kijken naar wat wél kan. Een buurman is door voetbal zijn hele leven een teamplayer
gebleven. Een docent van mij heeft door haar turnsport doorzettingsvermogen geleerd.
Je moet namelijk heel vaak oefenen om op je handen te blijven staan. Door het turnen
heeft zij ook geleerd wat schoonheid is en heeft zij geleerd om van haar lichaam te
houden. Voorzitter, het is misschien een interactief momentje, maar wat heeft sport
voor waarde voor u en voor ons allen, voor de rest van ons leven? Denk daar eens over
na. Wat voor waarde heb ik overgehouden aan sport en bewegen?
Dit debat gaat over meer dan sport alleen. We bewegen steeds minder. We zitten meer.
Zitten is het nieuwe roken. We leven vaker achter schermen en komen minder buiten.
De gevolgen zien we overal terug: meer chronische ziektes, meer mentale klachten en
minder weerbaarheid. We weten echter allang dat bewegen een van de krachtigste en
goedkoopste manieren is om gezond te blijven. Op plekken waar mensen gezond ouder
worden, draait het niet om topsport, maar om dagelijks bewegen: wandelen, buiten zijn
en samen actief zijn. Bewegen is geen losse, aparte activiteit; het is een manier
van leven. Het zou een onderdeel van je dag moeten zijn. Daarom moeten we bewegen
wat ons betreft makkelijker, laagdrempeliger, gewoner en gevarieerder maken.
Onze leefomgeving speelt daarin een sleutelrol. Als kinderen veilig buiten kunnen
spelen, als er groen is om te wandelen en als er toegankelijke sportplekken zijn,
wordt bewegen vanzelf normaal gedrag. Bewegen en recreatie mogen daarom geen sluitpost
zijn in ruimtelijke plannen, maar horen een vanzelfsprekend onderdeel te zijn. Zo
stimuleren we mensen gezond te leven, zonder belerend vingertje, maar door je te laten
verleiden door de omgeving.
Voorzitter. Sportverenigingen vormen het kloppend hart van onze sport. Ik ben meer
dan twintig jaar bestuurder van een sportvereniging geweest. Daar ontdekken kinderen
hoe leuk bewegen is, ontstaan vriendschappen voor het leven en leren jongeren omgaan
met winst, verlies en teamwork. Verenigingen brengen buurten en generaties samen.
Maar juist daar ontstaat druk. Verenigingen kampen met wachtlijsten, verouderde accommodaties
en stijgende kosten. Vrijwilligers en bestuurders doen fantastisch werk, maar lopen
steeds vaker tegen grenzen aan. Dat zien we ook terug bij de BOSA-regeling. De enorme
belangstelling laat zien hoe groot de behoefte is aan investeringen. Het is daarom
goed dat de bezuinigingen zijn teruggedraaid en er extra middelen beschikbaar komen.
Dat betekent concreet: betere velden, veiligere accommodaties en meer ruimte voor
mensen om te sporten. Tegelijkertijd wil ik de Staatssecretaris vragen of er inzicht
is in hoe deze investeringen bijdragen aan extra sportcapaciteit. Leiden die daadwerkelijk
tot minder wachtlijsten en meer sportdeelname? Komen de middelen ook terecht bij de
verenigingen zelf? Ook vraag ik aandacht voor wijken waar gezondheidsachterstanden
het grootst zijn, zodat juist daar sport toegankelijker wordt.
Voorzitter. Als we het over toegankelijkheid hebben, moeten we nadrukkelijk kijken
naar aangepast sporten. Sport moet er wat ons betreft zijn voor iedereen. In Nederland
bestaan prachtige initiatieven, die vaak worden gedragen door bevlogen mensen en veel
vrijwilligers. Tegelijkertijd groeit de vraag sneller dan het aanbod en blijven voorzieningen
achter. Ik heb dat ook zo ervaren als skidocent voor aangepaste sporters. Mensen rijden
tegen drempels aan, letterlijk en figuurlijk. Daarom vraag ik of er een duidelijk
beeld is van de behoefte aan aangepaste sportvoorzieningen en welke belemmeringen
we kunnen wegnemen om deelname te vergroten.
Voorzitter. Vrijwilligers zijn de motor van onze sport. Zonder hen zijn er geen trainingen
of wedstrijden, en is er geen verenigingsleven. Maar we horen steeds vaker dat zij
vastlopen in complexe regelgeving en subsidieprocedures, vooral bij kleinere verenigingen.
Ik vraag de Staatssecretaris of zij deze signalen herkent en bereid is te kijken waar
regels eenvoudiger kunnen. Want hoe minder tijd vrijwilligers kwijt zijn aan formulieren,
hoe meer tijd er overblijft voor de sport.
Dan de topsport. Topsport inspireert, brengt mensen samen en laat jongeren dromen.
Maar achter die medailles zitten sporters die enorme offers brengen. Ze werken vier
jaar hard naar hun hoogtepunt toe, zoals we nu ook zien bij de Olympische Spelen.
Vaak staan ze na hun carrière voor onzekerheid. Ik hoor graag of er mogelijkheden
zijn om topsporters beter te ondersteunen bij onderwijs en loopbaanontwikkeling, bijvoorbeeld
via samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven.
Voorzitter. Voor D66 is sport en bewegen geen bijzaak, maar een investering in de
gezondste generatie ooit. Sport en bewegen zijn geen luxe. Sporten zorgt voor preventie,
leefbare wijken, gelijke kansen en mentale veerkracht. Ik ben dan ook blij met de
positieve koers in het coalitieakkoord. Maar als we echt vooruit willen, vraagt dat
om structurele investeringen, toekomstbestendige accommodaties, minder regeldruk en
een stevige plek voor sport in beleid op zorg, onderwijs en ruimtelijke ordening.
Het gaat om sterke verenigingen, gelijke toegang tot sport, en topsport die inspireert.
Laten we daarom investeren in verenigingen en accommodaties, bewegen vanzelfsprekend
maken in onze leefomgeving en ervoor zorgen dat iedereen echt mee kan doen. Investeren
in sport is investeren in een fysiek en mentaal gezond Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan geef ik allereerst het woord aan mevrouw Van der Plas en daarna aan meneer Mohandis.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel voor uw mooie betoog. Ik ben het daar ook helemaal mee eens: investeren
in sport is hartstikke belangrijk. Daarom zou ik de volgende vraag willen stellen.
BBB heeft een amendement ingediend om € 350.000 beschikbaar te stellen voor het Thialfstadion,
het schaatshart van Nederland, de trots van Nederland. Dat is ook nodig om het Thialfstadion
te kunnen blijven exploiteren. Heel veel kinderen leren daar schaatsen, ze leren daar
te bewegen, de regio’s komen daar samen en het brengt ook vele kampioenen voort. Mijn
vraag is of D66, gezien het betoog van zojuist, dit amendement gaat steunen.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik ben vele malen in Thialf geweest, in december nog. Als Friezin kom je daar natuurlijk
en sta je te juichen langs de kant. Dus ik herken het. Het probleem van Thialf is
dat de schaatsaccommodatie vooral afhankelijk is van alleen het schaatsen. Daardoor
is het lastig om de exploitatie rond te krijgen. Natuurlijk kijken we naar het amendement.
We gaan zorgvuldig kijken of we dat kunnen steunen, maar we moeten ook breder kijken
en niet één accommodatie steunen, maar over heel Nederland breed sportaccommodaties
verstevigen en versterken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nu zijn het Thialfstadion, de provincie Friesland en NOC*NSF aan het kijken of in
2030 het schaatsdeel van de Olympische Spelen in Friesland kan worden georganiseerd.
Is dat misschien nog een overweging om toch goed naar dit amendement te kijken? Het
zou natuurlijk fantastisch zijn als we voor het eerst in 102 jaar een olympisch evenement
naar Nederland kunnen halen.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik ga dat meenemen in de overweging.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik dank de collega voor haar inbreng, hier in de sportcommissie. Het is ook een mooie
inbreng. Mijn vraag gaat over de BOSA. De collega van D66 refereerde eraan dat de
bezuinigingen zijn teruggedraaid. Als u het vorige kabinet bedoelt, dan kan ik het
niet helemaal plaatsen, want er is best wel wat van de BOSA afgegaan; dat weet u ook.
En het is nog niet zeker hoe hoog het bedrag is dat ervoor terugkomt. Dus ik was even
benieuwd of u daar iets meer op kunt ingaan.
Mevrouw Huizenga (D66):
Over het vorige kabinet hebben we het gehad: toen zijn de bezuinigingen teruggedraaid.
Daar verwees ik naar. In het coalitieakkoord is nu in ieder geval weer een flink bedrag
gereserveerd voor de BOSA. Dat is meer dan wat ervoor stond. Daarvoor is dus 50 miljoen
structureel voor de komende vier jaar opgenomen. Dus daar zit het ’m in. De BOSA werd
natuurlijk flink overschreven, dus als daar meer geld voor is, dan is dat een van
de manieren om bij te dragen aan het versterken van die sportaccommodaties.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Zeker. Ik zal zelf in mijn inbreng ook uitvoerig ingaan op de BOSA en wat er nodig
is. Toen ik in het regeerakkoord over die 50 miljoen las, had ik de indruk dat het
breder is dan de BOSA. Het is goed om zo veel mogelijk te reserveren voor de BOSA.
Wat mij betreft doen we alles, maar dan moeten we ook nog kijken hoe we de andere
ambities op sport gaan realiseren, want dat wordt dan best wel een uitdaging. Nou
goed, ik hoor uw betoog dat die 50 miljoen echt bedoeld is voor de BOSA. Zo scherp
las ik het in ieder geval niet in het regeerakkoord. Ik dacht dat het voor alle sportambities
was bedoeld. Daar hoor ik dus graag nog wat meer over.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik wil het straks vooral overlaten aan de nieuwe regeringsfunctionarissen om daar
goed over in gesprek te gaan. Maar ik kan een handreiking doen door te zeggen dat
we er samen voor gaan om stevig op de sport in te zetten. Laten we dus kijken hoe
we daar van alles aan kunnen doen.
De voorzitter:
Als er dan geen verdere interrupties zijn, gaan we door naar de tweede spreker, meneer
Kisteman van de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, ik moest even wennen aan de volgorde. Ik leg mijn spullen even op orde.
Voorzitter. Als fanatiek sporter ben ik er trots op dat ik vandaag namens mijn fractie
hier het woord mag voeren. Dit is mijn eerste debat met deze Staatssecretaris. O,
ze gaat gelijk wat anders doen. Ik hoop dat dat niets zegt over onze toekomstige samenwerking.
Het is fijn dat het toch nog mag samen!
Volleybal, voetbal, zaalvoetbal, squash, padel en hardlopen; ik heb het allemaal gedaan.
Het ene deed ik wat langer dan het andere en al vrij snel wist ik dat ik niet bulkte
van het talent, maar mijn doorzettingsvermogen compenseerde veel. Vooral het plezier
dat ik erin had, bracht mij elke week naar het sporten. De lol van samen winnen en
verliezen in de regen, zon of sneeuw; we stonden er altijd. Sporten is in de eerste
plaats vooral heel leuk. Dat moeten we niet vergeten. Soms lijkt de nadruk enorm op
het moeten te liggen, maar bewegen of sporten is gewoon heel leuk om te doen. Heel
veel mensen sporten omdat ze daar plezier aan beleven. Dat doen ze in een teamsport
of individueel, alleen in het weekend of een paar keer in de week. Een kleine groep
is zo talentvol dat ze ons land nu in Milaan mogen vertegenwoordigen. Namens mijn
fractie wens ik hun uiteraard heel veel succes. Ik complimenteer degenen die wat betreft
de eindtijd van dit debat rekening hebben gehouden met vanavond, want nu kunnen we
met z’n allen naar de 1.000 meter kijken, waarop Femke Kok, Jutta Leerdam en Suzanne
Schulting in actie komen. Zelf sporten is leuk, maar samen sport beleven is minstens
zo leuk. Daarom werk ik aan een initiatief dat het samen kijken naar sport nog toegankelijker
en aantrekkelijker maakt, maar daarover binnenkort meer.
Voorzitter. In mijn korte tijd als woordvoerder Sport heb ik één afkorting razendsnel
leren kennen: BOSA. Dat staat voor Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties.
Ik heb van iemand op de tribune, heel veel andere mensen en de lobby gehoord: laat
het alstublieft geen BOSA-debat worden. Er zijn echter altijd zo veel berichten over
de BOSA dat we er niet aan ontkomen om daar wat vragen over te stellen. Op 5 januari
stond mijn telefoon ineens roodgloeiend: de BOSA was volledig overvraagd. Meerdere
bestuurders waren teleurgesteld dat ze achter het net visten. Ik ben dan ook blij
dat de nieuwe coalitie hier aandacht voor heeft en hier jaarlijks structureel meer
geld voor vrijmaakt. Goede sportaccommodaties zijn cruciaal voor een sterke sportinfrastructuur
en voor sportplezier. Tegelijkertijd heb ik hierover een aantal vragen. Als de BOSA
overvraagd dreigt te worden, gaat de website offline met een foutmelding. Ik begreep
dat dit is om te voorkomen dat er meer aanvragen gedaan kunnen worden dan waarvoor
budget is. Dit zorgt echter voor veel onduidelijkheid bij de aanvragers: is hun computer
vastgelopen, of moeten ze het ergens anders proberen? Mijn vraag aan de Staatssecretaris
is of het mogelijk is om meer informatie te geven als de subsidie wordt overvraagd,
bijvoorbeeld met een melding dat er te veel aanvragen zijn en de website daarom tijdelijk
niet beschikbaar is. Zou de Staatssecretaris kunnen toezeggen dat hierin een aanpassing
wordt gedaan, zodat er direct meer duidelijkheid is voor de aanvragers?
Daarnaast kwam recent het bericht naar buiten dat gemeenten een gezamenlijke buffer
hebben van 43 miljard euro voor onder meer sporthuisvesting. Welke mogelijkheden ziet
de Staatssecretaris om gemeenten te helpen deze middelen beter in te zetten voor sporthuisvesting?
Ziet de Staatssecretaris andere manieren waarop sportverenigingen hun accommodaties
kunnen verduurzamen, zonder dat daar extra middelen vanuit het Rijk voor nodig zijn?
Voorzitter. Sport is leuk, maar het is ook cruciaal dat sport veilig is. Iedereen
moet vrij en veilig kunnen sporten. Daarom vindt mijn fractie het belangrijk dat er
vaart wordt gemaakt met de oprichting van een integriteitscentrum voor de sport. Het
wetsvoorstel Integere sport is in internetconsultatie geweest. Met dit wetsvoorstel
wordt het onafhankelijke integriteitscentrum Integere Sport Nederland opgericht. De
Nederlandse Sportraad heeft geadviseerd dat dit wetsvoorstel toen nog niet rijp was
voor de indiening. Graag hoor ik van de Staatssecretaris wat de stand van zaken is
van dit wetsvoorstel. Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er vaart blijft achter dit wetsvoorstel,
juist omdat het integriteitscentrum ook voor de topsport van belang is? Kan zij ervoor
zorgen dat dit hoog op de agenda blijft staan?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb dat puntje ook in mijn inbreng zitten, omdat ik ook signalen krijg dat het
erop lijkt dat er best veel regeldruk bij verenigingen terechtkomt en veel minder
bij professionele sportbedrijven. Ik vind dat niet helemaal logisch. Stel dat ik een
voetballer ben, train op het voetbalveld en ’s avonds nog wat krachttraining bij een
bedrijf doe. Ik zou eigenlijk zeggen: waarom zouden we onze verenigingen weer zo ontzettend
belasten met regeldruk? Ik ben heel benieuwd hoe de VVD daarnaar kijkt.
De heer Kisteman (VVD):
Mevrouw Van Dijk kent mij en weet dat ik een gloeiende hekel heb aan regels, al helemaal
als het onnodige regels zijn. Volgens mij bleek uit de internetconsultatie ook dat
vrij onduidelijk was wat er dan precies tot stand komt, waar de verantwoordelijkheid
ligt en wie wat moet oppakken. Wat mijn fractie betreft gaan we dit doen met zo min
mogelijk regels. Het moet ook niet specifiek bij één groep komen te liggen. Mijn vraag
aan de Staatssecretaris zou dan ook zijn: wat is er met al die kritiek uit het veld
gedaan en hoe kunnen we het zo oppakken dat het wel effectief is en voor zo min mogelijk
regels zorgt? Geen onnodige regels erbij.
De voorzitter:
Ik zie hier ook nog een interruptie van meneer Mohandis.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de inbreng van de collega van de VVD. Ik heb een vraag over de BOSA. Ik
kan me een debatje herinneren met uw voorganger, de vorige woordvoerder. Het vorige
kabinet – dat is eigenlijk nog dit kabinet – kwam op een gegeven moment ook met een
extra taakstelling op zorg, omdat een andere taakstelling bijvoorbeeld niet kon worden
gehaald; er kwam dus een soort extra bezuiniging op de BOSA. In het huidige regeerakkoord,
waarin de VVD natuurlijk ook een prominente rol heeft gespeeld, zit een flinke bezuiniging
op de VWS-begroting. Die is flink. Het kan zijn dat die niet helemaal wordt gehaald.
Dan wordt er verder gekeken. Hoe hard zijn de, in mijn optiek zuinige, investeringen
die nu worden gedaan in de BOSA? Zijn die straks weer niet het kind van de rekening?
In de afgelopen periode leek de Sportbegroting een soort van ontzien te worden, maar
uiteindelijk kwam er toch een soort taakstelling overheen. We hebben heel veel discussie
gehad, ook met Staatssecretaris Karremans. Hoe gaat de VVD voorkomen dat dat nu weer
gaat gebeuren? Hoe wordt voorkomen dat we over twee jaar weer een debat voeren over
de belofte om iets te doen aan die BOSA? Hoe wordt voorkomen dat blijkt dat die zorgbezuinigingen
dan niet helemaal uitkunnen en dat de sport weer gaat dokken? Graag een reactie.
De heer Kisteman (VVD):
Goede, duidelijke vraag. Er staat in het regeerakkoord opgeschreven dat wij ons hier
gewoon aan gehouden. Dat zijn de afspraken die zijn gemaakt. Mochten er in de toekomst,
in andere jaren, wel bezuinigingen zijn, dan staat dit wat mijn fractie betreft gewoon
fier overeind. Daar gaan we niet aankomen. Dan zouden er binnen het ministerie andere
plekken gezocht moeten worden voor eventuele bezuinigingen. Wat hier staat, is gewoon
de afspraak. Dat staat zwart-op-wit. De 50 miljoen die vrijgemaakt gaat worden in
2028, is wat we hebben afgesproken voor de jaren erna. Wat ons betreft gaan we daar
niet aan draaien.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Dat zijn vrij stevige woorden. Qua inzet kan het altijd, maar het is een minderheidskabinet,
dus zo hard kan het nooit helemaal zijn. U heeft namelijk voor heel veel dingen geen
meerderheid. Ik moet het nog maar zien. Wat hier ligt, is best een ambitie van dit
kabinet. Wij denken er heel anders over. Dat debat, over de zorgbezuinigingen, hebben
we in de plenaire zaal gehad. We weten allemaal hoe het werkt op het departement.
Het is één ministerie. Het heeft inderdaad verschillende directies – dat weten we
wel – maar het is één ministerie. Maar we weten ook uit ervaring dat er breder wordt
gekeken als een bepaalde bezuinigingsopgave niet lukt. Ik ben er dus nog niet helemaal
gerust op. Maar goed, we gaan het meemaken.
De heer Kisteman (VVD):
Ik hoorde geen vraag. Maar om er toch op te reageren: het klopt dat het een minderheidskabinet
is en dat wij de steun van andere partijen nodig hebben. Ik vermoed niet dat GroenLinks-PvdA
een amendement zal indienen om de BOSA kleiner te maken. Daar ben ik dan ook niet
bang voor. Ik snap het echter helemaal: we hebben elkaar nodig. Daarvan zijn we ons
zeker bewust. Maar wat ons betreft houden we dit vast, omdat het ook een duidelijk
verhaal is vanuit het veld: ze hebben dit geld heel hard nodig.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Om even een misinterpretatie van een amendement te voorkomen: er ligt een amendement
van onze fractie, juist om te kijken of we dit lopende jaar, 2026, meer kunnen doen
om sportverenigingen te helpen. Het voorliggende amendement wil een kleine kasschuif
vanuit 2027 naar 2026 realiseren. Dat is een iets andere interpretatie dan de heer
Kisteman geeft. Ik dacht dat het even goed was om dat op te helderen.
De voorzitter:
Meneer Kisteman, vervolgt u dan uw verhaal.
De heer Kisteman (VVD):
Ja, voorzitter. Dat snap ik heel goed van de heer Mohandis.
Voorzitter. Tot slot de beweegrichtlijnen. Het is ontzettend goed dat erop wordt ingezet
om kinderen meer te laten bewegen. Mijn fractie is er dan ook voorstander van om de
samenwerking tussen sportverenigingen en scholen te verbeteren. Ik heb hierover nog
een paar vragen, in het besef dat dit mogelijk de laatste weken van de Staatssecretaris
zijn op dit dossier, maar ook wetende dat zij de beoogd Staatssecretaris van Onderwijs
is. Welke manieren ziet de Staatssecretaris om bewegen nog meer te bevorderen? Welke
kansen ziet zij hiervoor in het onderwijs zonder dat dit ten koste gaat van de basisvaardigheden?
Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat kinderen rond de leeftijd van 12 jaar blijven sporten
of bewegen, zodat de dip die er nu bij deze leeftijdsgroep is, voorkomen kan worden?
Hoe kunnen we ervoor zorgen dat voor iedereen in Nederland bewegen normaal is?
Voorzitter, daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
Ik zie allereerst mevrouw Van der Plas met een interruptie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoor de heer Kisteman vragen welke manieren de Staatssecretaris ziet om bewegen
nog meer te bevorderen. Ik lees ook het coalitieakkoord. Daarin wordt duidelijk gezegd
dat er geïnvesteerd wordt in preventie en welzijn. «We zorgen dat preventie weer gaat
lonen. We focussen op de gezondheid van kinderen en op het stimuleren van bewegen
in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking.» Nou heb ik,
zoals ik net aan mevrouw Huizenga vertelde, een amendement ingediend voor een investering
in het Thialfstadion. Dat is niet alleen om ervoor te zorgen dat we in 2030 een schaatsevenement
naar Nederland kunnen halen – voor de eerste keer in 102 jaar een olympisch evenement
in Nederland! – maar ook om ervoor te zorgen dat Thialf overeind blijft. De KNSB kan
namelijk niet aan de afspraken voldoen om jaarlijks € 300.000 te investeren. Ik ben
even benieuwd of de heer Kisteman en zijn partij van plan zijn om dit fantastische
amendement te ondersteunen.
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb het amendement gelezen. Het is een heel sympathiek amendement. De vraag is
even of wij er vanuit het Rijk meteen voor moeten komen opdraven als een Thialf dit
soort ambities neerlegt. We hebben natuurlijk ook nog een schaatsbond, die eventueel
verantwoordelijkheid kan nemen. Ik vraag het me oprecht af. Het is hartstikke mooi
als we het Thialf onderdeel kunnen maken van de Olympische Spelen. Mijn fractie vraagt
zich alleen af waarom het Rijk dan meteen de portemonnee zou moeten trekken. Ik ga
het amendement dus bestuderen, maar ik sta er in dat opzicht niet heel positief tegenover.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het amendement is niet bedoeld om Thialf het Olympische Spelenschaatsevenement te
laten organiseren. Als de heer Kisteman het goed gelezen heeft, zal hij zien dat het
met name gaat over de exploitatie van Thialf. Het zijn natuurlijk allemaal mooie woorden
in het coalitieakkoord, dat er wordt geïnvesteerd in sport, in bewegen en in het samenbrengen
van mensen. Als ik de heer Kisteman hoor vragen waarom het Rijk ervoor moet opdraaien
als Thialf het niet kan betalen, dan is dat een complete tegenstelling tot wat er
in het coalitieakkoord staat. Het is in complete tegenstelling tot de woorden van
de Staatssecretaris, die wat betreft de Olympische Spelen heeft gezegd dat het een
unieke kans voor Nederland zou zijn, dat Thialf fantastische faciliteiten heeft en
dat het een enorme eer zou zijn. Dat gaat daar recht tegenin. Dit is een schaatsstadion
waar vele mensen en kinderen bij elkaar komen, waar ze bewegen, waar ze leren schaatsen
en waar toptalenten ontstaan. Als ik dan kijk naar dat hele korte stukje tekst dat
hierover in het coalitieakkoord staat, dan zijn dat alleen maar woorden. Als het puntje
bij paaltje komt, dan vraagt de VVD zich namelijk af waarom het Rijk daarvoor moet
opdraaien. Het Rijk moet daarvoor opdraaien, omdat het in het coalitieakkoord staat,
lijkt mij.
De heer Kisteman (VVD):
Dat staat zeker in het coalitieakkoord. We nemen daar ook stappen voor. We stoppen
onder andere weer geld in de BOSA en we stimuleren gezondheid door fruit op school.
Er zijn natuurlijk tal van projecten zoals Thialf, die misschien de exploitatie niet
rondkrijgen. Daar zullen er meer van zijn in Nederland. Ik denk dat het hier niet
het idee van kan zijn dat wij vanuit het Rijk voor alle stadions of activiteiten à
la Thialf – er zullen vast ook heel veel voetbalverenigingen zijn die dit financieel
niet rondkrijgen – moeten ingrijpen. Nogmaals, het is een sympathiek amendement van
mevrouw Van der Plas. Volgens mij moet het echter niet de bedoeling zijn dat wij als
Rijk overal voor moeten inspringen, als ze ergens de exploitatie niet rondkrijgen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit vind ik wel echt het toppunt, hoor. Er staan dus inderdaad mooie woorden in het
coalitieakkoord over dat we willen investeren in de renovatie en verduurzaming van
de sportaccommodaties door het budget van de BOSA te verhogen, maar zodra de eerste
de beste vraag komt ... Ik vraag niet om voor alle accommodaties op te draaien. Dit
amendement gaat over het fundament onder onze schaatshistorie. Thialf is – na de kunstijsbaan
in Deventer overigens, waar ik goede herinneringen aan heb – gewoon wereldglorie.
Daar ontstaan toptalenten. Als de heer Kisteman dan vraagt waarom wij dat moeten doen
en zegt dat we niet voor alles kunnen opdraaien, dan zijn het toch alleen maar mooie
woorden in dat coalitieakkoord en in dit debat? Vervolgens wordt er namelijk geen
boter bij de vis gedaan.
De heer Kisteman (VVD):
Ik snap dat mevrouw Van der Plas dit als eerste voor Thialf aanvraagt. Als we hier
ja tegen zouden zeggen, dan komt de rest ook allemaal langs. Dan staan wij straks
heel Nederland overeind te houden. Dan zeg ik nogmaals dat we er scherp op moeten
zijn dat we vanuit het Rijk niet altijd de verantwoordelijkheid hebben om die exploitatiebegroting
overeind te houden. Dat is de reactie die ik geef. We kunnen dat niet overal voor
doen. We moeten keuzes maken. We stoppen het geld voor een beter sportklimaat onder
andere in de BOSA. Het lijkt me een hele goede stap dat we dat weer hebben teruggedraaid.
Nogmaals, ik zal dat amendement van mevrouw Van der Plas in overweging nemen.
De voorzitter:
Dank, meneer Kisteman. Dan gaan we door naar meneer Mohandis voor zijn inbreng.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met de Olympische Spelen, en straks de Paralympische
Spelen, die nu in Milaan plaatsvinden. Ik wil alle sporters, ik denk ook namens de
commissie, echt alle succes wensen. Ik hoop echt op de eerste medailles, vooral gouden
medailles – ik ben altijd voor goud. Wie weet wat er vanmiddag gaat gebeuren. Kom
maar op. Ik kijk ernaar uit. Het herinnerde mij aan de gesprekken die ik in Parijs
tijdens de Paralympische Spelen met veel sporters had in het Hollandhuis, zoals ik
het maar even noem; ik weet niet of ik het goed uitspreek. Van die gesprekken is mij
vooral bijgebleven dat het belang van breedtesport werd benadrukt. Al die topsporters
zijn ooit ergens begonnen, bij een sportvereniging. Ze hebben de kans gehad om te
excelleren en te laten zien welke talenten zij hebben. Topsport is topsport, maar
zonder breedtesport geen topsport, zou ik willen zeggen.
Met die woorden wil ik een brug maken naar het komende regeerakkoord. Wat kunnen we
verwachten? Laat ik gelijk maar een oprechte zorg uitspreken over de bezuinigingen
op met name de zorg en de sociale zekerheid. We zien dat het extra aankomt bij bepaalde
kwetsbare groepen. Maatregelen stapelen zich op. Er werden, zoals mevrouw Van der
Plas ook zei, ook mooie woorden uitgesproken over sport. Als ik dat in ogenschouw
neem in relatie tot de vraag of we met het regeerakkoord daadwerkelijk sociaaleconomische
gezondheidsverschillen gaan doorbreken, dan heb ik heel veel vraagtekens. Ik vraag
me werkelijk af of deze doorbraken er ook echt gaan komen.
Volgens mij is er niet veel meer onderzoek nodig naar wat er nodig is. We weten ook
wat sport oplevert. We zouden moeten bedenken wat er gebeurt als een derde van het
sportaanbod op de een of andere manier zou komen te vervallen. Of het nou sportondernemers
of verenigingen zijn: stel dat een derde van het aanbod er morgen niet meer zou zijn.
Dat zou betekenen dat de zorgkosten met miljarden zouden stijgen. We weten dus wel
wat het oplevert. Alleen, als we erin moeten investeren, is het altijd wat lastiger.
De VWS-begroting is een megabegroting, die 110 miljard aantikt. We discussiëren altijd
over een heel klein bedrag voor preventie en sport, terwijl we heel goed weten wat
die de samenleving opleveren. Ik blijf altijd breder kijken naar dit onderwerp. We
hebben altijd veel mooie woorden over sport en preventie omdat die heel veel opleveren,
maar we hebben er eigenlijk met moeite iets voor over. Elke stap in de goede richting
is een goede. Laat ik niet overkomen alsof het glas alleen maar halfleeg is, maar
ik blijf me er wel altijd over verwonderen hoe moeizaam het gaat met de investeringen,
ook om gezonde generaties te realiseren.
We moeten het niet meer zien als een kostenpost, maar als iets dat wat oplevert. Er
ligt genoeg onderzoek naar hoeveel euro’s sportinvesteringen daadwerkelijk aan gezondheidswinst
opleveren. Recent was er ook weer een onderzoek van het Mulier Instituut naar de groepen
die achterblijven. Daaruit blijkt dat steeds meer gezinnen, niet alleen maar uit de
lagere inkomensgroep, maar ook met gewone middeninkomens, sporten gewoon te duur vinden,
en dat de sportdeelname niet per se stijgt onder specifieke groepen. Als je bijvoorbeeld
inzoomt op kinderen met een handicap of kinderen uit lagere inkomensgroepen, dan zie
je zelfs dat het kabinet de zelfbedachte ambities en de percentages die daaraan gekoppeld
zijn, niet haalt. Het maakt steeds meer uit waar je woont en wat je verdient. We zien
dat dit leidt tot meer of minder sportdeelname, en ook beweegdeelname. Er zijn arme
en rijke postcodegebieden als het gaat om bewegen. Die tweedeling is iets wat wij
altijd zullen inbrengen en aankaarten, juist omdat sport en preventie precies die
ongelijkheid kunnen doorbreken. Sport is dan een gelijkmaker en geen ongelijkmaker,
tenzij het gaat over winnen of verliezen, maar dan is de context anders; het gaat
hier echt over de gezondheidsverschillen.
Ik had het al over de doelen die het kabinet zichzelf heeft gesteld, bijvoorbeeld
als het gaat om mensen met een handicap wekelijks te laten deelnemen. De ambitie voor
2023 was 38%, maar in 2024, een jaar later, is dat gedaald naar 32%. Je ziet het bijvoorbeeld
ook bij de ambitie om mensen in armoede meer te laten sporten. Het percentage dat
deelneemt, was in 2023 44%, versus 38% in 2024. Je ziet dus elke keer dat de ambitie
die door het kabinet zelf wordt vastgesteld, niet wordt gehaald. Dan vraag ik me ook
echt af welke inspanningen er nu extra worden gedaan door het kabinet om die doelen
wel te halen, dus om eens een keer wel cijfers te laten zien waarmee kan worden vastgesteld
dat de maatregelen werken en er voldoende wordt geïnvesteerd in sport.
Ik ben ook benieuwd wanneer we de uitwerking van het regeerakkoord kunnen verwachten
en of deze doelen, die wat ons betreft scherp en hard blijven, ook overeind blijven,
zodat we kunnen zien wat die euro’s opleveren en of we ook investeren in het juiste.
Ik weet niet of ik dit aan de juiste bewindspersoon vraag, maar er is altijd maar
één bewindspersoon, ook als dat straks een andere persoon is. We hebben een Sportbegroting
en het geld is schaars. Geven we het dus aan het juiste uit? Geven we het echt uit
aan het product, of aan het overleg over dat product?
Het kernbeleid van dit kabinet gaat ook heel erg over het versterken van de positie
van de sportverenigingen. Het is goed dat dit nu een beleidsdoel is. Wij willen wel
aandacht voor het feit dat er ook veel ondernemende sportaanbieders zijn die bijdragen
aan het maatschappelijke doel, en die in steden en in wijken steeds meer initiatieven
ontplooien die ook jongeren of andere doelgroepen bereiken die moeilijker te bereiken
zijn. Ik wil dat dus wel in ogenschouw nemen. Dat moeten we altijd breed bekijken,
omdat er veel ondernemers zijn met een publiek doel in plaats van een privaat doel,
zou je bijna kunnen zeggen, die heel erg bezig zijn met het bereiken van kwetsbare
groepen.
Het is fijn dat de positie van de sportverenigingen behoort tot het kernbeleid, zoals
ik lees in de brief van het kabinet, al is het maar omdat er een breed gesteunde motie
is aangenomen van onder andere CDA, SP, D66 en ondergetekende om te komen tot een
meerjarige strategie voor sportverenigingen. We hebben het over de BOSA gehad, en
daar wil ik nu op doorgaan. Die meerjarige strategie is nodig, omdat veel dingen noodzakelijk
zijn om het verenigingsleven overeind te houden, ook voor toekomstige generaties.
Daar is veel voor nodig. Er is heel veel werk aan de winkel en de rapporten liegen
er niet om. Volgens mij hebben we als commissie tig rapporten gekregen, die heel duidelijk
laten zien wat er nodig is.
Laat ik beginnen met die BOSA. Iedereen denkt misschien: waar gaat het om? Het gaat
niet om die regeling. Het gaat er uiteindelijk om dat sportverenigingen alles op alles
moeten zetten om het betaalbaar te houden, voor jong en oud, en de contributies toegankelijk
te houden. Want ja, sportverenigingen rekenen geen kostendekkende tarieven. Het is
noodzakelijk dat ze hun energielasten kunnen beheersen en kunnen betalen, en de stijging
daarvan kunnen overzien. Die pot is altijd even snel leeg als dat het loket wordt
opengesteld. Dat hebben we nu al een paar keer meegemaakt. We hebben de afgelopen
jaren heel veel debatten gehad over het BOSA-loket, bijvoorbeeld over de verplaatsing
naar de DUMAVA. Men moet dan naar een bepaald loket voor verduurzaming en kan bij
weer een ander loket terecht voor materialen. Het is voor een verenigingsbestuur natuurlijk
totaal onaantrekkelijk om met dit soort bureaucratie te worden opgezadeld. Ik hoop
dus dat we weer toe gaan werken naar één toegankelijk loket, maar we zien ook dat
bijvoorbeeld de BOSA niet toegankelijk is voor sportclubs die niet zijn aangesloten
bij een bond. Klopt dat? Waarom is dat eigenlijk zo? Wat zit daarachter? Ook zijn
er kleine verenigingen waarvoor het te weinig is om 20% te ontvangen. Ze moeten dan
nog heel veel zelf bijdragen en vaak hebben ze die middelen gewoon niet. Nogmaals,
het is echt niet te doen voor de gemiddelde sportvereniging.
Over die eenloketfunctie hebben we ook een motie. Het zou mooi zijn als we tegelijk
met de beweging van het weer structureel vullen van de BOSA ook weer zouden toewerken
naar één gebruiksvriendelijk loket voor sportverenigingen. We moeten de verenigingen
niet naar een loket sturen van een ander ministerie, met andere spelregels, want bij
het ene ministerie gebeurt het bijvoorbeeld vooraf en bij het andere achteraf. Ook
de systematiek is dus totaal verschillend. Daarom hebben we, naast die motie over
het ene loket, ook een amendement liggen voor een eenmalige kasschuif. Dat is nodig.
Ik wil tegen de collega’s het volgende zeggen. Er is een enorme groep verenigingen
die nu letterlijk aan de poort staat te wachten, die eigenlijk al was ingelogd, door
was gekomen, te horen heeft gekregen dat het geld op is, maar wel een ontvangstbevestiging
heeft gekregen: «Dank voor de aanvraag.» Er zijn dus meer verenigingen dan geld; dat
weten we. Gezien de ambitie van het regeerakkoord en het geld dat er al is in het
basispad voor 2027, willen wij eenmalig 20 miljoen euro naar voren halen. Ik besef
ook dat het een druppel op een gloeiende plaat is, maar alles om die groep wachtenden
te helpen is wat onze fractie betreft meegenomen. Het amendement is rondgestuurd,
hoop ik. Het is in ieder geval onderdeel van dit debat, dus we kunnen het daar straks
met het kabinet over hebben.
Daarnaast wil ik het kabinet eraan herinneren dat de Kamer drie jaar geleden een motie
heeft aangenomen van onder andere SP en GroenLinks-Partij van de Arbeid voor een meer
landelijke aanpak om te komen tot een soort energietransitie of verduurzaming van
sportaccommodaties, met name publieke sportaccommodaties. Dat is wat ons betreft een
bredere klimaatopgave. We zien dat dat vaak minder onderdeel is van de klimaatambities.
Op een of andere manier valt dit buiten de boot. Wat ons betreft komt hier meer landelijke
regie op om, in samenspraak met gemeenten, te komen tot deze noodzakelijke transitie.
Als we dat niet doen, betalen we namelijk een hogere prijs als samenleving.
Ombudsfunctie verenigingen. We hebben het gehad over hoe belangrijk het is dat verenigingen
praktische ondersteuning ervaren. We hebben de afgelopen jaren gezien hoe bijvoorbeeld
RVVB ook praktische ondersteuning verleent. Zij staan honderden verenigingen bij in
allerlei geschillen. Zij kunnen zaterdag gebeld worden om die praktische ondersteuning
te leveren. Het is wat dat betreft echt een soort aanvullende service op wat er al
was aan services. Wij vinden dat deze ombudsfunctie ook komend jaar, ook gelet op
het aflopende regeer ... Nee, niet het regeerakkoord, maar het aflopende Sportakkoord.
Er is trouwens ook een aflopend regeerakkoord, dus beide eigenlijk, maar het gaat
nu vooral over het aflopende Sportakkoord. Wij vinden dat we die ombudsfunctie moeten
verduurzamen. Daarvoor heb ik een motie in voorbereiding, samen met het CDA. Het gaat
ons er echt om dat we deze praktische ondersteuning en dat geluid een plek geven.
Het gaat om allerlei geschillen: soms met gemeenten, soms met verzekeraars, echt van
alles. Ik ga het niet allemaal opnoemen, want we hebben dat als commissie vaak gemaild
gekregen. Maar het lijkt mij wel noodzakelijk en heel waardevol om die functie te
borgen, ook naast datgene wat NOC*NSF doet qua services richting sportverenigingen.
Volgens mij kunnen die elkaar prima versterken en vergroten.
Naast de BOSA hebben we het ook vaak gehad over een revolverend fonds. Ik kan me een
motie herinneren van onder andere NSC. Ik denk dat er naast de BOSA funding nodig
is, ook privaat, om bepaalde veranderingen mogelijk te maken. Het zou heel mooi zijn
als er parallel en additioneel ook wordt gekeken naar een revolverend fonds. Welke
mogelijkheden zijn er, ook gelet op de punten die eerder zijn ingebracht en toegankelijkheid
voor iedereen? We zien dat andere fondsen ook weer allerlei eisen met zich meebrengen,
waardoor het voor bijvoorbeeld kleine verenigingen niet altijd aantrekkelijk is. Denk
aan te hoge rentes en dat soort zaken.
Regeldruk is een terugkerend onderwerp in deze commissie. Sorry, ik zag een vinger,
dus ik werd afgeleid.
De voorzitter:
Dan mag mevrouw Huizenga meteen interrumperen.
Mevrouw Huizenga (D66):
U had het over de BOSA-regeling. U vindt het van belang dat alles vanuit de BOSA-regeling
ook bij de verenigingen terechtkomt. Dat gebeurt vaak niet. Daar heb ik ook een vraag
over gesteld, dus daar komt nog een antwoord op. U heeft het over een revolverend
fonds. Is het dan logisch om dit middels een kasschuif op de BOSA te doen? Kunnen
we er dan niet voor zorgen dat het eerder bij die verenigingen terechtkomt en niet
bij allerlei tussenpartijen?
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij met deze interruptie. Volgens mij zijn het juist de bonden, NOC*NSF,
RVVB, echt iedereen – velen zitten hier ook op de tribune – die ons hebben opgeroepen:
er is altijd een BOSA nodig die rechtstreeks ten goede komt aan sportverenigingen.
Dat is waar dit amendement over gaat. We kunnen het ook rechtstreeks overmaken aan
alle verenigingen, maar als we die BOSA, die door verenigingen vaak als gebruiksvriendelijk
wordt ervaren, in die zin dat ze weten wat ze moeten aanleveren en wat ze krijgen ...
Dan heb ik het over de oude BOSA-systematiek en niet over de rare knip die is gemaakt,
waarbij je voor het een bij het ene loket moet zijn en voor het ander bij het andere
loket. Dat is wat ik beoog: teruggaan naar een regeling die werkt voor verenigingen,
die vriendelijk, toegankelijk en vindbaar is en die een heldere beschrijving heeft.
Volgens mij moeten we terug naar wat ik «de oude BOSA-regeling» noem. Honderden verenigingen,
als het er niet meer zijn, staan nu in de wacht; zij zijn in de wacht gezet door het
onvriendelijke systeem. Mijn kasschuif is ervoor bedoeld om heel veel van die verenigingen
te helpen. De kasschuif heeft te maken met de middelen rechtstreeks aan de verenigingen
geven, want daar was die regeling zo fijn voor: je kon die middelen als vereniging
krijgen, in plaats van dat je moest bedelen bij meerdere loketten met verschillende
systemen. Dan staan de systemen en niet de gebruiker centraal en dat is volgens mij
niet hoe wij zouden moeten werken als politiek.
De voorzitter:
U mag uw betoog voortzetten, maar weet dat u nog één minuut spreektijd heeft.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Meent u dat nou?
De voorzitter:
Ja, het vliegt voorbij. U heeft dan nog een minuut voor uw moties en een minuut voor
uw spreektekst.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Nou, dan kom ik niet meer uit, vrees ik.
De voorzitter:
Als u uw betoog afrondt, kunnen we kijken ...
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Het is wetgeving. Achteraf bezien had ik gewoon 25 minuten spreektijd moeten doorgeven.
De voorzitter:
Als u uw verhaal afmaakt ...
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik geef toe: ik had met de SP ook wat dingen afgestemd, want collega Dobbe is ziek.
Dat gaat vooral over wetenschap. Daarom is mijn spreektekst wat langer.
De voorzitter:
Als u uw verhaal rustig afrondt, kunnen we volgens mij allemaal redelijk coulant zijn.
U weet in ieder geval hoe het ongeveer staat met de tijd.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik ging goed, hoor.
De voorzitter:
Nou, zet u uw inbreng voort.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Excuus. Dat is het nadeel als je lang meeloopt in deze commissie.
Ik ga even terug. Het revolverend fonds had ik gehad. Dan kom ik bij regeldruk. Ik
ga er iets sneller doorheen, dus ik ga iets sneller praten. We hebben het in de commissie
meerdere keren gehad over allerlei wetten die verenigingen in de weg zitten. De WBTR
is genoemd. Ik wil ook de Wet markt en overheid even aanstippen. Veel gemeenten maken
nu vanwege de maatschappelijke waarde van verenigingen gebruik van de mogelijkheid
om sport als dienst van algemeen belang aan te wijzen. Het lijkt erop dat deze wet
die uitzonderingsbepaling wil aanscherpen. Ik wil niet te technisch worden, maar ook
dit kan er weer toe leiden dat verenigingen voor het sportaanbod een commercieel tarief
moeten rekenen van de wet, terwijl dat voor sportverenigingen juist niet de bedoeling
is. Ik ben heel benieuwd of het kabinet dit soort dingen scherp heeft. Maken we nu
niet elke keer wetten die vrijwillige bestuurders opzadelen met regels die eigenlijk
niet voor hen waren bedoeld?
De sportwet is een terugkerend onderwerp. Ik heb een simpele vraag aan het kabinet.
Steeds meer sportorganisaties roepen om een sportwet. Er zijn ook steeds meer ideeën
over zo’n sportwet, bij de KNVB, de bonden en de sportverenigingen. Iedereen is daar
heel eensluidend in. Kom met die wettelijke basis. Kijk naar de culturele sector.
De Wet op het specifiek cultuurbeleid biedt aanknopingspunten voor hoe zo’n sportwet
eruit zou kunnen zien. Ik ga ervan uit dat er in het voorjaar een contourenbrief ligt
en dat de toezeggingen worden nagekomen. Er komt een minderheidskabinet. De Kamer
is missionair en is aan zet, dus een meerderheid van de Kamer bepaalt dat gewoon.
Graag een reactie.
Op het ravijnjaar ga ik nu niet te lang in. We maken ons zorgen over hoe dat structureel
uitpakt voor gemeenten. Zonder sportwet, zeg ik dan maar even, kan sport het kind
van de rekening zijn, of het nou gaat om sportaccommodaties, zwembaden of het commercieel
maken van de tarieven. Dat hebben we vaker gezien.
Dan de zwemveiligheid en de zwembadautoriteit. Ik ben benieuwd hoe dat er nu uitziet.
Graag een uitvoering van de motie die wij samen met de SP hebben ingediend.
Er ligt een amendement voor het helpen van kinderen met een handicap die zwemlessen
willen volgen. Zij zijn vaak duurder uit. Wij hebben hier heel vaak een inbreng over
geleverd. Wij horen heel graag hoe dit gestand kan worden gedaan. Zorg ervoor dat
er bij de specifieke inkomensregelingen rekening wordt gehouden met kinderen met een
handicap, want zij doen er vaak langer over om hun zwemdiploma te halen.
Over Uniek Sporten kan ik alleen maar zeggen: mooi dat het amendement-Saris/Mohandis
is uitgevoerd, maar kan het platform Uniek Sporten ook niet een landelijke voorziening
zijn? Graag een reactie.
Over Thialf heeft mevrouw Van der Plas al iets gezegd in interrupties. Heel kort:
de Kamer is eerder bijgesprongen met een eenmalige bijdrage van miljoenen. Heeft het
kabinet in beeld wat de noden zijn voor de ambitie om in de race te zijn voor de organisatie
van de Olympische Spelen? Graag een reactie.
Voorzitter. Ik zeg ook gelijk maar even «tot slot». Het wetsvoorstel Integere sport
is in consultatie. Wij zijn heel erg benieuwd hoe het debat er straks gaat uitzien,
maar wij delen ook nu al de zorg van bijvoorbeeld NOC*NSF over de funding. Die moet
hierbij wel goed zijn; anders komt er weer te veel op het bordje van vrijwillige bestuurders.
Als we dit doen, moeten we het ook goed doen.
Voorzitter, tot slot. In de zomer van 2021 kwamen misstanden in het dansen naar buiten.
Kim Koumans doorbrak het stilzwijgen, startte een meldpunt en mobiliseerde andere
misbruikslachtoffers. Dat verdient respect en steun, want zonder moedige klokkenluiders
als Koumans blijven excessen vaak onopgemerkt. Dan een enkele vraag over dit onderwerp.
Als eerste wil ik van de Staatssecretaris weten waarom het na de onthullingen en vervolgens
de verschijning van het schokkende onderzoeksrapport Schaduwdansen in 2023 tot vorige
week moest duren voordat de eindrapportage «Achter de coulissen» van de opvolgingscommissie
er lag. Hoe kijkt u naar de uitkomst in deze eindrapportage? Klopt het dat de Minister
– in dit geval is dat Minister Moes van OCW, die dit samen met u in de portefeuille
heeft zitten – besloten heeft om die opvolgingscommissie op te heffen, en waarom is
dat? Ten tweede, hoe kan het dat maar 28 van de 33 aanbevelingen geheel of gedeeltelijk
zijn overgenomen? Hoe zit het dan met de overige aanbevelingen, die niet worden opgepakt?
Ten derde, hoe beoordeelt u het functioneren en de effectiviteit van Alliantie Dans
veilig, het samenwerkingsverband voor sociale veiligheid? Zijn de beide Ministeries,
VWS en OCW, van plan de financiering voort te zetten?
Tot slot. Ik ben nu klaar, voorzitter. Deze minderheidscoalitie heeft geen meerderheid
en ik ben graag bereid om die doorbraken te realiseren, maar dan moeten we er wel
echt gas op blijven geven; anders verandert er vanuit de landelijke politiek weinig
voor de sportsector.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank, meneer Mohandis. Nou, dat heeft u nog vlot afgerond, volgens mij. Als niemand
interrupties heeft, geef ik het woord aan mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Welkom trouwens aan alle mensen op de tribune. De mensen thuis
kunnen het misschien niet zien, maar de tribune zit vandaag helemaal vol. Er is dus
grote betrokkenheid van de organisaties, gemeenten, provincies en iedereen die bij
de sport betrokken is.
Voorzitter. In dit huis wordt veel gesproken over de gezondste generatie, over preventie
en over sport als motor van welzijn, maar zodra het gaat om de plekken waar dat allemaal
begint, blijkt diezelfde ambitie ineens minder vanzelfsprekend. De praktijk laat zien
dat waardering prachtig klinkt in beleidsstukken, maar snel verdampt wanneer het aankomt
op het beschermen van wat ons land echt draagt. Thialf is zo’n fundament. Het is niet
zomaar een ijsbaan, maar een cultuurdrager, de plek waar generaties hun eerste slagen
zetten, waar de verbondenheid van de regio’s samenkomt, waar Nederland zijn reputatie
als schaatsland heeft opgebouwd en waar de gedachte aan olympische schaatswedstrijden
geen grootspraak maar een reële ambitie is. Een land dat wereldwijd wordt herkend
aan zijn schaatssport, van wereldkampioenen tot de Elfstedentocht, kan zich niet veroorloven
dat dit fundament afbrokkelt.
Voorzitter. Als we het hebben over onze waarden en over onze trots op dit mooie land,
dan hebben we het toch bij uitstek ook over onze schaatshistorie. Mijn bloed gaat
sneller stromen bij de herinneringen aan onze kampioenen. Dan heb ik het niet alleen
over Jutta, Femke, Suzanne of Sven, maar ook over «Ard en Keessie». Toen ik nog kind
was, was de Deventer kunstijsbaan wereldglorie, de plek waar vele Nederlandse schaatskampioenen
triomfeerden. De wat oudere mensen in deze zaal herinneren zich dit vast ook wel.
Ook internationale schaatshelden, zoals de onvergetelijke Amerikaanse schaatser Eric
Heiden, vierden daar triomfen. Wat vroeger de Deventer kunstijsbaan was, is nu Thialf.
We kunnen en mogen dit schaatsmonument niet door het ijs laten zakken.
Het is wat ons betreft dan ook niet te verkopen dat je tegen een sportcomplex zegt:
we willen niet constant bijspringen. Bij «niet constant bijspringen» vraag ik me het
volgende af. Er is in 2030, na 102 jaar, weer een kans op een rol voor Nederland in
de organisatie van de Olympische Spelen, en wel in Friesland, ons prachtig mooie Friesland.
En Nederland zegt: we willen niet constant bijspringen. We moeten er juist voor zorgen
dat Thialf de beste papieren heeft en er met vlag en wimpel bovenuit steekt. Daarom
dient BBB een amendement in om ervoor te zorgen dat Thialf de stappen richting een
financieel stabielere positie kan blijven maken. Er is namelijk een tekort ontstaan
doordat een van de betroken partijen haar deel van de afgesproken bijdrage niet kan
opbrengen. Zonder aanvulling kan Thialf in de knel komen, terwijl het juist een nationale
voorziening is die we niet kunnen missen. Met dit amendement zorgen we ervoor dat
Thialf de beste kaarten heeft voor de Olympische Spelen, én – dat is heel belangrijk
– dat noodzakelijk onderhoud niet langer vooruitgeschoven wordt. Zo blijft Thialf
voldoen aan internationale eisen én kan Nederland nationale en internationale topsportevenementen
blijven organiseren op het niveau dat past bij onze prachtige schaatstraditie.
Voorzitter. De € 300.000 wordt al een paar jaar niet overbrugd, waardoor Thialf een
krappe exploitatie heeft. Een eenmalige impuls dekt dit niet direct af, maar is wel
een steun in de rug voor Thialf om te kunnen blijven investeren in zijn topfaciliteit
om top- en breedtesport te blijven ontwikkelen. Is de Staatssecretaris het daarmee
eens?
Voorzitter. Beleid is niet geloofwaardig wanneer de fundamenten van de sportsector
tegelijkertijd onder druk staan. Precies dat spanningsveld wil BBB vandaag blootleggen.
Sport gebeurt niet in nota’s of ambities, maar op ijsbanen, velden en zwembaden, waar
dagelijks wordt bewogen. Wanneer een top- en breedtevoorziening als Thialf het lastig
heeft, toont dat pijnlijk aan dat de logica tussen wat er wordt gezegd en wat er daadwerkelijk
wordt gedaan soms ver te zoeken is.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende, wil ik ook ingaan op het door de nieuwe coalitie
aangekondigde boetesysteem voor politie-inzet in het betaald voetbal. Ook hier zien
we dezelfde terugkerende reflex die zo vaak optreedt wanneer de Haagse symboliek het
wint van het gezonde verstand. Het gaat om een maatregel die eruitziet als daadkracht,
maar die bij nadere beschouwing vooral de schijn van optreden organiseert – alsof
een financiële afrekening met clubs ook maar één extra agent oplevert, ook maar één
incident voorkomt of ook maar één supporter daadwerkelijk veiliger maakt. De werkelijkheid
is precies omgekeerd: je belast juist de organisaties die al jarenlang fors investeren
in veiligheid, crowdcontrol en preventie. Het zijn vooral de kleinere, regionaal gewortelde
clubs die hierdoor in de knel komen, clubs die een sociale rol vervullen in hun gemeenschap
en die je met zo’n maatregel richting de afgrond duwt. Dat is niet het aanpakken van
daders, maar het doorschuiven van verantwoordelijkheid. Het is precies dit soort Haags
denken dat echt beleid verwart met het sturen van een uurtje-factuurtje. Hoe kijkt
de Staatssecretaris naar deze maatregel van de nieuwe coalitie? Kan de Staatssecretaris
uiteenzetten hoe zo’n systeem er in de praktijk uit zou zien en of het juridisch houdbaar
is?
Voorzitter. Tot slot wil ik iets zeggen over het verdwijnen van de scoreborden in
de jeugdsport. Steeds meer sportbonden in Nederland schaffen scoreborden af bij wedstrijden
voor de jongste spelers. De reden: het draait niet alleen om winnen of verliezen;
sporten moet vooral leuk zijn. Echt mensen, kunnen we alsjeblieft stoppen met onze
kinderen op te voeden als sneeuwvlokjes? Welk probleem lossen we hier precies mee
op? Hoeveel zwaar getraumatiseerde kinderen die een scorebord zagen waarop stond dat
ze met 3–0 achterstonden, wonen er precies in Nederland? Creëren we niet een nieuw
probleem, met kinderen die opgevoed worden met alleen maar leuk, kinderen die niet
leren dat bij het leven soms winnen en soms verliezen hoort? Hoe stomen wij kinderen
klaar voor de maatschappij, waar je soms wint en soms verliest, en je daarmee gewoon
om moet gaan?
Er is het argument dat het vooral voor de ouders is die te fanatiek zijn en hun kinderen
onder druk zetten, of die winnen koppelen aan een leuke dag en verliezen aan een slechte
dag. Hou alsjeblieft op! Ouders mogen best meeleven met hun kinderen. Ouders mogen
het gewoon jammer vinden dat ze een keer verliezen. Ze mogen ook blij zijn als ze
winnen. Dat heet «betrokken zijn». Een verloren wedstrijd kan ook een prikkel zijn
om de teamspirit te krijgen; je zit als team in hetzelfde schuitje en bij de volgende
training ga je er gewoon gezamenlijk weer tegenaan, heel gezond. Of je zegt na een
verloren wedstrijd gewoon tegen je kind: «Goed gespeeld. Jammer dat jullie hebben
verloren. Volgende keer beter. Wil je een ijsje?»
Dan nog even iets. Je moet je het volgende voorstellen. In de scorebordloze maatschappij
hebben kinderen een wedstrijd gespeeld. Ze zijn hartstikke blij. Ze hebben het hartstikke
leuk. Dan lopen ze het veld af en horen ze ineens dat ze hebben verloren. Nou, lekker;
dat wordt een gezellige dag thuis.
Voorzitter. Ik hoop dat de sportbonden het scorebord weer gewoon in ere herstellen,
dat we kinderen opvoeden met gezond verstand en dat we kinderen niet aan de maatschappij
afleveren zonder dat ze weerbaar zijn.
Voorzitter. Als allerlaatste wens ik Femke Kok, Jutta Leerdam en Suzanne Schulting
heel erg veel succes vanavond op de 1.000 meter. Ik hoop dat op het scorebord staat
dat ze goud, zilver en brons hebben.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Van der Plas. Volgens mij zijn we het allemaal eens met die laatste
zin over het scorebord. Ik bedoel de zin over die drie medailles. Er was net een klein
beetje twijfel over de volgorde. We hebben nu nog coalitie-BBB, vandaar dat mevrouw
Van der Plas eerst aan de beurt was. We vervolgen nu met mevrouw Van Meetelen, PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is prima hoor, voorzitter. Dat is helemaal goed. Ik had eigenlijk een soortgelijke
vraag als mevrouw Van der Plas. Maar goed, we gaan beginnen.
Voorzitter. Sport is nooit alleen sport. Sport is cultuur en laat zien wat een land
belangrijk vindt, waar we trots op zijn en of we talent durven erkennen, stimuleren
en dragen. Als we naar sport kijken, moeten we niet bij de medailles beginnen maar
bij het begin: bij kinderen, bij buiten spelen, bij rennen, vallen en weer opstaan,
bij een bal op een pleintje, bij samen spelen, ruzie krijgen en het weer bijleggen.
Zo leer je bewegen, samenwerken en krijg je weerbaarheid. Zo ontstaat plezier in sport
en zo ontstaat de basis voor een goede, gezonde samenleving.
Maar die vanzelfsprekendheid staat onder druk. Steeds meer kinderen zitten binnen,
achter een scherm, en niet altijd omdat ze dat willen, maar soms ook omdat buiten
spelen lang niet overal meer vanzelfsprekend of veilig is. Ouders zien het en kinderen
voelen het. We hebben een gesprek gehad tijdens een kennisontbijt met Jantje Beton.
Daarin hoorden we dat de tijd besteed aan buiten spelen sinds 2022 is gehalveerd.
Een groot gedeelte komt natuurlijk door het achter een scherm zitten. Daar zijn we
zelf ook allemaal debet aan, maar daar krijgen we denk ik nog een ander debat over;
dat wil ik nu even laten. Maar het heeft ook met veiligheid te maken. Dat gaven de
kinderen die waren geïnterviewd ook aan. Speeltuinen en pleintjes worden gemeden vanwege
overlast: van hangjeugd, rondhangen zonder toezicht, intimidatie, drugshandel en mensen
die simpelweg niet in speeltuintjes thuishoren. Dat is de dagelijkse realiteit in
verschillende wijken. Dan is het makkelijk om te zeggen dat kinderen maar meer moeten
bewegen, maar zolang de buitenruimte onveilig voelt, kiezen ouders en kinderen begrijpelijk
voor binnen. Daarmee verliezen we wel iets fundamenteels.
Voorzitter. Ik vraag dus aan de Staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen dat de
speeltuintjes weer schoon en veilig zijn. Ik weet dat dit bij de gemeenten ligt, maar
ik leg dit toch hier neer. Overigens hebben wij ook een unaniem aangenomen motie over
een speeltuin in elke gemeente. Ik vraag even hoe het daarmee zit.
Voorzitter. Dit raakt alle kinderen, maar het raakt kinderen met een beperking nog
harder. Voor hen is buiten spelen nog veel minder vaak vanzelfsprekend. Ze zijn afhankelijk
van toegankelijke speelplekken, van overzicht en van veiligheid. Als juist die plekken
verdwijnen of onveilig voelen, worden zij als eersten naar binnen verwezen. Ze worden
letterlijk en figuurlijk aan de zijlijn gezet. Een inclusieve sportcultuur begint
niet bij een beleidsnota, maar bij het plein, bij een speeltuin waar ook een kind
met een beperking kan meedoen, waar zichtbaar wordt dat zij er net zo goed thuishoren
en waar bewegen normaal is voor iedereen. Ik vraag dus ook aan de Staatssecretaris,
in het verlengde van de vraag over speeltuintjes, in hoeveel speeltuinen kinderen
met een beperking kunnen spelen.
Voorzitter. Mijn fractie pleit niet voor betutteling. Vrijheid blijft het uitgangspunt,
maar vrijheid vraagt ook om randvoorwaarden: veiligheid, toegankelijkheid en een cultuur
waarin buiten spelen weer normaal is. De vraag is niet of de overheid alles moet regelen.
De vraag is: welke waarden willen we doorgeven? Vinden we het normaal dat kinderen
bewegen en buiten zijn om te spelen en dat ze dat veilig kunnen doen? Of nemen we
genoegen met stilzitten en schermvermaak, omdat dat nu eenmaal vaak makkelijker is?
Dat is het, want het is ook moeilijk om ze er weg te krijgen, weet ik uit ervaring.
Voorzitter. Vanuit die basis komen we bij talent, bij ambitie en uiteindelijk bij
topsport. Als we kijken naar landen als Australië, de Verenigde Staten of het Verenigd
Koninkrijk, zien we hoe sport daar al vroeg onderdeel is van identiteit. Kinderen
worden aangemoedigd om ergens in uit te blinken. Ambitie mag zichtbaar zijn. Prestaties
worden niet afgevlakt, maar erkend. Ik kijk even naar mevrouw Van der Plas, want ik
ben het met haar eens: je mag ook gewoon ambitie tonen. Het is niet erg om een keer
te verliezen, want daardoor weet je ook wat winnen is. Dat is belangrijk. Sport opent
daar deuren: naar onderwijs, naar kansen en naar toekomstperspectief. In Nederland
doen we dat anders. We zijn terughoudend met uitblinken. We vinden het ongemakkelijk.
Je kop boven het maaiveld uitsteken wordt niet aangemoedigd, maar vaak afgevlakt.
Talentontwikkeling verschuift naar verenigingen en gezinnen, en daarmee wordt toch
vaak je postcode bepalend. Dat is een stukje kansenongelijkheid, maar we smoren ook
heel veel talent automatisch in de kiem. We zeggen dat meedoen zo belangrijk is en
dat meedoen belangrijker is dan winnen, maar door winnen krijgen we toppers. We moeten
daar dus echt de schouders onder zetten. Die scoreborden moeten inderdaad gewoon terugkomen.
Het is helemaal niet erg als je een keer verliest. Erkent de Staatssecretaris dat
in Nederland een bewijs van deelname net zo veel, of net zo weinig, betekent als uitblinken?
Hoe wil zij bevorderen dat ambitie en talent juist bij kinderen en jongeren weer expliciet
worden gewaardeerd?
Voorzitter. Dit culturele verschil zien we een-op-een in de topsport. We eisen topprestaties,
we verwachten medailles – althans, we hopen erop – we willen nationale trots, met
de vlag omhoog en het volkslied bij winst. Maar ondertussen accepteren we dat veel
topsporters niet fatsoenlijk kunnen rondkomen en bijbanen nodig hebben en dat talenten
afhaken vanwege financiële onzekerheid. Daar willen wij toch wel even naar kijken.
Topsporters zijn rolmodellen. Zij inspireren kinderen om te bewegen, om door te zetten
en om ambitie te hebben. De prestaties van topsporters stralen af op de gehele sportketen.
Maar zij zorgen ook voor een soort nationale cohesie en trots. Een persoonlijke noot:
in mijn verleden hebben we met het bedrijf veel ijsbanen geëxploiteerd en ik kan bevestigen
dat met name in een olympisch jaar of tijdens de OKT je echt meer kinderen naar de
ijsbaan zag komen die door die gebeurtenissen werden geïnspireerd en gemotiveerd.
Ik ben echt van mening dat we dat moeten gebruiken. Juist de topsport moet een vliegwiel
zijn voor de kinderen die dat ook ambiëren. Dat moeten we ondersteunen.
Voorzitter. Wie wil juichen bij succes, moet durven investeren in succes, structureel,
met rust, zekerheid en perspectief. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken
op welke wijze Nederlandse topsporters, inclusief de paralympische sporters – laten
we die niet vergeten – structureel beter kunnen worden ondersteund, zodat zij tijdens
hun topsportcarrière zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien? Ik heb de
mevrouw van D66 hier ook over gehoord. We moeten maar even kijken naar de mogelijkheden.
Ik zal niet zeggen «dit is de weg», maar laten we in ieder geval kijken wat er nodig
is.
Voorzitter. Wat nodig is, is een cultuuromslag; een omslag naar een cultuur waarin
buitenspelen weer normaal is, waarin veiligheid en toegankelijkheid randvoorwaarden
zijn en waarin kinderen met en zonder beperking de ruimte krijgen om te bewegen. Een
cultuur waarin prestaties weer worden bewonderd, waarin excelleren wordt toegejuicht
en ergens de beste in zijn weer mag. Een cultuur waarin «ambitie» geen scheldwoord
is, maar een deugd. Sport verbindt, sport vormt karakter.
Voorzitter. Als laatste. Ik huil mee om het verlies en ik schreeuw om het hardst voor
de tv met onze toppers. We moeten topsporters koesteren, vooral voor de jonkies die
nu kijken. Het is net al genoemd: Jutta en Suzanne nu, en in het verleden Sven, Ard
en Keessie en noem ze allemaal maar op, zijn voorbeelden voor ons allemaal. We hebben
het nu alleen over schaatsers, maar dit geldt natuurlijk voor de volle breedte van
de sport; we hebben ook een Cruijff en een Rijkaard en noem ze allemaal maar op. Ik
hoor nu ook iemand «Huizinga» zeggen. Inderdaad, die ook. Als ik iedereen moet opnoemen,
zitten we hier nog wel even, dus dat ga ik nu niet doen. Maar al deze topsporters
mogen als voorbeeld dienen. Het is goed om te verliezen, daardoor weet je wat winnen
is.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Van Meetelen. Dan gaan we nu door naar de laatste spreker in de eerste
termijn. Dat is mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Altijd mooi om sportwoordvoerders te horen met zo veel passie
voor sport.
Voorzitter. Sport en bewegen vormt 0,009% van de VWS-begroting, maar heeft een enorme
impact in de samenleving. Ik kan het dus niet laten om een deel van het lijstje maar
weer even op te sommen. Sport en bewegen verbetert de conditie, het immuunsysteem,
de spierkracht en de botten en vormt daarmee een belangrijke basis om überhaupt te
kunnen functioneren. Het verkleint de kans op overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten,
de meest voorkomende chronische ziekten. Het vermindert stress, angst en sombere gedachten,
een onderwerp waarvan we weten dat we er echt wat aan te doen hebben; kijk bijvoorbeeld
naar de instroom in de WIA en naar de signalen die we krijgen over mentale problemen
bij onze jongeren. Het helpt bij het ontwikkelen van doorzettingsvermogen, en bewegen
in groepsverband is een fantastisch middel tegen eenzaamheid.
Iedereen hier aan tafel denkt waarschijnlijk «ja duh, dit weten we toch allang?» Maar
toch ben ik van mening dat we te weinig doen met deze kennis. We hebben echt een uniek
medicijn om ons te helpen bij het bestrijden van heel veel uitdagingen in onze samenleving,
maar we laten dat medicijn vaak ongeopend, in de verpakking, op de plank liggen. Dat
begrijp ik ook nog wel, want we zijn als mensen zo geprogrammeerd dat we comfort verkiezen
boven inspanning. Vanuit de evolutie is dat ook logisch, want energie sparen is overleven.
Daarnaast is de beloning ver weg, want na één sessie buikspieren trainen heb ik helaas
niet meteen een sixpack. En misschien wel het belangrijkste: tijd en mentale ruimte
zijn schaars. We zijn vaak druk, moe en vol in het hoofd, en dan komt sporten er nog
eens bij. Als kers op de taart is heel onze omgeving ingericht op zitten en om ons
te dienen in gemak.
Het is dus tijd om het serieus te hebben over sport en bewegen als medicijn. Dat doe
ik vandaag in een drieslag. Allereerst: het versterken van wat we al hebben. Natuurlijk
bedoel ik daarmee ons verenigingsleven. Geen CDA-inbreng over sport zonder aandacht
voor onze verenigingen en vrijwilligers! Ten tweede: sport en bewegen letterlijk meer
gaan inzetten als medicijn en dit ook mogelijk maken, oftewel hiervoor een robuuste
infrastructuur opzetten. Als derde: belemmeringen om te sporten of bewegen, wegnemen.
Allereerst eens ons vrijwilligersleven. Voor degenen die denken «sportverenigingen
zijn een leuk, lokaal dingetje voor erbij»: dat is helemaal fout gedacht. Een aantal
jaar geleden heeft in het FD een artikel gestaan waarin het bruto vrijwilligersproduct
werd doorgerekend. Wat leveren al die vrijwilligers in Nederland de samenleving op,
of omgekeerd, wat kost het de samenleving als zij ermee zouden stoppen? Misschien
is het wel leuk als iemand mij nu interrumpeert voor een antwoord. Er is geen interruptie.
Dat is natuurlijk prima. Het antwoord is: ruim 17 miljard euro per jaar. Wat een unieke
businesscase, zeg ik met mijn financiële pet op. Helaas is men in Den Haag redelijk
ongevoelig voor de problemen waar dit fantastische maatschappelijke kapitaal tegen
aanloopt om dit belangrijke werk voor de samenleving te kunnen blijven doen. De berg
van regels en verantwoordelijkheden die zij dagelijks op hun bordje krijgen, groeit
en groeit en groeit. Daarnaast ondersteunen wij niet voldoende initiatieven die zij
zelf nemen. Gelukkig zie ik wel een groeiend besef hiervan in de samenleving. De sportbonden
en het nut en de noodzaak van de RVVB als belangrijke ombudsfunctie worden steeds
serieuzer genomen. Zo hoort het ook.
De voorzitter:
We hebben toch een interruptie van meneer Mohandis.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik dacht: ik wacht even tot het einde van dit blokje. Toch even over die businesscase.
Die triggerde mijn fractie. U had het over het maatschappelijke kapitaal van vrijwilligers,
wat echt niet uit te rekenen is. Er zitten hier vandaag heel veel vrijwilligers die
naast hun werk ook vrijwilliger zijn bij hun sportcluppie of bij hun cluppie. Als
zo’n businesscase heel interessant is, en u kijkt naar het regeerakkoord, welke doorbraak
denkt u de komende tijd wél te realiseren, nu het CDA in het kabinet zit? Wat zouden
we dit keer anders kunnen doen dan we deden?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Doorbraken realiseren doe je niet alleen met een kabinet, maar ook hier in de Kamer.
Ik zal heel eerlijk zijn. Het mooie aan deze commissie is dat we elkaar hier heel
goed weten te vinden en ook samenwerken. Welke doorbraken denk ik te realiseren? In
alle gesprekken die ik voer, of dat nu is met sportbonden, huisartsen of werkgevers,
voel ik veel meer dan een paar jaar geleden echt de ambitie om sport, bewegen, gezondheid
en preventie hoger op de agenda te krijgen. Ik voel veel meer de ambitie om dit met
elkaar te doen. Als wij als CDA, en hier met elkaar als commissie, continu de juiste
duwtjes blijven geven, denk ik dat we hier echt stappen in kunnen gaan zetten. Ik
denk dat daar een verschil zit. Ik wil niet zozeer zeggen dat dit een verschil is
ten opzichte van de vorige periode, want in de vorige periode hebben we hier ook goed
in samengewerkt. Ik hoop vooral dat we hier nog een tandje harder op gaan duwen met
elkaar.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij delen we het idee van de omslag die we moeten maken. We zien wat het oplevert
als we meer zouden doen aan sport en preventie. We weten ook wat het kost als het
sportaanbod en de vrijwilligers zouden omvallen. Het zijn getallen die we ons niet
kunnen voorstellen, maar daar staat een relatief kleine investering tegenover. Het
idee van sport als medicijn spreekt mij heel erg aan; niet letterlijk, maar we begrijpen
allebei wat we daarmee bedoelen. Kunnen we dat niet veel meer gebruiken, ook om onze
gezondheidsagenda te realiseren, ook gelet op de – daar kunnen we verschillend over
denken – bezuiniging die daar ligt? Hoe maken we dan die omslag? We hebben een initiatief
van onder andere de SP gehad over een sportpas. Is het CDA bereid om de komende tijd
echt te kijken wat het aan gezondheidswinst oplevert als we relatief kleine investeringen
doen? Staat het CDA echt open voor dat soort initiatieven, die ook echt een omslag
kunnen bewerkstelligen?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
De heer Mohandis heeft volgens mij al een stukje van het vervolg van mijn inbreng
gelezen. Ik ga dadelijk nog uitgebreider in op sport als medicijn. Ik denk dat we
hier breed moeten gaan samenwerken. Sterker nog, ik denk dat we met initiatiefvoorstellen
moeten gaan komen voor hoe we dat kunnen doen. Daarbij ga ik misschien minder pleiten
voor allerlei kleine initiatiefjes. Ik zou meer willen nadenken over het volgende.
Kunnen we met elkaar nadenken over een soort robuuste infrastructuur, zodat het veel
meer in de samenleving ingebed gaat worden om bewegen en sport eigenlijk structureel
overal onder de aandacht te krijgen?
De voorzitter:
Mevrouw Van Dijk vervolgt haar inbreng.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik wilde eigenlijk mijn collega benoemen. Ik dien namelijk graag met collega Mohandis
een motie in om de ombudsfunctie te borgen voor de toekomst.
Terug naar wat we moeten proberen op te lossen met elkaar: onder andere het overeind
houden van de basisinfrastructuur voor sport. Daar is het hier vandaag al veel over
gegaan. Neem de BOSA, een stukje extra financiering van het Rijk om de vernieuwing
en verduurzaming van onze sportaccommodaties mogelijk te maken. Ook dit jaar was er
weer een ronde. Als ik het goed heb, heeft die zes uur geduurd. Toen al was het budget
vet overschreden. De website lag er tussendoor ook nog uit. Al die verenigingen en
gemeenten hebben jarenlang geld gespaard en hebben waarschijnlijk allerlei acties
gevoerd om dat geld bij elkaar te kunnen schrapen. Ze hebben plannen gemaakt waar
tig uren in zitten. De verenigingen hebben overleg gepleegd met de gemeente over bijvoorbeeld
vergunningen, waar nog meer uren in zitten, vaak onder werktijd van deze vrijwilligers.
Zo kan ik nog wel even doorgaan.
Al jaren vraagt deze commissie om uitbreiding van dit potje, omdat het zo belangrijk
is voor het op orde houden van de basisinfrastructuur voor sport en omdat het een
instrument is om samen verantwoordelijkheid hiervoor te nemen. Ook heeft de Kamer
gevraagd om met een welwillend oog naar de DUMAVA te kijken. Ieder amendement en iedere
motie om iets te regelen leverde echter een nee op. Dat het wél kan, bewijzen we met
het coalitieakkoord, waarin we hebben afgesproken te gaan investeren in de renovatie
en verduurzaming van sportaccommodaties, bijvoorbeeld door het budget voor de BOSA
te verhogen.
Maar ik wil ook eerlijk zijn, want ik vraag me af of een instrument als de BOSA voldoende
zijn werk gaat doen, gekeken naar de uitdagingen waar we voor staan met betrekking
tot niet alleen het onderhoud, maar ook de nieuwbouw van sportaccommodaties. Ik ben
dan ook in afwachting van een uitwerking van een motie van twee jaar geleden, waarin
wordt gevraagd hoe een revolverend fonds voor sport handen en voeten zou kunnen krijgen.
Een van de grootste uitdagingen voor verenigingen is immers de financiering van duurzame
investeringen in de accommodatie. Veel daarvan zijn gebouwd tussen 1970 en 1990 en
zijn dringend aan renovatie of herbouw toe. Met een revolverend fonds, mede privaat
gefinancierd, zouden sportverenigingen structureel gunstige financieringsvoorwaarden
kunnen krijgen. Volgens onze signalen zou er uit de markt ook echt interesse zijn
om daaraan bij te dragen als de overheid er een garantiebedrag tegenover zou zetten.
Herkent de Staatssecretaris deze geluiden vanuit de markt? Klopt het nog steeds dat
we de brief dit voorjaar tegemoet kunnen zien? Wij zien hier namelijk echt een kans
om het fundamenteler en structureler goed te gaan regelen. Die mogen we niet laten
liggen.
Voorzitter. Ik ben blij dat de vrijwilligersverzekering op onderdelen aangepast gaat
worden, zoals door verhoging van het verzekerde bedrag. Ik wil de Staatssecretaris
vragen om iedere vijf jaar een dergelijke herijking te doen. Het feit dat de Kamer
hiermee moet komen, geeft namelijk al aan hoe weinig top of mind dit is, terwijl er
wel miljoenen aan gemeenschapsgeld naartoe gaan. Zet het dan ook goed in. Ik wil nog
wel vragen waarom standaardrechtsbijstand voor het bestuur bij verenigingszaken niet
is meegenomen. Dat is een grote tekortkoming, waardoor we wat het CDA betreft onze
vrijwilligers niet voldoende beschermen. Daarnaast is deze verzekering een zogenaamde
secundaire verzekering. Dat wil zeggen dat de verzekeringsmaatschappij eerst kijkt
wat ze kan verhalen op de vrijwilliger zelf. We horen hier vanuit de praktijk regelmatig
over terug dat het echt een crime is om iets daadwerkelijk vergoed te krijgen. Ik
ben dan ook benieuwd in hoeverre deze verzekering daadwerkelijk uitkeert. Ik vraag
aan de Staatssecretaris: zijn daar gegevens over? Zo ja, kunnen deze dan met de Kamer
gedeeld worden?
Natuurlijk moeten we het ook even hebben over het verminderen van regeldruk. Dank
voor het overzicht voor hoe dit aan te pakken. Ik ben oprecht blij dat dit eindelijk
serieus opgepakt wordt. Ik herken in het lijstje veel van de problemen waarvoor verenigingen
ook bij ons op de lijn komen, zoals de WBTR, btw en evenementenvergunningen. Graag
zou ik daar nog iets aan toe willen voegen: de regels die ze vanuit sportbonden opgelegd
krijgen en de impact van en regels omtrent de AVG. Onlangs kreeg ik met betrekking
tot dat laatste weer een signaal van een vereniging. Daar werd door ouders een schadevergoeding
geëist, omdat een groepsfoto waarin hun kind zichtbaar was, op de clubsite te zien
was. Ik snap echt wel de bedoeling van de AVG, maar als je ziet wat we hiermee vragen
van vrijwilligers, vraag ik me af: waarom moet een vereniging een heel protocol door
en moet zij toestemming vragen in plaats van dat we de wet zo inrichten dat mensen
proactief zelf moeten aangeven wat ze wel of niet acceptabel vinden met betrekking
tot foto’s van hun kinderen in verenigingsverband?
Voorzitter. Dan mijn tweede punt: het mogelijk maken om sport en bewegen meer in te
zetten als medicijn, oftewel het opzetten van een robuuste infrastructuur hiervoor.
Er is steeds meer bewijs dat meer bewegen in Nederland niet alleen gezondheidswinst
oplevert, maar ook financiële voordelen voor de samenleving en de overheidsfinanciën
kan hebben, vooral via lagere zorgkosten. Onderzoek in Nederlandse steden laat zien
dat meer sporten en bewegen samenhangt met lagere zorgkosten op buurtniveau. Omgerekend
kan het miljoenen euro’s per jaar aan zorgkosten besparen als slechts 1% meer mensen
in grote steden voldoende bewegen. Naar schatting gaat het om ongeveer 14 miljoen
euro in Amsterdam en ruim 11 miljoen in Rotterdam. Deze effecten zijn reëel en jaarlijks
te realiseren, dus niet alleen op korte termijn.
Voorzitter. Hart- en vaatziekten, diabetes type 2, sommige vormen van kanker en psychische
klachten: deze ziekten zijn grote kostenposten binnen de Nederlandse zorg. Inactiviteit
alleen al draagt in Nederland miljarden bij aan jaarlijkse zorgkosten. Maar ik wil
het hier echt niet alleen over geld hebben, want naast financieel voordeel is er vooral
een hele lijst met mooie voorbeelden uit de praktijk die bewijzen dat sporten en bewegen
levens verlengen, medicijngebruik verlagen en vooral welzijn verhogen. Ik wil het
hebben over Petra. Zij is een jonge moeder met parkinson en dankzij crossfit is ze
veel mobieler, waardoor het dagelijks leven dragelijker wordt. Ik wil het ook hebben
over Peter. Hij zegt: «Er bestaat geen genezing voor de ziekte, maar bewegen is extra
belangrijk om de symptomen van parkinson tegen te gaan. Mijn neuroloog wees me op
het belang van blijven bewegen en vertelde me wat de mogelijkheden zijn. Sinds ik
meedoe aan deze groep» – in zijn geval is dat klimmen – «heb ik de helft minder medicijnen
nodig.» Dat zijn voorbeelden van sporten en bewegen als medicijn.
Ik weet dat hiervoor allerlei initiatieven lopen vanuit sport, preventie, breder vanuit
VWS, lokaal enzovoort. Die juich ik allemaal toe, maar ik denk dat het tijd wordt
om dit robuuster vorm te gaan geven. Het Nederlandse RIVM en actienetwerken benadrukken
dat het stimuleren van beweging om een structurele langetermijninspanning vraagt.
Dat is dus meer dan een tijdelijke campagne of een experiment, simpelweg omdat gedragsverandering
tijd kost. Het vraagt dus om een robuust systeem en om bereidheid om ons daar met
elkaar jarenlang aan te verbinden: overheid, zorg, verenigingen, professionele sportbedrijven
enzovoort. Het vraagt om een systeem waarin bij lichamelijke klachten ook doorverwijzen
naar sport, als dat van toepassing is, heel normaal gaat worden, waarin sterker worden
voor je een operatie ingaat de standaard wordt, en waarin we mensen die bepaalde chronische
ziekten hebben, gericht gaan helpen om ze aan het bewegen te krijgen.
Er zijn heel veel ideeën over hoe we dit concreet handen en voeten moeten gaan geven.
Uit alle gesprekken die ik tot nu toe heb gevoerd over een dergelijk concept, met
de zorg, werkgevers en natuurlijk de sport zelf, komt naar voren dat er echt al heel
veel zaken in beweging aan het komen zijn, waar we ook fundamentele vervolgstappen
op moeten gaan zetten. Ik overweeg dan ook om samen met mijn collega op de zorg hierover
een initiatiefvoorstel uit te werken. Ik nodig collega’s uit de Kamer – volgens mij
heeft collega Mohandis hier heel veel zin in – uit om dit vooral samen te doen. Iedereen
die deze mening deelt in de samenleving nodig ik van harte uit om de schouders eronder
te zetten en mee te doen.
Dan mijn derde punt: belemmeringen wegnemen om te sporten en bewegen. Ik heb een paar
specifieke punten.
Allereerst de veiligheid bij voetbalwedstrijden, want ook veilig naar sportwedstrijden
kunnen gaan, hoort er gewoon bij. Er is al veel discussie in de Kamer over de inzet
van politie buiten het stadion – mevrouw Van der Plas begon er ook al over – maar
de clubs zelf komen met iets anders. Zij willen namelijk graag zelf meer beveiligers
inzetten in de stadions zelf, maar hebben te maken met de Wet particuliere beveiligingsorganisaties
en recherchebureaus, waarin staat dat beveiligers clubgebonden moeten zijn. Dat werkt
belemmerend. Ook vraag ik me af of de bevoegdheden voor deze beveiligers voldoende
zijn. Fouilleren mag blijkbaar niet, maar dat maakt het natuurlijk wel heel moeilijk
om te voorkomen dat vuurpijlen een stadion in gesmokkeld kunnen worden. Mijn vraag
aan de Staatssecretaris is: herkent ze deze discussie? Hoe zou ze het vinden om de
wet bij de tijd te brengen om een stevige stap te zetten in het verbeteren van veiligheid
in de stadions?
Dan een ander onderwerp dat onze sport ondermijnt, namelijk matchfixing. Er is in
het verleden bij de komst van de Kansspelwet een afspraak gemaakt dat clubs persoonsgegevens
zouden ontvangen als er vermoedens waren van matchfixing. Dat is echter nooit praktijk
geworden. Hoe kun je dan van een club verwachten hier effectief iets mee te kunnen
doen, vraag ik de Staatssecretaris. We merken ook dat het onderwerp naar de achtergrond
aan het verdwijnen is, wat een risico is voor het sportklimaat. In 2013 heeft een
onderzoek plaatsgevonden vanuit het Ministerie van VWS naar matchfixing in Nederland,
met als voornaamste ijkpunt op welke wijze en in welke mate matchfixing in Nederland
plaatsvindt en hoe de risico’s effectief kunnen worden ingeperkt. De conclusies waren
stevig: de grote schaal waarop matchfixing plaatsvond door de georganiseerde misdaad
die erachter zit, omkoping van sleutelfiguren, miljoenenwinsten, een gebrek aan opsporingsmiddelen
en een oproep tot actie. Wordt het niet eens tijd dit onderzoek te herijken na twaalf
jaar?
Voorzitter. Regelmatig pleit ik ervoor dat we vanuit Den Haag minder verkokerd naar
problemen in de samenleving moeten kijken. Een terugkerend voorbeeld hiervan is hoe
we omgaan met de amateurwielerkoersen in dit land. Al ruim tien jaar pleit het CDA
ervoor dat burgermotorverkeersregelaars ingezet moeten worden om onze wielerkoersen
door te kunnen laten gaan. Vorig jaar hebben we bijvoorbeeld per amendement – en daar
ben ik heel blij mee – geld kunnen vrijmaken voor de opleiding van deze vrijwilligers.
Maar de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Infrastructuur en VWS blijven voortdurend
naar elkaar wijzen. Vorige week is opnieuw een motie van mijn collega Jeltje Straatman
en mij hierover bij de begrotingsbehandeling van JenV met brede steun aangenomen.
Hoe wordt de uitwerking van die motie opgepakt en kan de Staatssecretaris aangeven
of volgens haar dit jaar weer meer wielerkoersen kunnen worden georganiseerd dan vorig
jaar?
Voorzitter. Mee kunnen doen geldt ook voor onze inwoners met een beperking. Het is
goed om in de verzamelbrief van de Staatssecretaris te lezen dat hier steeds meer
aandacht voor is. De vraag van mij is vooral: begint wat we nu doen ook daadwerkelijk
effect te hebben? Ik ben dan ook benieuwd naar de uitkomst van de pilot naar de invulling
en werking van het centraal loket voor de versterking van sporthulpmiddelen, hoe een
en ander zich ontwikkelt bij het fonds voor sporthulpmiddelen en naar de voortgang
van het opzetten van een kostprijsonderzoek sporthulpmiddelen. We zijn dus geïnteresseerd
in de adviezen en acties, die vervolgens naar de Kamer komen, in samenspraak met de
praktijk. Het is belangrijk om hier een vinger aan de pols te houden en dit te vervolgen.
Echt tot slot de Wet integere sport, die in internetconsultatie is gebracht. Een paar
collega’s begonnen hier al over. Ik hoor zorgelijke geluiden uit de praktijk dat met
deze wet weer heel veel regeldruk en verantwoordelijkheid bij verenigingen terechtkomt
en dat professionele sportbedrijven ontzien worden. Ik ben niet voor extra regeldruk
voor die laatste groep, maar als ik voetbal bij een vereniging en extra krachttraining
doe bij een sportbedrijf, dan kan het toch niet zo zijn dat de een onder deze wet
valt en de ander niet. Dan ben je toch een gatenkaas aan het maken? Ik hoop dat deze
signalen niet kloppen en dat de Staatssecretaris deze kan ontkrachten.
Dank je wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dan zijn we hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de
Kamer. Ik stel voor om een uur te schorsen, zodat we ook direct kunnen lunchen. Ook
wil ik de Staatssecretaris vragen of het mogelijk is om in de eerste termijn de appreciaties
van de amendementen te doen. Het antwoord is bevestigend; helemaal goed. Dan schors
ik de vergadering tot 12.30 uur.
De vergadering wordt van 11.27 uur tot 12.31 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug allemaal bij het wetgevingsoverleg over het begrotingsonderdeel Sport.
Ik heropen hierbij de vergadering. We zijn aangekomen bij de beantwoording van de
Staatssecretaris in de eerste termijn. Ik wil de Kamerleden eraan herinneren dat ze
opnieuw zes interrupties hebben, nu voor de Staatssecretaris. Ik wil de Staatssecretaris
vragen of ze alvast kan vertellen welke blokjes ze heeft, zodat de interruptiemomenten
gekozen kunnen worden.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, voorzitter. Ik heb zes thema’s. Het eerste gaat over bewegen en beweegdoelen,
het tweede over verenigingen, de infrastructuur, de BOSA et cetera, het derde over
sociaal veilige sport, het vierde over topsport en het vijfde over overige dingen.
Ik heb ook nog de amendementen te appreciëren.
De voorzitter:
Het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Afgelopen woensdag was ik op een nationale conferentie over
vrouwengezondheid. Toen had ik een kleine quiz voor de aanwezigen, in het kader van
de Olympische Spelen. Ik vroeg of meer of minder dan de helft van de Nederlandse atleten
op de vorige Olympische Winterspelen vrouw was. Dat was ongeveer precies – dat is
eigenlijk een gekke term – de helft, namelijk 20 van de 41. Ook vroeg ik of meer of
minder dan de helft van de medailles gewonnen waren door vrouwelijke sporters. Nou,
dat was fors meer dan de helft: twaalf van de zeventien. Vervolgens vroeg ik hoeveel
er gepubliceerd wordt over vrouwen en sport, maar dat terzijde, want dat hebben we
vorige week woensdag besproken. Het toont wel aan hoe Olympische Spelen altijd tot
de verbeelding spreken. Ik denk dat we de afgelopen paar dagen met z’n allen alweer
hebben kunnen ervaren hoe hoopvol we zijn over medailles in handen van sporters met
een TeamNL-shirt aan. Al die topsportkampioenschappen, of dat nou gaat om Olympische
Spelen, voetbal, WK’s, EK’s of NK’s, verbinden en dragen bij aan ons gevoel van gezamenlijkheid.
Voorzitter. Sport is meer dan alleen topsport. Uw leden hebben er al diverse malen
aan gerefereerd dat het ook gaat over bewegen en sporten. Mijn motto is dat je daar
eigenlijk niet te veel over moet praten, maar het gewoon moet doen. Sporten en bewegen
is gezond, zowel lichamelijk als mentaal, en meestal ook sociaal. Ook daar verwezen
uw leden al naar. In de afgelopen acht maanden als Staatssecretaris Sport heb ik daar
ook veel van gezien en heb ik dat mee mogen ervaren, van de motorsport tot cyclocross,
oftewel veldrijden, en van paradressuur tot de diabeteschallenge. Het is inspirerend
om te zien hoeveel mensen deelnemen aan sport, hoeveel mensen betrokken zijn bij de
organisatie daarvan en hoe het daarbij ook een gevoel van gezamenlijkheid met elkaar
oplevert.
Als kabinet hebben we ons ten doel gesteld om bewegen en sporten veel meer onderdeel
te laten worden van ons dagelijkse beweegritme. We hebben specifiek doelen gesteld
wat betreft kinderen en jeugd, mensen met een beperking en gezinnen die in armoede
moeten leven. Wat betreft de beweegdoelen voor kinderen hebben we een plan van aanpak
Jeugdsport en talentontwikkeling in het leven geroepen. We zijn voortdurend bezig
met het uitdragen van het belang van buiten spelen, buiten bewegen en meesporten.
Zwemmen hoort daar ook bij; ik kijk naar meneer Mohandis en dan denk ik altijd aan
zwemmen. Wat betreft mensen met een beperking vinden we dat die mensen het over een
paar jaar, in 2030, vanzelfsprekend moeten vinden om mee te doen aan sporten en bewegen.
Om dat mogelijk te maken, is het Uniek Sporten Centraal Loket in het leven geroepen,
mede in samenwerking met uw Kamer. Wat betreft mensen in achterstandssituaties, met
name armoede, gebeurt er al heel veel in al die gemeentes, met behulp van het Jeugdfonds
Sport & Cultuur. Ook zijn we als pilot begonnen met de sportpas. Ik heb voortdurend
gehamerd op het belang van gezondheid en beweegruimte in alle beleidsdomeinen, onder
andere ruimtelijke ordening. Dat was mijn hele korte inleiding. Ik ga nu over naar
de verschillende mapjes, met de verschillende thema’s zoals ik die zojuist heb aangekondigd.
Ik begin met de vragen die gaan over bewegen en de beweegdoelen.
Zowel de fractie van de VVD als die van de PVV stelde een aantal vragen over bewegen,
met name over zwemmen. De vraag was hoe we er nou voor zorgen dat bewegen een normaal
onderdeel is van ons aller dag- en weekritme. Uw Kamerleden refereerden er al aan
dat bewegen gewoon goed is voor je gezondheid. Nogmaals, dat is het lichamelijk, maar
ook mentaal en zeker ook sociaal. Ik noemde al de wandeluitdaging, de diabeteschallenge,
waarbij vanuit de Bas van de Goor Foundation een programma is opgezet om met elkaar
te wandelen. Echt meer dan driekwart van de mensen die daaraan begonnen zijn, wandelen
door. Nou, hoe belangrijk is dat? Wij proberen dat dus te stimuleren en partijen met
elkaar te verbinden om ervoor te zorgen dat zij hun krachten kunnen bundelen en dat
soort initiatieven voor elkaar kunnen krijgen.
Over wat het volgende kabinet daar vervolgens mee doet – daar werd door een aantal
van uw leden naar gevraagd – ga ik natuurlijk niet; ik zou buiten mijn boekje gaan
als ik daar wat over zou zeggen. Ik mag hopen dat de inspiratie van de afgelopen jaren
ook bij hen voortgang zal vinden.
Ik vervolg met de vraag hoe we er nou voor zorgen dat kinderen rond de leeftijd van
12 en eigenlijk ook later, dus in de latere tienerjaren, blijven sporten en bewegen.
Daar kan ik geen eenduidig antwoord op geven anders dan dat het natuurlijk heel belangrijk
is dat er een aanbod is dat aansluit bij de wensen van jonge mensen, doordat het in
de buurt is, het makkelijk is en het aansluit bij hun interesses. Wij proberen daarin
ook samen te werken met de Vereniging Sportgemeenten om te zorgen dat het aanbod breed
genoeg is, zodat kinderen zich ook breed kunnen oriënteren om te kunnen blijven sporten.
Als het gaat over het bevorderen van ambitie en talent, laten we het uiteindelijk
natuurlijk vooral aan de sport zelf om dat op een goede manier aan te wakkeren. NOC*NSF
en de sportbonden hebben zowel deelname als talentontwikkeling en topsport vastgelegd
in de visie op jeugdsport en de Topsportstrategie 2032. Volgens mij zijn ze daarmee
op de goede weg. Althans, ik heb daar alle vertrouwen in. Die plannen worden ook ondersteund.
Hoe zorgen we ervoor dat sporten ook leuk is? Mevrouw Van der Plas verwees naar het
weghalen van de scoreborden. Ik voel wel een beetje wat zij zegt, en tegelijkertijd
ga ik daarover geen mening geven. Het is, volgens mij, namelijk inderdaad aan de sport
zelf om ervoor te zorgen dat het aanbod aansluit bij de wensen van, onder andere,
de jeugd. Overigens, voor mensen die verder op leeftijd zijn, is sporten even belangrijk,
dus laten we die niet vergeten. Er is ook best wel veel innovatie bij de verschillende
sporten om ervoor te zorgen dat sporten ook echt leuk en speels is en je zowel kan
winnen als verliezen: kleinere veldjes en andere teamsamenstellingen. Maar het lijkt
mij niet aan mij om daar regels voor te stellen. Het is echt aan de sport zelf om
de aansluiting bij de jeugd goed neer te zetten.
Over buitenspelen gesproken: met name de PVV vroeg hoe het er nu mee staat. Volgens
mij hebben we gehoord dat elke gemeente speeltuinen zou moeten hebben en ook elke
gemeente minstens één speeltuin waar kinderen met een beperking kunnen spelen. Ik
ben nu zelf in gesprek met het SamenSpeelFonds en het SamenSpeelNetwerk om ervoor
te zorgen dat een hierover aangenomen motie in werking treedt. Ik kan in ieder geval
al zeggen dat van de 342 gemeenten er meer dan de helft, namelijk 187, een of meerdere
samenspeelplekken heeft waar ook kinderen met een beperking terechtkunnen. Maar dat
betekent dus ook dat bijna de helft daarin nog wat te doen heeft. Maar daarover zijn
we dus in gesprek.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Zou ik dan misschien aan de Staatssecretaris kunnen vragen of we daarover, als die
gesprekken zijn afgerond, een brief kunnen krijgen, zodat we een beetje weten waar
we staan?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat lijkt mij prima. Volgens mij hebben we echt een gedeelde passie voor dat onderwerp.
Ik kan me dus heel goed voorstellen dat uw Kamerleden daarover geïnformeerd willen
worden. Daarop komen we dus terug.
Het geldt met name voor kinderen in achterstandsgezinnen, maar nogmaals: sport is
gewoon voor alle levensfasen ontzettend belangrijk. Zowel de CDA-, de D66- als de
GroenLinks-PvdA-fractie vroeg ernaar: hoe kunnen we er nou voor zorgen dat ... Nee,
nu zeg ik het verkeerd. Ik zei «achterstandsgezinnen», maar ik bedoel «inwoners met
een beperking». Hoe zorgen we nou dat inwoners met een beperking ook daadwerkelijk
kunnen blijven bewegen en sporten? Wij hebben naar aanleiding van het uitvoeringsprogramma
waar ik in mijn inleiding al aan refereerde, Sporten voor mensen met een handicap
is vanzelfsprekend in 2030, een jaarlijkse monitor. Die monitor houdt zowel bij wat
we doen, als wat de uitkomsten daarvan zijn. Het doet dat op basis van een aantal
kernindicatoren. De voortgang kunnen we eigenlijk pas zien na een aantal metingen:
één meting zegt te weinig. Uiteindelijk zullen we de komende paar jaar zien in hoeverre
wat we doen ook daadwerkelijk bijdraagt aan het vanzelfsprekend maken van sporten
voor mensen met een beperking. Het doel is wel om het zo praktisch mogelijk te krijgen,
dus om ook voorbeelden op te halen in verschillende sporten en verschillende gemeenten.
Er is al wel heel veel aangepast aanbod, maar dat is voor mensen met een beperking
niet altijd goed te vinden. In de strategie waar ik net al naar verwees, proberen
we in ieder geval de zichtbaarheid en de bereikbaarheid van hulpmiddelen, het vervoer
en het multisportaanbod beter zichtbaar te krijgen. Zo kan het beter gevonden worden.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik refereerde aan de doelstelling van de wekelijkse sportdeelname van mensen met een
handicap. In 2023 was de deelname 38% en een jaar later 32%. Maar we zien op meerdere
vlakken dat het stagneert. We hopen natuurlijk allemaal dat het weer beter wordt,
maar waar haalt de Staatssecretaris de hoop vandaan? Met welke acties ... Natuurlijk
zie ik hier en daar wel wat verbeteringen, maar over de hele linie zien we juist,
ook straks met het nieuwe regeerakkoord, dat deze groep nog meer in de verdrukking
kan komen. Daardoor wordt deelname niet meer, maar eerder minder.
Staatssecretaris Tielen:
Sowieso is deze Staatssecretaris een optimistisch persoon. Daar haal ik dus altijd
al heel veel hoop vandaan. Maar dat is natuurlijk niet voldoende. Overigens heb ik
bij het RIVM nagevraagd wat ik moest lezen in de cijfers waarnaar meneer Mohandis
verwijst, 38% en 33%. Zij zeggen dat het geen significant verschil is. Dat betekent
niet dat het veel slechter is, maar dus ook niet dat we kunnen zeggen of het stabiel
is of minder wordt. We hebben dus echt nog een meting nodig om daar een trend in te
kunnen zien. Ik ben het in ieder geval met meneer Mohandis eens dat het lekkerder
was geweest als het cijfer over ’25 boven de 45% zou zijn en wel significant was.
We hebben nu dus echt nog een jaarmeting nodig om dat in kaart te brengen.
Er zijn heel veel acties die wel echt laten zien dat er met veel inzet wordt gewerkt
om sporten meer vanzelfsprekend te maken voor mensen met een beperking. We hebben
natuurlijk zelf ook dat centraal loket voor sporthulpmiddelen. Dat is een van die
acties. Er zijn een aantal interessante initiatieven die daaraan meewerken. Ik ben
daar dus optimistisch over. Maar ik denk dat we pas over een jaar kunnen zien of de
trend zich inderdaad ook ten goede keert.
Mevrouw Huizenga (D66):
U had het onder andere over het ondersteunen van hulpmiddelen als het gaat over sporten
voor mensen met een beperking. Mijn vraag had vooral te maken met het toegankelijk
maken van sportvoorzieningen, dus het wegnemen van drempels om ergens te kunnen sporten.
Ik sprak met Jitske Visser, onze toprolstoelbasketbalster, die ongeveer tien minuten
onderweg is om überhaupt in de zaal te kunnen komen om te kunnen basketballen. Dat
gaat over de toegankelijkheid van die sportvoorzieningen. Misschien kunt u daar nog
wat verder op ingaan. Die toegankelijkheid is namelijk de eerste stap om überhaupt
te kunnen sporten.
Staatssecretaris Tielen:
Ik herken dat. Dat gaat over fysieke toegankelijkheid, en soms ook over maatschappelijke
toegankelijkheid. Ik was in Gouda bij een atletiekvereniging. Daar moeten kinderen
met een beperking inderdaad ook echt wel moeite doen om mee te kunnen doen in het
team. Als dat eenmaal zo is, dan heeft dat een enorm positief effect, zowel voor de
kinderen zonder als de kinderen met een beperking. Zowel de fysieke als inderdaad
ook de maatschappelijke drempels moeten dus worden weggenomen. Het is onderdeel van
het plan rondom toekomstige infrastructuur om ervoor te zorgen dat dat ook daadwerkelijk
mogelijk wordt. Als je erover nadenkt, is het natuurlijk onbestaanbaar dat je er tien
minuten over moet doen om van de toegangsweg tot de zaal te komen. Ik kan me voorstellen
dat dat heel frustrerend is, maar het is ook weer niet zomaar opgelost. Het moet daarom
echt onderdeel zijn van het totale plan.
Dan kom ik toch ook nog even op de sporthulpmiddelen. We hebben, op initiatief van
uw Kamer, het Uniek Sporten-platform in het leven geroepen. Meneer Mohandis vroeg
of dat niet landelijk kan zijn. Het werkt al op landelijk niveau en wordt sinds 2021
gefinancierd door de Rijksoverheid. We zijn afgelopen oktober een pilot gestart voor
het loket voor die unieke sporthulpmiddelen. Ik verwacht dat de resultaten van die
pilot eind dit kalenderjaar beschikbaar zijn. We zijn bezig met het kostprijsonderzoek,
waarnaar mevrouw Van Dijk inderdaad vroeg. Daarvan zien we de resultaten waarschijnlijk
dit voorjaar. Uiteraard informeren we uw Kamer daar ook over, voorzitter.
Dan nog over zwemmen met een handicap. Daarvoor geldt natuurlijk ongeveer hetzelfde:
het is best lastig om toegang te hebben tot zwemles en dat vervolgens ook met een
diploma te kunnen afronden. Best veel gemeenten bieden regelingen voor de meerkosten
van zwemles voor kinderen met een beperking, onder andere met steun van het Jeugdfonds
Sport & Cultuur. Ik kan gemeentes niet dwingen om daar keuzes in te maken; ze mogen
daar zelf voor kiezen. Maar we zien wel dat het gewoon heel effectief is. In het verlengde
daarvan kan ik gemeentes wel aanmoedigen om er extra aandacht aan te besteden. De
rest komt straks bij de amendementen. Ik laat u nog even in spanning, meneer Mohandis.
Ik ga naar het volgende onderwerp: verenigingen, de infrastructuur, de BOSA, de DUMAVA
en al dat soort prachtige afkortingen. De D66-fractie vroeg in hoeverre er inzicht
in is of de BOSA daadwerkelijk tot meer capaciteit, minder wachtlijsten en meer deelname
leidt, en of het geld wel terechtkomt bij de verenigingen. Op dat laatste kan ik bevestigend
antwoorden, want het is echt een subsidieregeling voor amateursportverenigingen. Daar
komt het geld dus ook terecht. Voor clubs die gebruikmaken van de BOSA kan het echt
een verschil maken bij het bouwen, onderhouden en aankopen van sportmaterialen, maar
tot hoeveel meer sportcapaciteit of minder wachtlijsten dat nou leidt, hebben we niet
inzichtelijk en dat kunnen we ook nauwelijks meten.
Mevrouw Huizenga (D66):
Een deel van de sportverenigingen heeft geen eigen accommodatie, maar huurt sporthallen
of zwembaden. Die nemen dus gewoon badwater af. Zij zijn geen eigenaar van hun sportaccommodatie
en kunnen vaak geen BOSA-aanvraag doen. De BOSA gaat dan naar de accommodatie en komt
niet bij de vereniging terecht. Hoe kunnen we er dan voor zorgen dat die werkelijk
bij die verenigingen terechtkomt?
Staatssecretaris Tielen:
De vraag is: welk probleem en welke oplossing? De BOSA is inderdaad echt bedoeld om
accommodaties te creëren en faciliteren. De eigenaar van zo’n accommodatie kan dat
doen. Als daardoor subsidiegeld wordt gebruikt om accommodaties te bouwen of te onderhouden,
kan dat effecten hebben op de huurprijs. Op die manier kunnen verenigingen daar weer
profijt van hebben. Dat kunnen ze dan ook weer doorberekenen in bijvoorbeeld een verlaging
of stabilisering van de contributiegelden. Uiteindelijk is het natuurlijk aan verenigingsbesturen
zelf hoe ze daarmee omgaan, maar op die manier komt het wel bij verenigingen terecht.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik begrijp dat, maar soms blijft het hangen bij de exploitant en gaat de huur van
de accommodatie dus niet omlaag. Dat betekent dat sportverenigingen dan nog steeds
hun contributie gelijk moeten houden of misschien zelfs wel omhoog moeten gooien als
de voorzieningen verbeteren. Dat sluit aan op mijn vraag hoe we ervoor kunnen zorgen
dat het toch terechtkomt bij die sportverenigingen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik verwijs naar mijn vorige antwoord. Ik weet niet wat mevrouw Huizenga als oplossing
zou zien, maar ik zie daar wel weer een hele hoop regeldruk en ingewikkeldheid achter
wegkomen, plus bemoeienis van de Rijksoverheid met particuliere verenigingen. Ik weet
niet precies wat mevrouw Huizenga zou willen doen om dat te kunnen verzekeren. Ik
zie in de praktijk alleen dat het in de meeste gevallen daadwerkelijk effect heeft
op de verenigingen, ook omdat accommodatie-eigenaren er al op die manier in zitten.
Maar kun je dat honderd procent garanderen? Nee, nooit.
Mevrouw Huizenga (D66):
Dit is dan de laatste vraag. Bent u het met mij eens dat we ervoor moeten zorgen dat
die BOSA-regeling zo toegankelijk wordt dat er niet allerlei lagen tussen zitten,
maar er een vereenvoudiging van de aanvraag komt, zodat die uiteindelijk daar terechtkomt
waar die hoort?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat ik het met mevrouw Huizenga eens ben en ik heb tegelijkertijd het gevoel
dat we nu proberen iets af te dekken wat eigenlijk al best afgedekt is, in ieder geval
zoals ik het zie in de praktijk. Alles wat we aan BOSA uitkeren, komt uiteindelijk
op de een of andere manier ook daadwerkelijk bij verenigingen terecht, om de capaciteit
voor elkaar te krijgen van sportvelden, sportzalen, kantines, kleedkamers enzovoorts.
Daar is die regeling echt op ingericht.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw beantwoording.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Huizenga vroeg ook of de aandacht vanuit de BOSA-regeling voor wijken met
gezondheidsachterstanden groot genoeg is. De BOSA maakt eigenlijk geen onderscheid
tussen verenigingen. Die is gewoon gericht op alle verenigingen die bezig zijn met
de bouw en het onderhoud van accommodaties of materialen. Alle verenigingen kunnen
daar dus gebruik van maken.
De VVD vroeg terecht door over de dag waarop de BOSA openging en de website vervolgens
offline ging. Hoe kunnen we zorgen dat er wél zo goed en duidelijk mogelijk gecommuniceerd
wordt, aangezien er op die dag zelf wat onduidelijkheid was? We hebben destijds zowel
op de site als via een BOSA Alert gecommuniceerd. We zullen proberen om dat voor de
volgende keer nog duidelijker te maken. We proberen inderdaad zo accuraat en volledig
mogelijk te communiceren en we blijven daarin verbeteren.
De fractie van GroenLinks-PvdA ziet ...
De voorzitter:
Excuses. Ik zie dat er nog een interruptie is op het vorige punt, van meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Het is natuurlijk iets kleins, maar dit gaat er wel over hoe wij als overheid communiceren.
Ik heb tientallen screenshots gekregen met zo’n code-nog-watmelding, en niet met een
melding dat de website overvraagd was of wat ook maar. Daar wil ik dus nog even op
doorvragen. Heel veel partijen hebben die informatie niet ontvangen, maar hebben gewoon
een foutmelding van die website gekregen. Die vroegen zich dus af: moet ik het misschien
met mijn mobiel of met mijn tablet doen? Volgens mij is die informatie dus niet bij
iedereen even duidelijk aangekomen.
Staatssecretaris Tielen:
Nee, en ik weet ook niet precies wat er op welk moment aan de hand was. Uiteindelijk
is het gefikst. Dit kan bij wijze van spreken gewoon te maken hebben gehad met de
server. Daar kun je niet zo veel aan doen anders dan zorgen dat we, zodra het loket
weer opengaat, geleerd hebben van wat we dit jaar hebben ervaren. Zo kan het elke
keer een beetje beter worden. Maar ik herken wel wat meneer Kisteman zegt en ik ben
het ook helemaal met hem eens. Ik vind dat de overheid zo duidelijk en eenvoudig mogelijk
moet communiceren over dit soort dingen.
De voorzitter:
Dan mag u nu echt verder met de beantwoording van de volgende vraag.
Staatssecretaris Tielen:
De fractie van GroenLinks-PvdA constateerde dat de BOSA niet toegankelijk is voor
sportverenigingen die niet bij een bond zijn aangesloten, en vroeg waarom dat zo is.
Ook op dit punt leren we weer. In een vorige BOSA-versie maakten we gebruik van SBI-codes.
Dat creëerde best wat onduidelijkheid, én creatieve aanvragen, zeg ik maar even eufemistisch.
Toen hebben we dus besloten om de definitie van «amateursport» zo te maken dat die
luidt: de ledenlijst van NOC*NSF en alle deelnemende organisaties van het Platform
Ondernemende Sportaanbieders. Daar zijn namelijk bijna alle verenigingen bij aangesloten.
Op die manier hebben we het aan de ene kant vereenvoudigd en hebben we aan de andere
kant voorkomen dat er gekke dingen ontstaan.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik ga een bijna technische vraag stellen, terwijl het een politiek debat is. Dekt
dit dan alles? Met andere woorden, missen we met de lijsten van NOC*NSF en het POS
niet nog honderden verenigingen? Ik kan het gewoon niet overzien, maar die vraag komt
dan wel bij mij op.
Staatssecretaris Tielen:
Die vraag kwam ook bij mij op. Ik kan het natuurlijk niet helemaal afdekken. Het zal
niet 100,0% zijn, maar het zijn ook niet honderden verenigingen die erbuiten vallen.
Het zou zomaar kunnen zijn dat er tien, twintig verenigingen buiten vallen, maar we
dekken echt 95% tot 99,5% daarmee.
Meneer Mohandis zei dat er ook kleine verenigingen zijn waarvoor de 20% die met de
BOSA-regeling wordt tegemoetgekomen, te weinig is. Dat heeft te maken met het feit
dat de BOSA een btw-compensatieregeling is. Daardoor is die gelieerd aan dat percentage.
De VVD vroeg of er mogelijkheden zijn om gemeenten te helpen middelen beter in te
zetten voor sporthuisvesting. Wij ondersteunen gemeenten met het Integraal Huisvestingsplan
Sport en Bewegen, waarmee gemeenten strategische plannen kunnen maken voor hun sportinfrastructuur
op de langere termijn. Onderdeel van dat plan is een gebiedsgerichte aanpak. Naast
investeringen in geld gaat het ook over het helpen faciliteren van besparingen en
gedragsverandering, bijvoorbeeld korter douchen, zodat de kosten voor verenigingen
omlaaggaan. Gemeenten worden daarin ondersteund.
De heer Kisteman (VVD):
Bedankt voor deze reactie. Uit onderzoek blijkt dat de reserves van gemeenten juist
oplopen en dat die gelden niet ingezet worden voor sporthuisvesting. Het gaat ook
over onderwijshuisvesting et cetera. We zijn in het onderwijs, waar deze Staatssecretaris
straks ook iets van vindt, aan het kijken hoe we die middelen beter kunnen inzetten.
Dit is één voorbeeld daarvan. Hoe kunnen we gemeenten die tegen bepaalde blokkades
aanlopen, vooral de iets kleinere met iets minder kennis en capaciteit, helpen zonder
dat er meteen extra geld nodig is? Het geld ligt daar namelijk gewoon op de plank.
Staatssecretaris Tielen:
Inderdaad. Meneer Kisteman begon erover en toen dacht ik ... Volgens mij noemde meneer
Kisteman een bedrag van 46 miljard of zo, echt een enorm, enorm bedrag. Maar ik snap
heel goed wat hij zegt. Laat ik het zo zeggen: onze intentie is om precies dat te
doen. Onze intentie is om gemeentes te helpen om belemmeringen weg te halen en slimme
keuzes te maken, ook voor de langere termijn. Ik heb de afgelopen maanden ook contact
gehad met zowel VSG als losse sportwethouders van een aantal gemeentes om input te
krijgen. Volgens mij lopen we daar redelijk op de goede weg – maar dat is «wij van
WC-Eend» – en dat zullen we blijven doen. Mocht u andere signalen krijgen, dan horen
we die uiteraard ook graag.
De voorzitter:
Eerst meneer Kisteman en dan mevrouw Van Dijk.
De heer Kisteman (VVD):
Als ik het goed begrijp, wordt er nu met elkaar gesproken en worden er ervaringen
uitgewisseld over de bestaande wegen en paden, maar niet meer dan dat. De kans bestaat
dat, als we volgend jaar weer een rapport krijgen over de gemeentelijke financiën,
de reserves dan nog groter zijn geworden. Er is nu dus geen actief, extra plan bovenop
wat er al wordt gedaan.
Staatssecretaris Tielen:
Die kans is er. Uiteindelijk is het aan gemeentes zelf om om te gaan met hun gezondheids-
en sportbeleid. Ik heb als Staatssecretaris in december de Landelijke nota gezondheidsbeleid
uitgestuurd – dat is een andere wet, maar die ligt in het verlengde hiervan – waarin
gemeentes aan de slag moeten met hun lokale aanpak gezondheidsbeleid. Daar zijn ze
wettelijk toe verplicht. De overtuiging dat sporten en bewegen daar een rol in speelt,
is groot genoeg, ook aan die kant van de Kamer. Het is uiteindelijk aan gemeentes
zelf om te bepalen hoe ze met dat gezondheids- en sportbeleid omgaan. Het is aan gemeentes
zelf om te bepalen wat ze qua huisvesting en ruimtelijke ordening willen doen. Daar
kan ik gewoon niet intreden. Wat ik wel kan doen, is het volgende. Dat is volgens
mij ook waar meneer Kisteman naar vroeg. Als gemeentes tegen belemmeringen aanlopen,
wetten of regels of wat dan ook, dan kunnen wij hen wel ondersteunen om die belemmeringen
weg te halen. Dat gebeurt. Daarvan zei ik, ook op basis van de input die ik heb gekregen,
dat we volgens mij op de goede weg zijn. Maar nogmaals, als meneer Kisteman andere
signalen krijgt, hoor ik die ook graag.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik vind dit een interessante discussie. Ik vraag me af of we precies hetzelfde bedoelen,
want zoals ik mijn collega begrijp, zegt hij: er ligt heel veel incidenteel geld op
de plank bij de gemeentes, maar dat mogen ze niet overal voor inzetten, omdat ze te
maken hebben met de Financiële-verhoudingswet, die regelt wat wel en niet mag. Als
die belemmeringen blijven bestaan, blijft dat geld op de plank liggen, terwijl die
gemeenten roepen om handvatten om meer te kunnen investeren. Volgens mij is dat wat
mijn collega van de VVD bedoelt en ik ben ook heel benieuwd naar het antwoord daarop.
Staatssecretaris Tielen:
Heel eerlijk: dat ligt eigenlijk buiten mijn zicht. Dat ligt buiten mijn zicht. Mijn
rol en verantwoordelijkheid zijn erin gelegen om met gemeentes te kijken hoe we ervoor
kunnen zorgen dat gezondheids- en sportbeleid daadwerkelijk worden opgepakt, waarbij
we kijken naar het wegnemen van belemmeringen enzovoort. Het punt van de financiële
verhoudingen ligt echt bij Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik begrijp dat antwoord, maar als we met elkaar een probleem willen oplossen, waarvoor
we willen investeren in sport en bewegen, lopen we vaak tegen dingen aan. Een van
de belemmeringen is financiering: aan de ene kant hebben we geld staan; aan de andere
kant krijgen we het niet los. Dan baal ik altijd een beetje van het «schotdenken»,
om het zo maar te noemen. Ik zou het fijn vinden als we als Kamer iets meer gevoel
krijgen bij wat er wél zou kunnen, zodat onze gemeentes hierbij geholpen kunnen worden.
Staatssecretaris Tielen:
Ik hou ook niet van schotten, maar ik hou er wel van om de verantwoordelijkheden te
leggen waar ze liggen. Heel eerlijk: ik vind echt dat het aan gemeentes zelf is om
dit soort beleid in te vullen. Ik ga niet bepalen welke investeringen gemeentes wel
en niet moeten doen. Dat is echt aan gemeentes zelf. Zij hebben meer vraagstukken
dan alleen maar sport en gezondheid. Over een maand zijn er trouwens weer verkiezingen
in de gemeentes.
Over verenigingen gesproken: dan hebben we het ook over heel veel vrijwilligers. Daar
is door de Kamerleden ook aandacht aan gegeven. Het is ook altijd goed om extra te
benoemen hoeveel mensen er naast hun baan en gezin tijd steken in verenigingsbesturen,
in trainen, in het draaien van kantinediensten enzovoort enzovoort. Ik herkende het
bedrag dat mevrouw Van Dijk noemde niet meteen, maar ik kan me heel goed voorstellen
dat we daarmee met z’n allen, als ouders en vrijwilligers, enorm veel waarde toevoegen
aan de sport en daar een bijdrage aan leveren.
De fractie van D66 vroeg of we de signalen herkennen dat alle regels en subsidieprocedures
een beetje een energy bleeder zijn bij al die vrijwilligers. Dat herken ik wel. Daarom
hebben we eind 2024, dus ruim een jaar geleden, de concrete aanpak regeldruk gemaakt.
Met «we» bedoel ik dan de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, de
Staatssecretaris Rechtsbescherming, de Minister van Financiën en de Staatssecretaris
Fiscaliteit en Belastingdienst. Die aanpak is bedoeld om voor vrijwilligers, breder
dan alleen sport, aan de slag te gaan, om tien wettelijke verplichtingen te verminderen
en daarmee ook bestuurders van sportverenigingen te «ontlasten». We verwachten voor
de zomer de Kamer te informeren over de voortgang van die aanpak. De Minister van
Langdurige en Maatschappelijke Zorg zal die dan waarschijnlijk naar u toesturen.
Daarvan is de Wet markt en overheid, waar meneer Mohandis naar vroeg, overigens geen
onderdeel. Die zit niet bij die tien wettelijke verplichtingen. Op dat punt moet ik
hem dus helaas teleurstellen.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar dit is dus wel het probleem. De Staatssecretaris zegt: we gaan kijken hoe
we het zo kunnen ont-regelen dat sportverenigingen niet met dit soort dingen worden
opgezadeld. Er ligt echter wel een voorstel waardoor sportverenigingen weer de dupe
dreigen te worden. Dus als dat niet echt breed wordt aangevlogen in de brief die het
kabinet ons voor de zomer stuurt, ook al is dat met de beste bedoelingen, blijft dat
wel op een ongewenste manier doorgaan. Ik ben dus wel heel erg benieuwd waarom het
niet heel breed wordt aangevlogen en waarom bepaalde wetten buiten die scope vallen.
Het kabinet moet alle wetsvoorstellen meenemen en zich continu afvragen: toetsen we
dit, is het goed getoetst aan de rol van vrijwillige bestuurders en worden zij niet
opgezadeld met controle, regels of taken die niet horen bij vrijwillige bestuurders?
Ik maak me er gewoon zorgen om als ik hoor dat sommige dingen buiten de scope van
deze verkenning vallen. Het zou wat mij betreft niet moeten.
Staatssecretaris Tielen:
Ik voel heel erg met meneer Mohandis mee, overigens ook uit eigen ervaring, en tegelijkertijd
zijn de wetten en regels in Nederland bedoeld voor iedereen. Ik ben tegen wetten om
wetten te maken, dus hoe minder wetten, hoe beter, zou ik bijna zeggen, maar we hebben
ze wel gewoon nodig. De vraag is dan: hoe zorg je ervoor dat wetten aan de ene kant
doelmatig zijn – daar hebben we meestal wel veel aandacht voor – en dat ze aan de
andere kant niet onnodig belemmeren dat dingen gedaan kunnen worden, zeker niet voor
vrijwilligers en leden van verenigingsbesturen? Dat laatste is waar de heer Mohandis
eigenlijk om vraagt. De Wet markt en overheid bestaat volgens mij al best wel lang.
Die zit toevallig niet bij deze tien wettelijke verplichtingen, die in gezamenlijkheid
vanuit het Rijk op een rijtje zijn gezet als belangrijkste belemmeringen die er nu
zijn voor vrijwilligers in alle sectoren. Of die wet daar wel onder zou moeten vallen,
weet ik niet; het is nu te vroeg om daar ja of nee op te zeggen.
Op het punt van verenigingen en vrijwilligers vraagt de fractie van het CDA of we
iets meer weten over de vrijwilligersverzekering en de secundaire verzekering. Ik
heb bij zowel de Vereniging Sport en Gemeenten als de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
geprobeerd meer informatie over deze vraag van mevrouw Van Dijk te achterhalen; dat
is best wel moeilijk. We kunnen nu namelijk geen inzicht krijgen in hoeveel premie
er specifiek bij sportverenigingen wordt geïnd. Ook kunnen we niet inzichtelijk krijgen
hoeveel schadevergoeding zij uitkeren. Dan zou je zeggen: laten we het de verzekeraars
vragen. Die kunnen die informatie echter niet op zo’n detailniveau delen, onder andere
omdat het dan natuurlijk over concurrentiële bedrijfsinformatie gaat. Daar hebben
we dus geen inzicht in. De VNG kan dat niet zien, omdat die geen contractpartij is,
want het zijn natuurlijk de afzonderlijk gemeenten die contractpartijen bij de verzekeraars
zijn.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Mijn punt is dat we als samenleving voor die verzekering betalen. Het is gewoon een
heel belangrijk beschermingsmechanisme, maar ik zou dan ook graag, ook vanuit mijn
controlerende rol, willen weten: wat doe het dan en heeft het ook echt effect? Ik
snap dat het moeilijk is, maar ik vind het wel een onbevredigend antwoord waardoor
ik tegen al die verenigingen moet zeggen: ik heb geen idee of die verzekering wel
of niet goed werkt. Er wordt wel voor betaald, maar ik heb geen idee. Als ik daarover
nadenk, vind ik het eigenlijk gewoon best wel lastig te verkroppen. Ik zou willen
vragen om toch nog een keer een inspanning te verrichten om er wel achter te komen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik herken die wens; die heb ik ook heel vaak: ik wil het gewoon zien, het liefst in
tabellen en grafieken. Ik weet ook niet of het aan ons als Rijksoverheid is om dat
inzicht te geven, juist omdat wij natuurlijk iets verder af staan van de verenigingen
dan bijvoorbeeld de bonden. Ik kan me namelijk ook nog voorstellen dat er echt wel
verschil is tussen de diverse vormen van sport. Dat is dus mijn antwoord; ik heb nu
even geen oplossing voor mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Van Dijk vroeg ook naar de rechtsbijstand en waarom die module rechtsbijstand
niet standaard is meegenomen. Zij heeft daar gelijk in; het is een optioneel onderdeel
ervan. Die vrijwilligersverzekering blijft gewoon een secundaire verzekering. Vandaar
dat het gewoon optioneel is; elke gemeente kan daar zelf voor kiezen.
Het verzekerde bedrag wordt nu aangepast op basis van die herijking. Mevrouw Van Dijk
vroeg: kunnen we niet elke vijf jaar een herijking doen? Ik zie dat nu niet. Ik vind
het ook wat om nu te gaan toezeggen dat het over vijf jaar weer moet. Je kan je voorstellen
dat je het eens in de zoveel tijd doet. Ik weet niet of dat om de vijf jaar moet of
dat het op basis van signalen of wat dan ook moet gebeuren. Ik heb nu niet zoiets
van: dat moeten we zo gaan doen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Mijn punt is het volgende. Toen we het als Kamer aankaartten, bleek inderdaad dat
het toch weleens goed was om er een keer opnieuw naar te kijken omdat de verzekerde
bedragen veel te laag waren. Nu voelt het een beetje als «als de Kamer niet roept,
dan doen we niks.» Daarmee lopen we het risico dat we over vijf jaar weer tegen elkaar
zeggen «mwah, we hadden misschien toch eens wat beter moeten kijken». De bouwkosten
zijn weer ontzettend gestegen en noem maar op. Herziening is gewoon wel nodig.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap dat ook wel. We doen dat met wetten en zo eigenlijk ook, alleen weet ik niet
hoe ik dat nu zou moeten vastleggen. Ik wil dat dus best toezeggen, maar wij zijn
als Rijksoverheid niet de enige partij in dit vraagstuk. Ik wil het toezeggen, maar
laat me nog even terugkomen op hoe dat er dan uitziet, zodat mevrouw Van Dijk over
vijf jaar niet hoeft te zeggen: sorry, ik had een toezegging gekregen op 9 februari
2026, maar ik zie er niks meer van terug. Dat moet ik dus even op een rijtje zetten.
Ten aanzien van de BOSA waren er ook enkele vragen over het eerdere debat dat we daarover
hebben gehad, met daarin het idee van een revolverend fonds. De vraag was: zouden
we iets moeten of kunnen doen met een soort revolverend fonds? Ik heb een brief gestuurd
– dat doe ik weleens – die heet Beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur
en ruimte voor sport en bewegen. Daarin ben ik ingegaan op de inrichting van een revolverend
fonds, met daarin een aantal mogelijke richtingen voor scenario’s. Die scenario’s
worden nu uitgewerkt. Daarin gaan we ook verkennen of, en onder welke voorwaarden,
middelen vanuit de kapitaalmarkt aangetrokken zouden kunnen worden. Dan kunnen we
die scenario’s verder uitwerken en op basis daarvan kijken hoe een revolverend fonds
nou daadwerkelijk een bijdrage zou kunnen leveren aan de investeringen in de sportinfrastructuur.
Ik ga ervan uit dat mijn ambtsopvolger u daar nader over zal informeren en wellicht
ook met een besluit of in ieder geval een voorstel voor een besluit zal komen. Het
loopt nog steeds, zou ik maar willen zeggen.
De voorzitter:
Is dat een toezegging?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat is een toezegging die eigenlijk al gedaan was. Het is dus geen nieuwe brief.
Het is een lopende zaak.
Er was ook een motie aangenomen van onder andere de Socialistische Partij en GroenLinks-PvdA
over een meer landelijke aanpak van de energietransitie of de verduurzaming van sportaccommodaties.
In de landelijke aanpak van de Routekaart verduurzaming sport werk ik samen met de
gemeenten, de sportorganisaties en de kennispartners aan doelen voor verduurzaming
van de sportsector in 2030. Daarnaast wil ik dat verduurzaming ook lokaal, in alle
gemeentes dus, versneld wordt. Dat doen we via de lokale integrale huisvestingsplannen
sport en bewegen, waar we samen met VSG en VNG aan werken.
Dan de vraag van mevrouw Van der Plas over Thialf. Thialf is een van onze fantastisch
mooie topsportaccommodaties, maar uiteraard heeft niet alleen Thialf grote financiële
uitdagingen. We kijken op dit moment welke ondersteuning vanuit VWS het beste past
bij de opgave op het gebied van topsportpluskosten. Dat is breder dan alleen onze
schaatstempel en dat betekent ook dat een incidentele bijdrage aan Thialf op dit moment
niet aan de orde is. Mevrouw Van der Plas verbond het wel, en toch ook weer niet,
aan de kandidatuur voor de winterspelen van 2030. Ik zou het echt los daarvan willen
zien. Nogmaals, niet alleen Thialf worstelt met vraagstukken rondom financiën en structuur.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het amendement is niet bedoeld om de Olympische Spelen hiernaartoe te halen; dat heb
ik ook uitdrukkelijk erbij gezegd. Parallel aan dit amendement loopt wel een grote
wens. De Staatssecretaris heeft zelf ook gezegd dat dit een unieke kans is voor Nederland.
Thialf heeft fantastische faciliteiten en het zou een eer zijn. Dan is het natuurlijk
wel nodig dat er geld beschikbaar komt voor de verdere exploitatie van het Thialfstadion,
maar ook om ervoor te zorgen dat er nog onderhoud kan worden gepleegd. We hebben het
over een heel duurzaam schaatsstadion, iets wat we allemaal graag willen. Bovendien
heeft Thialf ook een heel grote functie in de regio. Het brengt mensen bij elkaar,
kinderen leren er schaatsen, er worden toptalenten ontwikkeld. Voor heel veel mensen
zal € 350.000 als een megabedrag klinken, maar op de totale begroting is het gewoon
peanuts. Voor een stadion als Thialf met al zijn ambities en al zijn verduurzaming,
waarmee we mogelijk ook nog in 2030 het schaatsdeel van de Olympische Spelen binnen
kunnen halen, vind ik zo’n bedrag verklaarbaar en ook te aanvaarden. Ik vind het jammer
dat de Staatssecretaris dit best snel van tafel veegt, terwijl er aan de andere kant
heel grote woorden zijn over hoe belangrijk het allemaal is. Ik wil de Staatssecretaris
dus toch de overweging meegeven, met alles wat ik hier zeg, want ik vind dit echt
te makkelijk. Het kan ook gewoon. Er is een dekking voor. Het is niet zo dat het niet
gedekt is. Het kan gewoon ergens vandaan gehaald worden.
Ik vind het dus jammer, want dan blijft het bij woorden. Dan staan we straks allemaal
te zwaaien met een Nederlands vlaggetje en te juichen met een oranje sjaaltje, maar
we hebben er geen cent aan bijgedragen. Ik vind dat de overheid hier wel een verantwoordelijkheid
heeft.
Staatssecretaris Tielen:
Ik maak hier bezwaar tegen, want mevrouw Van der Plas zegt eerst dat ze het niet aan
elkaar wil verbinden, en vervolgens verbindt ze het helemaal aan elkaar. Het staat
echt los van elkaar. Aan de ene kant gaat het over de financiële uitdagingen die Thialf
überhaupt heeft. Daar hebben we als Rijksoverheid de afgelopen jaren incidenteel al
4,5 miljoen euro aan bijdragen. Daarnaast – daar heeft mevrouw Van der Plas helemaal
gelijk in; begrijp me niet verkeerd – hebben wij als Rijksoverheid ook onze rol om
samen met NOC*NSF te kijken wat we kunnen doen om de winterspelen van 2030, die plaatsvinden
in de Franse Alpen, voor een deel in Thialf te laten plaatsvinden. Maar dat staat
echt los van elkaar. Rondom de winterspelen hebben we namelijk afspraken met de provincie
Fryslân, met de gemeente Heerenveen en met andere betrokken partners. Dat is een apart
project. Ik doe er heel veel aan om te zorgen dat we als Nederland kunnen laten zien
hoe fantastisch die schaatstempel in Heerenveen is en dat dat echt de allerbeste plek
om de langebaanschaatswedstrijden te houden. Maar dat is een ander vraagstuk. Dat
is een ander project en er zitten ook andere financiën aan. Als mevrouw Van der Plas
mijn brief daarover goed heeft gelezen, dan heeft ze ook gezien dat we daar echt mee
bezig zijn. Maar ik vind het ten opzichte van alle andere topsportaccommodaties in
Nederland, die ook allerlei vraagstukken hebben, niet terecht om er nu eentje uit
te lichten en te zeggen dat we daar geld aan geven, want er zijn meer echt goede topsportlocaties.
Dat is wat ik net zei: we kijken nu vanuit VWS wat al die topsportpluslocaties nodig
hebben, wat wij daar wel en niet in kunnen doen en hoe we dat aanpakken. Maar dit
is een breder vraagstuk dan alleen maar Thialf.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb gezegd dat er parallel aan mijn amendement een aanvraag loopt om het schaatsgedeelte
van de Olympische Spelen te krijgen. Die loopt daar parallel aan. Daar kan ik niks
aan doen; ik heb die aanvraag niet gedaan maar constateer gewoon dat dit is gebeurd.
In mijn amendement staat nergens: geef ons € 350.000 om het schaatsdeel van de Olympische
Spelen te organiseren. Dat staat er gewoon helemaal niet in; dat bedrag wordt daar
niet aan gekoppeld. Dit amendement gaat wél over de toekomstbestendigheid van het
Thialfstadion. Dat is gewoon een feit. Er zijn destijds afspraken gemaakt dat de KNSB
dit bedrag zou opbrengen, of in ieder geval € 300.000. De KNSB is daar niet toe in
staat, om welke reden dan ook. Daardoor ontstaat er een structureel tekort in de exploitatie.
Daar is dit amendement voor bedoeld. Als je hier geld in steekt, wordt het stadion
toekomstbestendig en kun je bij het onderhoud verder verduurzamen. Dan maak je het
stadion in alle stappen die daarna volgen geschikt voor eventueel het schaatsdeel
van de Olympische Spelen. Dus nogmaals, ik heb nergens gezegd dat het geld bedoeld
is voor de Olympische Spelen; dit geld is bedoeld om Thialf gewoon toekomstbestendig
te maken. En ik heb ook heel veel andere redenen genoemd: regionale verbinding, de
kinderen die daar schaatsen leren, het sporten en bewegen. Thialf heeft daar echt
een heel grote functie in. Dat is de reden van mijn amendement.
Staatssecretaris Tielen:
Zeker, dat is ook zo. Maar daar staat Thialf niet alleen in. Er zijn meer topsportpluslocaties
in Nederland die een regionale, landelijke, soms internationale functie vervullen
voor een bepaald deel van de sportsector. Ik vind het voorbarig om nu te zeggen: we
gaan Thialf steunen en de rest zien we wel. Wij zijn nu vanuit VWS met al die topsportpluslocaties
aan het kijken wat er nodig is, welke uitdagingen er liggen en wat we wel en niet
kunnen doen. Ik vind dit echt een breder, landelijk vraagstuk en vind het voorbarig
om er nu één locatie uit te lichten en daar al een tegemoetkoming voor neer te zetten,
ook wetende dat Thialf de afgelopen jaren vanuit VWS ondersteund is met 4,5 miljoen
euro.
De voorzitter:
Dan kunt u uw beantwoording voortzetten.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter. Ik ga naar het volgende mapje: sociaal veilige sport. «En integere sport»
zou ik er bijna bij zeggen, of «eerlijke sport» of hoe dan ook. Er waren vragen van
zowel VVD als CDA over het wetsvoorstel Integere sport en de oprichting van Integere
Sport Nederland als organisatie. Er is het afgelopen najaar inderdaad een internetconsultatie
geweest. Daar zijn 30 heel uitgebreide reacties op gekomen. Een aantal van 30 valt
wel mee als je naar sommige andere wetsvoorstellen kijkt, maar het zijn wel heel uitgebreide
reacties. Die zijn we nu aan het verwerken. We hopen de reacties de komende maanden
zodanig te verwerken dat het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State kan.
Daarna kan u er dan niet alleen kennis van nemen maar als medewetgever er ook vorm
aan gaan geven.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geen interruptie, maar een checkvraag: is het blok over de sportverenigingen
helemaal voorbij? Er zijn heel veel vragen gesteld over de ombudsfunctie, het aflopen
van het Sportakkoord en de ombudsfunctie van sportverenigingen. Of komt dit in een
ander blok?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb ze wel gezien. De heer Mohandis stelt terecht deze vraag.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik ga niet over uw volgorde, maar ... Tja ...
De voorzitter:
Ik stel voor om dit de rest van de beantwoording even in gedachten te houden.
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind ombudsvragen wel mooi bij het blokje overig passen.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het geen overig punt, maar als u het daar wilt doen, is dat prima.
Staatssecretaris Tielen:
Oké. Ik heb ze gezien en heb ze waarschijnlijk zelf in een verkeerd mapje gestopt.
De voorzitter:
Dan hebben we ook nog interrupties van mevrouw Van Dijk en de heer Kisteman.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik wil even terugkomen op de topsportaccommodaties. Ik heb de discussie beluisterd,
en ik moest er heel even op kauwen. Ik zit al iets langer in de sportcommissie. In
2021 hebben we ook een motie ingediend over Thialf, omdat er zorgen waren. Ik zou
de Staatssecretaris willen vragen of de signalen die zij krijgt dusdanig zijn dat
we een enorm probleem hebben voordat die brief naar de Kamer gaat komen, die breed
gaat over de topsportaccommodaties.
Staatssecretaris Tielen:
Ik check dit even. We hadden het hier vorige week in de voorbereiding over. Die signalen
hebben wij niet. Volgens mij is het dus oké om die verkenning breed te doen en daarmee
naar uw Kamer te komen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik denk dat het goed is om überhaupt deze verkenning breed te doen en die informatie
naar de Kamer te laten komen, maar ik zou de Staatssecretaris dan wel willen vragen
om die check nog even te doen in Friesland, zodat we niet alsnog enorm verrast gaan
worden.
Staatssecretaris Tielen:
Fair. Ja.
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij was de Staatssecretaris bezig met de wet over het integriteitscentrum,
als ik het goed heb. In haar beantwoording zei ze «ergens voor de zomer». Begrijp
ik het dan goed dat het idee is om die wet voor de zomer in te dienen bij de Raad
van State en ermee verder te gaan? Is dat wat de Staatssecretaris wil zeggen?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat is de intentie, inderdaad. Dat is om een paar redenen. Punt één: de Kamer
heeft vaker gevraagd om deze wet. Ik zei net al dat we van mij niet overal wetten
voor hoeven te hebben, maar volgens mij is het een Kamerbreed gedeelde wens om wat
haast achter die wet te zetten. Nogmaals, er zijn best veel reacties. Die moeten we
goed verwerken. U heeft net ook nog een aantal vragen over het wetsvoorstel gesteld,
die ik zal beantwoorden. We hopen rond de zomer met het wetsvoorstel naar uw Kamer
te komen, even afhankelijk van hoelang de Raad van State erover doet.
Er waren een aantal vragen over het eindrapport Achter de coulissen, rondom sociale,
veilige en eerlijke danssport. De fractie van GroenLinks-PvdA vroeg waarom het zo
lang heeft geduurd voordat het rapport gepubliceerd werd. Er moesten een aantal formele
stappen worden doorlopen om de beoogde leden van de commissie formeel aan te stellen.
Dan gaat het bijvoorbeeld over privacywetgeving, een screeningsprocedure en dergelijke
formaliteiten. Vanaf mei 2025 heeft de commissie eraan gewerkt en eind 2025 is het
rapport dus opgeleverd.
Meneer Mohandis vroeg naar het volgende. Er zijn 28 van de 33 aanbevelingen niet overgenomen,
of er is niets mee gedaan. Hoe zit dat? Mijn ministerie en dat van OCW hebben in de
rapportage van de Opvolgingscommissie Dansen toegelicht hoe invulling te geven aan
de maatregelen die genomen zijn. Daarbij is over de volle breedte van het beleid gerapporteerd.
We zijn voornemens om nog een beleidsreactie op het rapport te geven. Daar zal dan
nogmaals aan worden gerefereerd.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het functioneren van de Alliantie Dans Veilig en
zijn de beide ministeries van plan om de financiering voort te zetten? Zoals ik ernaar
kijk, ben ik positief over de samenwerking met die alliantie. Deze wordt met één jaar
verlengd. Zo kunnen ook de opbrengsten van de werkzaamheden overgedragen worden naar
alle betrokken partijen in de danssector. Op die manier verwachten we dat de resultaten
geborgd kunnen worden en dat het veld daarmee aan de slag kan.
Klopt het dat de onderzoekscommissie wordt opgeheven en, zo ja, waarom? Het klopt
in ieder geval dat het eindrapport zowel bij de Minister van OCW – daar werd al naar
verwezen – als bij mij ligt. In de beleidsreactie, die het volgende kabinet zal geven,
zal hier wat uitgebreider bij stil worden gestaan. We hebben bij het instellen van
de commissie al afgesproken dat de commissie tijdelijk zou zijn, tot en met het eind
van afgelopen kalenderjaar. Daarmee is dat ook bekrachtigd.
Dan over voetbal. Ik kom straks ook nog over wielerkoersen en matchfixing te spreken
in dit blokje. De fractie van de BBB vroeg naar de maatregelen in het nieuwe coalitieakkoord.
Die laat ik echt aan de nieuwe coalitie en daar ben ik in deze rol niet een onderdeel
van. De inzet van politie bij voetbalstadions is daarnaast vooral een vraagstuk voor
Justitie en Veiligheid.
De CDA-fractie vroeg naar beveiligers en de Wet particuliere beveiligingsorganisaties.
Ook voor die vraag moet ik u toch doorverwijzen naar Justitie en Veiligheid. Daar
is men namelijk verantwoordelijk voor de Wet particuliere beveiligingsorganisaties
en recherchebureaus. Als die aangepast moet worden, dan is het toch handig om dat
bij Justitie en Veiligheid neer te leggen. Laat mij dit moment nog wel even pakken
om te benadrukken hoe erg het is dat er incidenten in voetbalstadions zijn. Het is
heel belangrijk dat voetbal leuk is om met z’n allen te bekijken, ook als je bijvoorbeeld
kleine kinderen hebt.
Dan de wielersport. De Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie heeft samen met andere
betrokken partijen gewerkt aan een landelijke richtlijn voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars;
dat is een heel mooi lang woord voor scrabble. Eind dit jaar zal die richtlijn worden
geëvalueerd. Dat gebeurt samen met de politie. Uiteindelijk gaat de burgemeester samen
met het lokale gezag over het eventueel verlenen van vergunningen voor wielerkoersen.
De vraag van het CDA was: worden er nou meer of minder wielerkoersen georganiseerd?
Ik kan zeggen dat er in 2026 meer wielerkoersen op de planning staan dan in 2025,
gekeken naar de officiële wielerkalenders. Uiteraard vallen daaronder de gewone klassiekers
zoals we die kennen, zoals de Amstel Gold Race en de Ronde van Overijssel, maar ook
andere, zoals vorige week nog de wereldkampioenschappen veldrijden in Hulst. Er is
dus een volle agenda voor alle fietsliefhebbers.
Het CDA had een aantal vragen over matchfixing. Hoe kan je van een club verwachten
dat die effectief iets doet met matchfixing? De Kansspelautoriteit heeft aangegeven
dat de meeste meldingen van matchfixing in de sport over het buitenland gaan. Het
klinkt misschien stom, maar dan hoeven we er in de Nederlandse sport iets minder mee
te doen. Vorig jaar waren er twaalf meldingen, waarvan drie in Nederland. Die zijn
ontvangen door de Kansspelautoriteit en hadden betrekking op voetbal. Deze informatie
is doorgegeven aan en afgestemd met de KNVB. De betreffende sportbond is dus geïnformeerd.
Mevrouw Van Dijk vroeg ook of het niet eens tijd was om het onderzoek naar matchfixing
uit 2013 opnieuw te doen. Nou, dat loopt. We zijn nu bezig met dataverzameling. Dit
hele jaar worden er data verzameld. De verwachting is dat daar in 2027 een volledig
rapport over verschijnt. Ik denk dat we dat even af moeten wachten, maar het loopt
dus wel. Tot zover het blokje sociaal veilige sport.
Dan kom ik bij het blokje topsport. Alhoewel we het al best wel een beetje over topsport
hebben gehad, heb ik daar toch een aantal specifieke vragen over gekregen, onder andere
van D66 over de mogelijkheden voor loopbaan- en onderwijsbegeleiding voor topsporters.
Er zijn nu al best veel samenwerkingsmogelijkheden daarvoor. NOC*NSF biedt begeleiding
en coaching aan topsporters met een status of topsporters die tot twee jaar geleden
een status hadden. Het kan bijvoorbeeld gaan om begeleiding op maat, een transitie
naar een volgende carrière, flexibel onderwijs of een bedrijvenpool voor werkervaringsplekken.
Niet alle begeleiding is voor iedereen beschikbaar. Het hangt natuurlijk ook af van
individuele wensen en verwachtingen. NOC*NSF is daarnaast genoodzaakt om keuzes te
maken in wat ze in totaal kunnen bieden.
Mevrouw Huizenga (D66):
U geeft aan: sporters met een status of sporters die twee jaar terug nog een status
hadden. Die A-status is altijd heel specifiek, maar er zit ook een groep onder die
net niet binnen die status valt. Zij trainen dus net zo hard en investeren net zo
veel, maar krijgen die ondersteuning niet. Wat kunnen we voor die groep doen, in samenwerking
met het onderwijs en het bedrijfsleven, zodat ook die groep, die er evenveel tijd
aan besteedt en eigenlijk hun carrière stilzet om te sporten, daar aandacht voor krijgt?
Staatssecretaris Tielen:
De vraag van mevrouw Huizenga is: hoe kunnen we die groep ook bedienen? Het is dus
al lastig om die statusgroep volledig te bedienen. Het is ook heel erg afhankelijk
van individuele keuzes, verwachtingen, wensen en talenten enzovoort. Ik heb daar dus
geen eenduidig antwoord op.
De PVV vroeg op welke wijze topsporters structureel worden ondersteund en of dat beter
kan. Dit is een belangrijk thema. Het Strategisch kader topsport 2032 is een samenwerkingskader
– is dat een woord? – tussen VWS, NOC*NSF en VSG, de Vereniging Sport en Gemeenten.
NOC*NSF werkt samen met de sportbonden aan een nieuw voorzieningenmodel, waarbij wordt
gekeken naar een basisinkomen voor topsporters. Dat geldt ook voor paralympische sporters,
zeg ik graag met nadruk. Uiteindelijk ligt dat model bij mijn opvolger. Die zal daar
dan een beslissing over nemen en komt daar bij u op terug.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik heb al een motie klaarliggen. Die gaat onder andere hierover. Dit ligt een beetje
in het verlengde van mevrouw Huizenga. Het stipendium blijkt namelijk niet voldoende
te zijn. De vraag is een beetje: kunnen we onderzoeken hoe dat beter ingezet kan worden?
Uiteraard moet het niet naar mensen gaan die zich heel goed kunnen redden. Die zijn
er natuurlijk ook. Er zijn gelukkig ook sporters die dat heel goed kunnen. Het is
echt voor de mensen die in de top en de subtop zitten, alles moeten laten liggen en
soms zelfs moeten afhaken. Dat is heel jammer, want daardoor raken we heel veel talenten
kwijt die anders misschien wel een medaille voor ons kunnen binnenhalen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat vraagstuk is meegenomen in de voorbereiding van NOC*NSF voor dat voorzieningenmodel.
Dat gaat op een gegeven moment dus naar mijn opvolger. Die gaat daarover, vermoed
ik, met uw Kamer in gesprek op basis van het besluit dat ze daarover zal voorstellen.
Ook de GroenLinks-PvdA-fractie, bij monde van de heer Mohandis, had vragen over topsport,
met name over de eenmalige bijdrage aan Thialf. O, die vragen hebben we al gehad.
We hebben het al over Thialf gehad. Ik zie meneer Mohandis ook knikken, dus hij heeft
het antwoord al gehoord.
Voorzitter. Dan zijn we bij mijn blokje overig. Ik beloofde al om de ombudsfunctie
in het blokje overig te bespreken, ook al valt die onder verenigingen. Het ging met
name over de motie waar, volgens mij, zowel mevrouw Van Dijk als meneer Mohandis al
een beetje een voorschot op leken te nemen. Die heb ik nog niet helemaal gezien. Wat
ik maar even doe, in reactie op wat u daarover heeft gezegd ... Als ik terughaal naar
wat u daarover zei, gaat het volgens mij over makkelijke, laagdrempelige steun of
een ombudsfunctie vanuit de gemeenten of de sport om sportbestuurders te helpen in
hun zoektocht door de regels en subsidies die er allemaal zijn. We hebben er al verschillende,
zoals BOSA en DUMAVA. Daarnaast heb je verzekeringen en rechtsbijstand enzovoort enzovoort.
Dat wil men meer samenpakken. Maar misschien moet ik gewoon uw motie afwachten, voordat
ik hier zit mee te denken met de Kamerleden.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Het gaat erom dat we zien dat zowel NOC*NSF aan de ene kant met services, en het RVVB
aan de andere kant met meer praktische ombudsondersteuning, elkaar heel goed weten
aan te vullen. Je ziet de afgelopen jaren dat dat een meerwaarde heeft in de signalen
die wij als Kamer krijgen, ook van sportverenigingen zelf die veel meer bij dit soort
debatten aanwezig zijn, maar ons ook rechtstreeks weten te vinden met knelpunten die
zij ervaren. Zo’n ombudsfunctie heeft gewoon heel veel waarde om ons scherp te houden.
De vraag is: hoe gaan we dat borgen in de toekomst? Dat is de simpele vraag en er
ligt een verzoek van twee fracties om het daadwerkelijk te borgen. In dit geval gaat
het erom hoe het kabinet, samen met RVVB en NOC*NSF, deze ombudsfunctie voor sportverenigingen
verder versterkt en borgt voor de toekomst. Dat is een beetje de vraag, strekking
en gedachte hierachter.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. U, of mevrouw Van Dijk, refereerde in uw bijdrage aan mensen die op zaterdagochtend
de telefoon opnemen. Wat we met het aflopend Sportakkoord, waar u naar verwees, voor
ogen hebben en hadden, was ook een landelijk dekkend netwerk met lokale sport- en
beweegloketten. Daar zit dan ook deels een ombudsfunctie in, naast zo veel mogelijk
coördinatie van hulpvragen en klachten. We moeten nu gaan kijken hoe we dat doortrekken
en wat we daarover hebben afgesproken. Volgens mij is het een goed idee om daar het
door u genoemde RVVB en bestuursleden van sportverenigingen bij te betrekken om te
kijken hoe dat vorm kan krijgen. Zo kunnen we van daaruit een soort deltaplan voor
sportverenigingen, waar u volgens mij eerder om gevraagd heeft, vormgeven. Dat lijkt
me wel typisch iets voor het nieuwe kabinet, maar volgens mij is de richting die u
voorstelt er een die zeker ondersteuning verdient.
Meneer Mohandis vroeg ook naar de doelen als het gaat over het regeerakkoord. Maar
ja, zoals ik net al zei, ga ik daar helemaal niks over zeggen. U zegt: «dat mag wel».
Dat mag zeker, straks bij de koffie.
De heer Mohandis vroeg ook naar de sportwet. Hij verwacht een contourenbrief in het
voorjaar. Volgens mij heb ik inderdaad in juli gezegd dat de uitkomsten van de lopende
verkenning naar een mogelijke sport- en beweegwet in het voorjaar naar de Tweede Kamer
worden gestuurd. Dus dat loopt nog volgens planning. Ja, de contourenbrief met de
uitkomsten van de verkenning naar de wet.
Meneer Mohandis vroeg ook naar de extra autoriteit zwemmen. In juni is de Nationale
Raad Zwemveiligheid gevraagd om een nieuwe onafhankelijke autoriteit op te richten,
die gaat toezien op de kwaliteit van alle zwemdiploma’s, omdat er toch wel een wildgroei
aan zwemdiploma’s leek te zijn. Het is de bedoeling om vanuit de branche één normering
voor het niveau van zwemdiploma’s te maken en om dat ook onafhankelijk te kunnen beoordelen.
VWS draagt bij aan de oprichting van die autoriteit, met een tegemoetkoming in de
kosten. Na die oprichting kan de branche het zelf financieren. Mijn verwachting is
dat de autoriteit later dit jaar actief is. Zodra dat het geval is, zal ik uw Kamer
daar uiteraard over informeren.
Dat waren de antwoorden op de vragen. Dan komen we nu bij de appreciatie van de amendementen.
Dan begin ik met ...
De voorzitter:
Voordat we daarmee beginnen, een vraag van mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Misschien heb ik het gemist, maar helemaal aan het begin had ik een vraag over de
speeltuinen gesteld. We krijgen een brief over het aantal speeltuinen en zo, maar
ik had ook een vraag over de veiligheid. Ik weet natuurlijk dat het bij de gemeenten
ligt, maar ik vraag toch of de Staatssecretaris daar ook iets mee kan. Misschien kan
ze het ook wel meenemen in die brief en die gesprekken.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Van Meetelen zegt dat terecht. Die vraag zat er wel tussen, maar ik ben het
vergeten. Nu ze het zegt, denk ik: o ja, hij zat ertussen! Ja, het is aan gemeenten
zelf om te zorgen dat speeltuinen schoon, heel en veilig zijn. Tegelijkertijd gaat
het zelfs nog wel iets breder ook over de veiligheid rond sportvelden en sportzalen.
Regelmatig heb ik het er met zowel de losse sportwethouders als de VSG over dat er
aandacht voor gehouden moet worden dat ook bijvoorbeeld de fietspaden of wandelpaden
naar en van speeltuinen en sportgelegenheden enigszins veilig zijn. Het hoe en wat
is echt aan gemeentes, maar mevrouw Van Meetelen kan ervan op aan dat ik daar telkens
aandacht voor vraag, zeker ook omdat we wat betreft de beweegdoelen zien dat meisjes
en vrouwen achterlopen. Als je daar dieper op ingaat, dan kom je erachter dat dat
vaak te maken heeft met veiligheid, of in ieder geval een gevoel daarvan. Het is dus
heel belangrijk dat we daar aandacht voor blijven houden en actie op blijven ondernemen.
Ik zie mevrouw Van Meetelen knikken. Volgens mij staan we echt aan hetzelfde touw
te trekken.
De voorzitter:
Meneer Mohandis heeft ook nog een vraag.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik ga nog even terug naar de toezegging over de sportwet. Ik moest even nadenken toen
ik hoorde over een verkenning en contouren. Die werden allemaal naast elkaar gelegd,
maar als het een verkenning is over contouren, dan vind ik dat eigenlijk nog mager.
Het moeten contouren zijn. Waarom zeg ik dat scherp? Kijk, we hebben als Kamer nu,
uit mijn hoofd, twee, drie jaar in meerderheid gevraagd om het maken van die omslag.
We hebben ook heel vaak andere sectoren genoemd, bijvoorbeeld de cultuursector. Bijna
alle partijen hier vinden dat het belangrijk is dat er voor die sectoren gewoon een
wettelijke basis is. Je kunt die natuurlijk op honderden manieren invullen. Ik wil
geen ingewikkeld juridisch monster, zoals we ook vaak hebben gezegd, maar geen wettelijke
basis betekent in de praktijk vaak dat er helemaal niets is. Ook betekent het vaak
dat het een gegeven is als sport wordt wegbezuinigd. Je zegt dan: dat is dan zo. In
de cultuursector kan dat nauwelijks. Daar heb je de Erfgoedwet, de bibliotheekwet
en de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Ik zeg niet dat je het precies hetzelfde
moet doen, maar wel dat je een begin moet maken. Als dat de toezegging is, hoop ik
dat het echt een aanzet is om te komen tot de volgende stap en dat er niet weer een
verkenning komt. Wat mij betreft gaan we het doen. Ik heb daarom ook geen motie voorbereid.
Misschien doe ik dat als de nieuwe bewindspersoon er zit. Wat mij betreft gaan we
dit echt doen. Zo hebben we de toezegging in ieder geval altijd begrepen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zal proberen zorgvuldig te zijn in mijn woorden. Er komt een brief met contouren.
Die contouren zijn namelijk de uitkomsten van de lopende verkenning. We zijn dus al
een stapje verder dan meneer Mohandis angstig dacht. In die brieven komen dus zowel
de contouren als het proces om te komen tot, aan bod. Ik denk dus dat we dezelfde
verwachting hebben.
De voorzitter:
Volgens mij zijn we dan nu echt bij de appreciaties aangekomen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dan zijn we bij de appreciaties van de amendementen aangekomen. We beginnen met
het amendement op stuk nr. 9, van Mohandis. Daarin wordt gevraagd om het beleidsdoel «zwemles voor iedereen» te
stimuleren met € 400.000 voor het Jeugdfonds Sport & Cultuur, specifiek voor zwemles
voor kinderen die opgroeien in armoede en kinderen met een beperking. Vorig jaar hebben
we € 500.000 aan dat fonds toegevoegd. Het effect daarvan was bovengemiddeld groot.
Soms stop je ergens geld in en dan weet je niet wat ermee gebeurt, maar dit was echt
heel goed. Ik zou dit amendement dus heel graag oordeel Kamer geven, omdat ik zie
dat het daadwerkelijk leidt tot waar het voor bedoeld is. Ik wil wel opmerken dat
het een aandachtspunt vergt, want de dekking is € 400.000 aan vrij besteedbare middelen,
maar die wordt vaker genoemd. Ik wil uw Kamer dus oproepen om dat even in de gaten
houden als er straks in maart over alle amendementen gaat worden gestemd. Mijn oordeel
is in ieder geval oordeel Kamer.
De voorzitter:
Even voor de duidelijkheid: dit gaat om het amendement op stuk nr. 57. Het is gewijzigd.
Staatssecretaris Tielen:
U weet dat beter dan ik, voorzitter. Dat geloof ik dus meteen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 57: oordeel Kamer. Ik zie een vraag of interruptie van mevrouw Huizenga.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik begrijp natuurlijk dat de dekking een issue is, maar kunt u aangeven hoeveel daar
dan in zit aan vrij besteedbare middelen, zodat we kunnen inschatten wat we in totaal
kunnen besteden?
Staatssecretaris Tielen:
€ 400.000. Hiermee wordt het in één keer opgemaakt, vandaar dat ik het even als aandachtspunt
aan uw Kamer meegaf. Uiteindelijk gaat u erover.
Ik heb ook een amendement – nu durf ik geen nummer meer te noemen – over de exploitatie
van Thialf, waar mevrouw Van der Plas al aan refereerde. Met verwijzing naar het debat
ontraad ik dat amendement.
Er is ook een amendement van GroenLinks-PvdA over het budget voor de BOSA. Als ik
het goed heb gelezen, is de bedoeling daarmee om geld dat nu voor 2027 gereserveerd
is, naar 2026 te verplaatsen. Dat moet ik ontraden, omdat het noch financieel noch
juridisch een goede dekking heeft. Ik heb daarover allerlei mensen geconsulteerd.
Ik moet het amendement ontraden.
Dat waren volgens mij de drie ingediende amendementen.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
We hebben het ook gecheckt. Dat is dus wel interessant. Wij hebben ook een afdeling
financiën, en die zegt: het kan gewoon. Het is volgens mij een politiek oordeel dat
het ongewenst is, maar we kunnen het gewoon. Het gaat niet om het hele bedrag dat
is gereserveerd voor 2027, maar het vraagt om een deel van 20 miljoen eenmalig – dat
is wat je doet – naar het lopende jaar te halen. Ik vraag dat omdat er een hele hoop
sportverenigingen zijn, die zeggen: help, wij moeten nu ook geholpen worden met onze
aanvraag. Dat zeg ik maar even zo, maar dat is niet onaardig bedoeld. Die zitten in
de wacht. Dat komt ook door hoe er in het afgelopen jaar is omgegaan met de BOSA.
Maar we zijn nu waar we zijn. Er is goede hoop dat er meer geld bij komt vanuit het
regeerakkoord, maar gezien de enorme vraag is dat wat wij vragen. Wij vragen om dat
eenmalig te verschuiven, wetende dat het regeerakkoord het vanaf ’27 weer opplust.
Ik vind het een heel redelijk voorstel. Ik zeg tegen alle collega’s: het kan gewoon.
Ik weet hoe er altijd vanuit het Ministerie van Financiën geapprecieerd wordt; helaas
loop ik op dat punt al iets te lang mee in dit huis om dit aan te horen. Ik respecteer
het, maar ik wil wel horen of het technisch niet kan. Volgens mij kan het gewoon en
is het een politiek oordeel. Graag een reactie.
Staatssecretaris Tielen:
Mij is verteld dat het noch juridisch noch financieel kan. Dat is dus mijn technische
oordeel. Dat is mijn reactie op de vraag van meneer Mohandis.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik ga de collega’s nog voorzien van een mailtje waaruit blijkt dat het wel kan en
dat we dit in het verleden ook hebben gedaan. Dit is echt een oproep aan de collega’s.
We kunnen hiermee echt honderden sportverenigingen in één klap helpen. Ze zijn vandaag
ook, in een ander zaaltje, bij dit debat aanwezig. Laten we hier alsjeblieft een beetje
het verschil maken als sportcommissie. Het is echt niet te veel gevraagd. Voor GroenLinks-PvdA-begrippen
heb ik heel zuinig gedaan met de BOSA. Ik vraag slechts om een schuif van 20 miljoen,
terwijl het verzoek echt om honderden miljoenen gaat op dit moment. Dat is wat het
is.
De voorzitter:
Dan zijn we daarmee aan het eind van de eerste termijn gekomen. Dank, Staatssecretaris,
voor de beantwoordingen. Mijn voorstel is om direct door te gaan naar de tweede termijn
aan de zijde van de Kamer. Dan starten we weer bij mevrouw Huizenga.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb geen hele uitgebreide tweede termijn. Ik heb redelijk
veel vragen beantwoord gekregen. Er zitten natuurlijk altijd nog wel wat vervolgvragen
in, maar dat komt vast op een ander moment. Eén ding dat me toch een beetje puzzelt,
is de ondersteuning. Dat betrof een van mijn laatste vragen, rondom topsporters die
net geen A-status hebben. Ik kreeg daar geen duidelijk antwoord op, dus ik ga er nog
even op broeden wat we daarmee kunnen doen. Dat is het dus voor nu, denk ik.
De voorzitter:
Dank. Dan gaan we door naar de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, bedankt. Ook dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. Ik heb
toch nog even een vraagje. We hadden het net over de middelen die gemeenten hebben,
maar zij ervaren toch drempels. Collega Van Dijk verwoordde het misschien nog beter
dan ikzelf. Zou de Staatssecretaris – althans, haar opvolger misschien – daarover
nog iets kunnen toezeggen, bijvoorbeeld om daar dan toch over in gesprek te gaan?
Er worden namelijk wel degelijk drempels ervaren om middelen te kunnen investeren
in onder andere het huisvesten van scholen, dus onderwijs, maar ook sport. Misschien
kan de Staatssecretaris hierop in haar tweede termijn nog ingaan?
De voorzitter:
Dank. Het woord is aan de heer Mohandis. Hij moet even zijn moties erbij pakken.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik zie door alle versies het bos niet meer. Excuus, voorzitter. Dank voor de beantwoording,
zeg ik tegen de Staatssecretaris. Ook dank voor haar inzet voor dit beleidsterrein.
Dat wil ik ook nog even gezegd hebben, wetende dat zij op een ander beleidsterrein
aan de slag gaat. Daar is ook heel veel te doen, weet ik als oud-woordvoerder. Heel
veel succes daarmee. Wij zien ook uit naar de nieuwe bewindspersoon, ook omdat er
gewoon veel onderwerpen nog niet af zijn. Die vragen heel veel aandacht.
Ik ga gelijk naar de eerste motie, over de ombudsfunctie en het aflopende Sportakkoord.
Daar hebben we het al heel kort over gehad.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veel vrijwilligers van sportverenigingen kampen met problemen als
toenemende regeldruk, verouderde voorzieningen en een tekort aan vrijwilligers;
overwegende dat RVVB al jaren een ombudsfunctie vervult en veel sportverenigingen
ondersteunt, zoals bij gesprekken en conflicten met gemeentes en verzekeraars, geschillen
met de bonden, algemeen juridisch advies, communicatieadvies en het ophalen van inzichten
en problemen bij duizenden vrijwilligers van sportverenigingen;
overwegende dat het Sportakkoord II dit jaar afloopt en daarmee ook verschillende
services voor sportverenigingen die niet worden voorzien in dit akkoord, ophouden
te bestaan in de vorm van een praktische ombudsfunctie;
verzoekt de regering in samenspraak met NOC*NSF en RVVB in gezamenlijkheid de ombudsfunctie
voor sportverenigingen te versterken en te borgen voor de toekomst, zodat sportverenigingen
deze noodzakelijke praktische ondersteuning kunnen blijven krijgen;
verzoekt de regering vrijwillige bestuursleden van sportverenigingen als klankbord
te betrekken bij het verder ontwikkelen van verenigingsondersteuning,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mohandis en Inge van Dijk.
Zij krijgt nr. 62 (36 800 XVI).
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik zeg daar nadrukkelijk het volgende bij. Het is natuurlijk heel goed als dat lokaal
wordt belegd, maar ik zei het al tegen de Staatssecretaris: het gebeurt ook weleens
dat verenigingen – helaas, zeg ik gelijk – tegenover hun gemeente komen te staan bij
een geschil. Daarom is de praktische ondersteuning om daarmee om te gaan van belang.
Een loket bij de gemeente kan, gelet op de checks-and-balances, enige lastigheid met
zich meebrengen.
De volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat sportverenigingen met het openstellen van de DUMAVA bij twee verschillende
regelingen aanspraak kunnen doen op subsidies voor bouw, onderhoud en verduurzaming;
constaterende dat veel sportverenigingen kampen met toenemende regeldruk en het voor
sportverenigingen moeilijk is om twee subsidies te combineren;
overwegende dat sportverenigingen ontlast worden als er één toegankelijk loket voor
bouw, onderhoud en verduurzaming bestaat;
verzoekt de regering in samenspraak met sportverenigingen één toegankelijk loket voor
sportverenigingen voor bouw, onderhoud en verduurzaming te hanteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mohandis en Inge van Dijk.
Zij krijgt nr. 63 (36 800 XVI).
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Wat mij betreft is het verzoek van de motie om het niet alleen in samenspraak met
de sportverenigingen te doen, maar met iedereen die hierbij betrokken is. Er is namelijk
heel veel steun hier op de tribune, bij bonden en bij NOC*NSF om toe te werken naar
één toegankelijk loket.
Dan wil ik ook iedereen bedanken voor de belangstelling. Er is weer heel veel belangstelling
voor dit debat. Ik kijk uit naar een volgend debat. Dat is waarschijnlijk een commissiedebat
voor de zomer, hoop ik.
Ik heb nog een slotvraag. Er worden 28 aanbevelingen niet opgevolgd. Krijgt dat nu
nog een vervolg of niet? We hebben het dan over de opvolgingscommissie van Achter
de coulissen. Het is mij onduidelijk hoe nu verder. Wij zullen daarop terugkomen bij
de Wet integere sport.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank, meneer Mohandis. Dan gaan we door naar mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank voor de beantwoording van de Staatssecretaris en uiteraard ook dank aan haar
staf, die hier vaak in de onzichtbaarheid van dit gebouw ook hard aan meewerkt. Dus
bij dezen, dank.
Voorzitter. Misschien is het mensen opgevallen dat de één hier in de Kamer «Thi-alf»
en de ander, zoals ikzelf, «Tsjalf» zegt. Dat wilde ik nog wel even opmerken. De oorspronkelijke
naam wordt uitgesproken als «Tsjalf». Het is de Friese naam, die is afgeleid van de
allereerste ijsvereniging die daar werd opgericht. Thialf was ook een van de eerste
ijsclubs van Nederland en werd in 1855 opgericht. Ik hoop eigenlijk ook dat ik de
heer Arjen Dijkstra hier een plezier mee heb gedaan. Ik weet niet of hij kijkt, maar
hij is de directeur van Tresoar. Ik weet niet of ik dat dan weer goed uitspreek, maar
ik doe mijn best. Tresoar is het archief, de bibliotheek en het literatuurmuseum van
Fryslân. Ik weet dat hij altijd «Tsjalf, Tsjalf!» naar de televisie roept als sportcommentaren
weer «Thi-alf» zeggen. Ik weet ook dat hij een appel doet op iedereen om het juist
uit te spreken. Ik hou daarvan. Ik hou van mensen die hun eigen taal – Fries is een
eigen taal – promoten. Dus ik hoop dat ik een heel kleine bijdrage heb gedaan aan
het hooghouden van de Friese taal. Dat gezegd hebbende, is het jammer dat het amendement
zo beoordeeld wordt. Ik hoop dat de partijen in de Kamer het belang zien van de toekomstbestendigheid
van Thialf. Dat zullen we zien bij de stemmingen.
Wat ik zei over het scorebord, en over dat we kinderen als sneeuwvlokjes aan het opvoeden
zijn door ze alleen maar te zeggen dat het leven leuk is en nooit een keer vervelend
mag zijn, bedoelde ik niet als vraag aan de Staatssecretaris, maar meer als een oproep
aan de sportbonden. Ik denk echt: welk probleem zijn we hiermee nou precies aan het
oplossen, en creëren we geen nieuw probleem? Dat heb ik in mijn inbreng gezegd. Daarmee
wil ik afsluiten. Ik heb verder geen moties.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik heb in ieder geval iets geleerd over de Friese taal. Ik denk dat dat geldt voor
meerdere mensen in deze ruimte. Dank daarvoor. Dan gaan we door naar mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik wil een beetje voortborduren op wat mevrouw Van der Plas zei,
want een gedeelte uit mijn inbreng was ook een beetje een oproep aan de sportbonden.
Toch kijk ik ook de Staatssecretaris aan, want zij gaat straks een andere functie
vervullen, op OCW. Ik denk dat het heel goed is om toch een soort cultuuromslag te
realiseren en een beetje weg te gaan van die zesjesmentaliteit. Er is namelijk niks
mis met verliezen. Daardoor weet je en leer je wat winnen is. Daar word je een sterker
en weerbaarder persoon van, zodat je je goed kunt neerzetten in deze wereld.
In de eerste termijn heb ik betoogd dat sport begint bij de basis, bij veilig en toegankelijk
buitenspelen, en dat het eindigt bij topsporters, als het je gegeven is, die ons land
vertegenwoordigen en inspireren. Ik heb daarover twee moties. De eerste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat openbare speelplekken een belangrijke rol spelen in het veilig buitenspelen
van kinderen, en bijdragen aan gezondheid, ontwikkeling en sociale cohesie;
constaterende dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het beheer en onderhoud van
openbare speelplekken, maar dat kwaliteit, veiligheid en toezicht in de praktijk sterk
verschillen per gemeente;
overwegende dat ouders erop moeten kunnen vertrouwen dat openbare speelplekken veilig
zijn ingericht, goed worden onderhouden en tijdig worden gecontroleerd op gebreken
en veiligheidsrisico’s;
verzoekt de regering in kaart te brengen hoe gemeenten momenteel invulling geven aan
inspectie, onderhoud en veiligheidsnormen van openbare speelplekken;
verzoekt de regering te bezien waar sprake is van tekortkomingen of grote verschillen
in veiligheidsniveau;
verzoekt de regering te onderzoeken of aanvullende landelijke richtlijnen of ondersteuning
nodig zijn om de veiligheid van openbare speelplekken beter en consistenter te borgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 64 (36 800 XVI).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederlandse topsporters jarenlang op het hoogste niveau presteren
en Nederland nationaal en internationaal vertegenwoordigen;
constaterende dat een aanzienlijk deel van deze topsporters tijdens hun actieve carrière
onvoldoende inkomen hebben om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien;
overwegende dat structurele ondersteuning van topsporters bijdraagt aan betere prestaties,
talentbehoud en nationale trots;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze Nederlandse topsporters structureel
beter kunnen worden ondersteund zodat zij tijdens hun topsportcarrière zelfstandig
in hun levensonderhoud kunnen voorzien, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 65 (36 800 XVI).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik dank u.
De voorzitter:
Als laatste het woord aan mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Het is toch altijd wel een beetje
ingewikkeld met een scheidend bewindspersoon, omdat je enerzijds nog heel veel opdrachten
wil meegeven, maar je je anderzijds toch een beetje inhoudt, zoals ik vandaag merk.
Ik had het punt sport en bewegen als medicijn opgebracht. Daar had ik misschien nog
iets meer van verwacht in het debat met deze bewindspersoon. Aan de andere kant heb
ik aangegeven dat we zelf met initiatieven willen komen, naar ik hoop met heel veel
collega’s in de Kamer. Dan is het zo ook prima. Wordt vervolgd. Nu is het vooral aan
mij en mijn collega’s om ervoor te zorgen dat we dit onderwerp echt groot gaan maken.
Dan de kasschuif van de BOSA, het amendement van GroenLinks-PvdA. Ik snap het amendement.
Anderzijds gaan er meteen allerlei vragen door mijn hoofd. Misschien kan de Staatssecretaris
iets van inzicht geven in hoeveel aanvragen er nu nog op de plank liggen, hoe groot
dat bedrag is en hoe je moet omgaan met de vraag wie wel en wie niet. Ik heb ook begrepen
dat de website er halverwege uit is gegooid, waardoor mensen überhaupt geen aanvraag
hebben kunnen doen. Ik worstel dus een beetje met de vraag op welke manier we verenigingen
gaan helpen. Je kunt dan grofweg een kasschuif doen, maar we kunnen ook zeggen: we
gaan even goed in beeld brengen wat er nu speelt. Hopelijk kan de nieuwe bewindspersoon
bij de uitwerking van het regeerakkoord met een passender antwoord komen. Dat zeg
ik niet omdat ik niet wil meedoen aan het amendement, maar omdat ik een beetje in
dubio zit. Hoe eerlijk is dat, als we aan de andere kant weer een hoop verenigingen
slecht nieuws moeten verkopen? Ik kan nu niet beoordelen wie er dan voorgaat. Maar
goed, wordt vervolgd. Volgens mij delen we dat het belangrijk is dat we de BOSA snel
openzetten.
Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regeldruk bij onze verenigingen en vrijwilligers de afgelopen
jaren enorm toegenomen is;
constaterende dat het kabinet de eerste stappen zet om werk te maken van het verminderen
van regeldruk bij onze verenigingen en vrijwilligers;
constaterende dat regeldruk aanpakken in de praktijk om een lange adem vraagt;
constaterende dat regels opgelegd vanuit sportbonden en de AVG ontbreken in het lijstje
van aan te pakken regels;
verzoekt de regering om een meerjarenplan, met daarin uiteengezet hoe de ambitie regeldrukvermindering
ook daadwerkelijk plaats kan gaan vinden;
verzoekt de regering om de Kamer jaarlijks een overzicht te doen toekomen over hoe
men het afgelopen jaar aan de slag is gegaan met regeldrukvermindering voor verenigingen
en vrijwilligers, waar de knelpunten zitten, hoe deze opgelost gaan worden en de concrete
resultaten tot op dat moment;
verzoekt de regering regels opgelegd vanuit sportbonden en de AVG aan het lijstje
«aan te pakken regels» toe te voegen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Inge van Dijk.
Zij krijgt nr. 66 (36 800 XVI).
Dank. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van
de Kamer. Ik stel voor om tien minuten te schorsen, zodat de Staatssecretaris de beantwoording
en de appreciaties kan voorbereiden.
De vergadering wordt van 14.05 uur tot 14.16 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik stel voor om de vergadering te heropenen. Het is tijd voor de tweede termijn van
de Staatssecretaris, met de beantwoording van de openstaande vragen en de appreciatie
van de moties.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Volgens mij had ik drie vragen en vijf moties.
De eerste vraag is van de VVD. Dat is eigenlijk het verzoek om een toezegging over
de opgebouwde reserves, de belemmeringen enzovoorts. Overigens worden die reserves
opgebouwd maar ook weer uitgegeven. Het is dus geen stijgende lijn maar meer een soort
golfbeweging, en dat geldt niet alleen voor sport maar ook voor cultuur en ander maatschappelijk
vastgoed, om het maar even in jargon te zeggen. Maar als het verzoek is om met de
sportgemeenten in gesprek te gaan, kan dat natuurlijk altijd. Dat zeg ik dus graag
toe. Volgens mij is dat altijd goed.
Dan vroeg meneer Mohandis nog naar die 28 van de 33 aanbevelingen uit het eindrapport
van de Opvolgingscommissie Dansen. Hoe zit het nou? We hebben het volgende gedaan,
en «we» zijn dan het Ministerie van VWS en het Ministerie van OCW. We hebben in onze
rapportage aan de Opvolgingscommissie Dansen toegelicht hoe we wel en niet invulling
hebben gegeven aan de maatregelen. Daarover is over de volle breedte gerapporteerd,
maar het lijkt me goed om dat in de beleidsreactie op het laatste rapport gewoon nog
een keer op te nemen, om het te verhelderen.
Mevrouw Van Dijk refereerde aan haar stelling over sport als medicijn. Ik was daar
inderdaad bewust niet op ingegaan, omdat ze aankondigde dat ze daar zelf een initiatiefvoorstel
over zou gaan maken en ik daarbij geenszins in de weg wil zitten, maar ik denk dat
daar heel veel inspiratie en creativiteit uit zou kunnen komen. Een medicijn wordt
natuurlijk vaak pas gebruikt als iemand al ziek is, maar ik denk serieus dat heel
veel mensen met vroege gezondheidsklachten heel veel baat zouden kunnen hebben bij
het structureel invoeren van sport en bewegen. We weten dat overigens ook uit wetenschappelijk
onderzoek. Ik kijk dus, ook vanuit mijn nieuwe rol, uit naar dat initiatief van mevrouw
Van Dijk!
Dan de moties, voorzitter.
De motie op stuk nr. 62, van de heer Mohandis en mevrouw Van Dijk ...
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik dacht dat collega Van Dijk nog een vraag had gesteld over de BOSA.
Toch? En daar was ik zelf ook erg in geïnteresseerd.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Van Dijk vroeg naar de achtergronden en cijfers bij het amendement, volgens
mij. Klopt dat?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
De BOSA is opengezet en vervolgens gesloten, maar ik neem aan dat al die aanvragen
nog ergens zijn. We weten dus hoeveel er additioneel is aangevraagd. Er was een storing.
Ik weet niet of je kunt zien welke hits er toen nog zijn geweest op de website. We
weten echt wel wat op dit moment de behoefte is. Ik vraag dit, omdat dus 80% van de
financiering al klaarligt.
Staatssecretaris Tielen:
En uw vraag is?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Om dat in beeld te brengen.
Staatssecretaris Tielen:
In de brief over het BOSA-loket hebben we al een en ander aangeven, maar ik begrijp
dat u iets meer details wil. Ik zei dat het, even hard gezegd, juridisch en financieel
niet klopt. Ik wil dus best iets meer details daarover op papier zetten, inclusief
de toelichting op de achtergrond van het kasschuifvoorstel van meneer Mohandis, als
dat u helpt richting de stemmingen. Ik houd niet van lange brieven, dus daar zullen
we een korte brief aan wijden.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
In aanvulling op collega Van Dijk. Voor de eigen afweging en hoe wij die motie eventueel
nog aanscherpen, wijzigen of anderszins, is het volgende ook relevant. Weten we wie
die sportverenigingen zijn? Dat hoeft niet bij naam, maar weten we de aantallen? Stel
dat het amendement wordt aangenomen en dat het loket, dat nu dicht is, in september
weer even opengaat – met de BOSA is dat tegenwoordig vaak een halve dag. Moet iedereen
dan opnieuw in de rij staan? Kunt u dat soort dingen meenemen in de brief?
Staatssecretaris Tielen:
Daar zitten inderdaad heel veel juridische haken en ogen aan, dus we zullen proberen
dat compact mee te nemen.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Maar daar zijn we van in dit huis. Het zou wat zijn als wij geen juridische haken
en ogen meer ...
Staatssecretaris Tielen:
Zeker, precies. Dat schrijven we dus graag op, want dat gaat u als medewetgevers helpen
met de begrotingswetten.
De voorzitter:
Dan de moties.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga inderdaad naar de moties. De motie op stuk nr. 62 van Mohandis en Van Dijk gaat over de ombudsfunctie. De motie verzoekt om in samenspraak
met NOC*NSF daarmee aan de slag te gaan en vrijwillige bestuursleden als klankbord
te gebruiken. Die motie wil ik graag oordeel Kamer geven.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Heel goed, dank u wel. In het dictum staat «met NOC*NSF en RVVB in gezamenlijkheid»,
hè? Check. Helder.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De motie op stuk nr. 63, ook van meneer Mohandis en mevrouw Van Dijk, gaat over één toegankelijk loket. Hier
ga ik wat meer woorden aan wijden. Met het tweede Sportakkoord hebben we best veel
in gang gezet om verenigingen te ondersteunen, ook met de totstandkoming van lokale
sport- en beweegloketten, zodat sportclubs zich met vragen kunnen melden bij één coördinatiepunt.
De afspraken uit het Sportakkoord worden tot eind dit jaar voortgezet. Daarnaast wil
ik afspraken maken met de Vereniging Sport en Gemeenten en NOC*NSF over hoe de lokale
infrastructuur en clubondersteuning vanaf het jaar daarna, dus 2027, kunnen worden
geborgd. Ik wil graag met de betrokken partners in gesprek gaan om te kijken of deze
lokale loketten ook de functie van toegankelijk loket voor sportverenigingen voor
bouw, onderhoud en verduurzaming kunnen bekleden. Volgens mij voldoe ik daarmee aan
het dictum van de motie van meneer Mohandis en mevrouw Van Dijk. Met deze lezing,
als we echt hetzelfde bedoelen, kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De motie op stuk nr. 64 van mevrouw Van Meetelen gaat over speeltuinen. «Buitenspelen, buitenspelen, buitenspelen»
is het motie voor iedereen, ook na je 18de, zou ik zeggen. Ik snap heel goed wat mevrouw
Van Meetelen bedoelt, maar tegelijkertijd is het ook ingewikkeld. De Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit ziet bijvoorbeeld toe op de veiligheid en het onderhoud van schommels
en glijbanen, om het maar populair te zeggen. Gemeentes zien toe op de openbare ruimte:
is die schoon, heel en veilig? Met die verhouding wil ik deze motie best oordeel Kamer
geven, want ik denk dat het een opdracht van ons allemaal is om te zorgen dat buitenspelen
veilig en makkelijk kan.
De voorzitter:
Ik zag nog een vinger, maar van wie? Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik begrijp deze motie op zich wel, maar ik ben wel een beetje bang voor het dictum:
verzoekt de regering te onderzoeken of er aanvullende landelijke richtlijnen of ondersteuning
nodig zijn. Dan begint mijn bloed toch wel een beetje te koken, omdat ik dan denk:
nog meer regels? We krijgen toch niet nóg meer regels? Kan de Staatssecretaris daar
iets over zeggen? Gaat dit leiden tot nog meer regels en nog meer betutteling? Dat
willen we volgens mij niet.
Staatssecretaris Tielen:
Nee, en gelukkig staat er ook niet «onderzoeken welke», maar «onderzoeken of». Ik
voel namelijk heel goed mee met mevrouw Van der Plas. Ik heb het volgens mij al een
paar keer eerder gezegd: ik ben niet voor zomaar allemaal extra wetten en regels.
Dat is natuurlijk niemand. Het kan echter helemaal geen kwaad om die dingen gewoon
weer eens op een rijtje te zetten. Is het toezicht van de NVWA voldoende? Gebeurt
er genoeg om het schoon, heel en veilig te houden? Dat is bedoeld om ervoor te zorgen
– ik denk dat mevrouw Van Meetelen dat heel goed zei – dat ouders hun kind met een
gerust hart op een openbare speelplek kunnen laten spelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Daar wil ik wel heel even op reageren. De Staatssecretaris had dat eigenlijk beter
begrepen, want ik wil inderdaad absoluut niet nog meer regeldruk veroorzaken; juist
niet. Het is meer bedoeld om te kijken of het allemaal nog wel goed gaat. Als het
nodig is, wil ik de motie best wijzigen en eventueel iets aanpassen in de tekst, zodat
hier niet gedacht wordt dat we extra regeldruk gaan veroorzaken. Juist niet, maar
ik wil wel dat we goed kijken naar hoe we één lijn in die veiligheid kunnen krijgen.
Mevrouw Huizenga (D66):
Dan roep ik de collega ertoe op om de tekst dan toch zodanig te wijzigen, want anders
heb ik er echt wel moeite mee. Die oproep doe ik dus nog.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij hebben we allemaal best wel hetzelfde beeld. Overigens weten we ook uit
wetenschappelijk onderzoek dat kinderen het het lekkerst vinden spelen op plekken
die niet speciaal als speelplek ingericht zijn. Ik denk zelf aan het tijgerbosje achter
mijn eigen voormalige huis. Het was één grote zooi, maar kinderen speelden daar heel
veel. Maar tegelijkertijd ... Ik denk dat het allebei waar is, ja.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Ik kan dat als vader van een kind van 7 bevestigen.
Staatssecretaris Tielen:
Dan de motie op stuk nr. 63 van mevrouw Van Meetelen over de ondersteuning van topsporters. Daarvoor verwijs
ik naar wat ik daarover eerder in het debat zei. De verkenning van NOC*NSF loopt nu,
dus ik vind deze motie ontijdig. Ik zou mevrouw Van Meetelen willen vragen om de motie
aan te houden.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Daar ga ik nog heel even over nadenken, ja? Op dit moment houd ik ’m nog niet aan.
De voorzitter:
Helemaal goed. Dan is het oordeel over de motie «ontijdig».
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
De reactie van de Staatssecretaris triggerde mij. NOC*NSF doet die verkenning. Is
bekend wanneer wij die krijgen, dus wanneer er weer een beeld is van hoe topsport
structureel beter kan worden ondersteund, zowel financieel als ... Ja?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, volgens mij heb ik het gezegd, maar ik moet het weer even opzoeken.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij heeft u het wel toegezegd.
Staatssecretaris Tielen:
In de tweede helft van dit kalenderjaar, volgens mij.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Helder.
Staatssecretaris Tielen:
Mijn opvolger komt daar dan op terug.
De heer Mohandis (GroenLinks-PvdA):
Check.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 65 is dus ontijdig.
De motie op stuk nr. 66, van mevrouw Van Dijk, gaat over de regeldruk. Daar hadden we het net ook alweer
een beetje over. Die motie wil ik wel oordeel Kamer geven.
Voorzitter. Dan neem ik nog graag een minuutje om een blik te werpen op waar het allemaal
om gaat bij sport als verbindend element in onze samenleving. Vandaag, morgen en de
komende week zijn de sporters hard aan de gang om Oranje groot te maken, om het zo
maar te zeggen. In maart zullen de paralympische sporters dat ook doen. Ik wil dus
ook graag namens heel Nederland – dat mag ik dan als lid van het kabinet zeggen –
alle atleten, alle coaches, alle ondersteuningsteams en uiteraard alle supporters
heel veel succes wensen. Ik hoop dat ze van deze Olympische Winterspelen en Paralympische
Spelen een mooi Nederlands succes maken. Wij kijken uit naar de races van vanmiddag
om 17.30 uur, maar zo zijn er elke dag mooie momenten.
Ik denk dat dit mijn laatste sportdebat is als Staatssecretaris. Dank aan iedereen
die daar de afgelopen acht maanden bij betrokken is geweest, uiteraard de ambtenaren
op het ministerie, de bonden, de bestuurders van verenigingen, al die vrijwilligers
en al die vrijwillige sporters. Ik vind het echt een prachtig domein, waarin tranen
van geluk en tranen van falen elkaar af kunnen wisselen, maar waar we in ieder geval
allemaal heel veel energie in steken en nog veel meer energie uit krijgen. Ik hoop
dat iedereen dat met veel plezier blijft doen, want ik denk dat dat voor ons allemaal
heel goed is. Dus dank u wel daarvoor.
De voorzitter:
Volgens mij spreek ik voor alle woordvoerders als ik zeg: hartelijk dank voor al uw
inzet voor de sport. Dat is heel belangrijk. Mooi.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn. De Staatssecretaris heeft
wat toezeggingen gedaan. Die ga ik nog even opnoemen.
− Nummer één. De Staatssecretaris zegt toe een brief aan de Kamer te sturen over de
uitkomst van de gesprekken met het SamenSpeelFonds en het SamenSpeelNetwerk die gaan
over de uitvoering van de moties met betrekking tot speeltuinen in gemeenten.
− Nummer twee. De Kamer ontvangt voor de zomer een voortgangsbrief over de aanpak van
regeldruk bij vrijwilligers en organisaties.
− Nummer drie. De Kamer ontvangt een voortgangsbrief over de ontwikkelingen met betrekking
tot de oprichting van een revolverend fonds van sportverenigingen.
− Nummer vier. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief over de contouren van een sportwet,
inclusief procesbeschrijving.
− Nummer vijf. De Staatssecretaris gaat met de gemeenten in gesprek over de reserves
met betrekking tot sporthuisvesting.
− Nummer zes. De Kamer ontvangt een brief met de nadere info over de ontvangen BOSA-aanvragen,
dus aantallen en dergelijke.
Heeft u nog een toevoeging?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, een duiding van de appreciatie van het amendement van meneer Mohandis.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen ... O, toch nog niet. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry. Ik heb nog even één vraagje. Bij toezeggingen horen ook brieven en wordt ook
aan de bewindspersoon gevraagd wanneer die brief te verwachten is. Dat zou ik nog
wel graag even horen.
De voorzitter:
Kijk. Dat gaat dan specifiek om de laatste twee. Daarvan is de eerste «de Staatssecretaris
gaat met de gemeenten in gesprek over de reserves met betrekking tot sporthuisvesting».
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat dat voor de zomer wel moet lukken.
De laatste toezegging is dat ik de brief stuur voor de stemmingen over de begroting,
omdat die van invloed is op de keuze die u als fractie zal maken bij het amendement.
De voorzitter:
En nummer drie en vier?
Staatssecretaris Tielen:
Nummer vier is voor de zomer.
De voorzitter:
Nummer drie is «de Kamer ontvangt een voortgangsbrief over de ontwikkelingen met betrekking
tot de oprichting van een revolverend fonds van sportverenigingen».
Staatssecretaris Tielen:
Dat wordt het najaar, dus voor de nieuwe begroting.
De voorzitter:
Ja, precies. Dan hebben we volgens mij alle toezeggingen met een termijn erbij gehad.
Dan zijn we, denk ik, echt aan het einde gekomen van de behandeling van het begrotingsonderdeel
Sport. Ik wijs u erop dat dinsdag na het voorjaarsreces de stemmingen over de moties
zijn. Over de amendementen wordt gestemd na de begrotingsbehandelingen. Dan dank ik
alle Kamerleden, de Staatssecretaris en alle overige aanwezigen hier in de zaal maar
ook thuis. Dan rest mij alleen nog maar te zeggen: heel veel succes met het aanmoedigen
van onze vrouwen Femke, Jutta en Suzanne om straks naar dat podium te klimmen. Bij
dezen is de vergadering gesloten
Sluiting 14.32 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.