Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Kostic en Teunissen over de milieueffectrapportage van Tata Steel
Vragen van de leden Kostić en Teunissen (beiden PvdD) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de milieueffectrapportage van Tata Steel (ingezonden 28 januari 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei), de Staatssecretaris
van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen
2 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1046.
Inleiding:
Het kabinet merkt, op basis van de gestelde vragen, dat er mogelijk onduidelijkheid
is over hoe de gegevens en emissiewaarden in het milieueffectrapport (MER) van Tata
Steel zich verhouden tot de gegevens en emissiewaarden in de Joint Letter of Intent
(JLoI) met Tata Steel. In reactie daarop lichten wij hieronder graag eerst toe hoe
deze gegevens in de verschillende documenten zich tot elkaar verhouden.
Milieueffectrapport
Het doel van het MER is om de effecten van een project op het milieu in beeld te brengen
ten behoeve van de vergunningverlening. Het MER is een middel om in kaart te brengen
of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten
te beperken die een direct gevolg zijn van het project. Dit betekent bijvoorbeeld
dat de impact van het project op verschillende (lucht)emissies van het bedrijf in
kaart moet worden gebracht. Het MER van Tata Steel wordt, zoals ieder ander MER, getoetst
aan de eisen die de wet aan een MER stelt. Daarmee is en wordt het MER niet opgesteld
ten behoeve van de maatwerkafspraken. Ook staan er in een MER geen concrete bindende
normen of eisen. Die worden op een andere manier, bijvoorbeeld via algemene wet- en
regelgeving of via een vergunning op basis van het MER, geregeld.
In dit geval heeft Tata Steel een MER ingediend voor het project Heracless-Groen Staal
waarvoor de vergunningenprocedure in maart 2023 is gestart. Naast dit Groen Staal-project
bestaat een eventuele maatwerkafspraak met Tata Steel ook nog uit aanvullende milieumaatregelen.
Tussenbeoordeling
Het is van belang om op te merken dat het aan de respectievelijke bevoegde gezagen
is om (onderdelen van) het MER te beoordelen. Het coördinerend bevoegd gezag ligt
bij de provincie Noord-Holland. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG)
voert de daarbij behorende taken in mandaat uit. Een aantal gestelde vragen verzoekt
het kabinet om onderdelen van het MER te beoordelen, maar het is naar goed gebruik
dat het kabinet niet in die bevoegdheid treedt en daarom geen oordeel geeft over de
inhoud van het MER.
De Commissie voor de milieueffectrapportage (CieMer) heeft in december 2025 advies
uitgebracht over het door Tata Steel ingediende milieueffectrapport. Op 6 maart 2026
heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) bekend1, 2 gemaakt dat zij Tata Steel, mede op basis van het advies van de CieMer, heeft verzocht
om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. In lijn met het advies van
de CieMer, verzoekt de OD NZKG om aanvullende informatie zodat met het MER niet alleen
de milieueffecten van Heracless-Groen Staal, maar ook van de aanvullende milieumaatregelen
die in de JLol zijn opgenomen in beeld worden gebracht. Het gaat dan onder andere
over de effecten van het overkappen van grondstofopslagen. We verwachten zodoende
dat in het aangevulde MER van Tata Steel straks ook de milieueffecten van de aanvullende
milieumaatregelen uit de JLoI inzichtelijk worden.
De aanvullende (milieu)maatregelen die in de JLoI zijn opgenomen, zullen te zijner
tijd nog steeds een eigen vergunningenspoor doorlopen en getoetst worden door het
desbetreffende bevoegd gezag. De vergunningenprocedure voor het project Heracless-Groen
Staal is in maart 2023 al gestart. De provincie Noord-Holland heeft eerder over dit
proces gecommuniceerd3.
De OD NZKG vervolgt de inhoudelijke beoordeling van het MER nadat het bedrijf de aanvullende
informatie heeft aangeleverd. Ook na de beoordeling door het bevoegd gezag gaat het
kabinet niet inhoudelijk in op vragen over het MER van Tata Steel, omdat het niet
binnen de bevoegdheden van het kabinet valt.
Verschillen JLOI en vergunningaanvraag
De JLoI en daaropvolgende maatwerkafspraak hebben als scope de uitvoering van het
HeraCless-Groen Staal Plan (de realisatie en ingebruikname van een Direct Reduction
Plant – Electric Arc Furnace (DRP-EAF)) én de realisatie van de aanvullende milieumaatregelen.
Zoals hierboven uitgelegd wordt het MER niet opgesteld ten behoeve van de maatwerkafspraken,
maar voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal. Het MER kent
zijn eigen wettelijke (beoordelings)kader. Hierdoor kunnen er verschillen bestaan
tussen het MER en de JLoI, bijvoorbeeld in de scope, gehanteerde referentiepunten
en gestelde doelen. Ook behoeven zowel het MER als de JLoI nog nadere uitwerking.
Het is dus niet zo dat de doelen in de JLoI tegenstrijdig zijn met de inhoud van het
MER.
Vraag 1
Wat vindt u ervan dat in het Heracless plan in de MER uitgegaan is van een productievolume
van 6,8 megaton (Mton) vloeibaar staal per jaar (deel B, p. 9), terwijl in de Joint
Letter of Intent (JLOI) wordt uitgegaan van een maximum productiecapaciteit van 5,83 Mton
per jaar (AMVI advies, p. 8)?
Antwoord 1
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven verschillen de JLoI en het MER in scope
en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd
en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald.
Juridische waarborgen over de maximale productievolumes worden de komende periode
verder uitgewerkt.
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
Vraag 2
Welke afspraak gaat u maken met Tata Steel over de hoeveelheid vloeibaar staal die
in de toekomst geproduceerd zal worden?
Antwoord 2
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na de transitie gelijk
blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2
vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch
mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF
is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige
Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in
te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie Hoogoven 6 te vervangen
door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan
er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Vraag 3
Waarom zou een vergunning worden aangevraagd, met de MER als basis, die meer productie
aanneemt dan is afgesproken in de JLOI?
Antwoord 3
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
Het is voor het kabinet van belang dat de beoogde doelen voor vermindering van de
CO2-uitstoot en verbetering van de gezondheid en leefomgeving worden behaald. Zoals ook
aangegeven in het antwoord op vraag 13 van de gestelde vragen4 die eveneens op 28 januari jl. zijn ingediend, kunnen de maximale emissies en het
minimale schrootgebruik bindend worden verlaagd, respectievelijk verhoogd, met de
maatwerkafspraak.
Vraag 4
Als een vergunning aangevraagd wordt op basis van deze MER, welke juridische borging
heeft u dan dat het productievolume beperkt zal worden tot 5,83 Mton/jaar? Welke instantie
zal hierop handhaven?
Antwoord 4
De huidige vergunning van Tata Steel kent een maximaal productievolume van 8 miljoen ton
staal. De invulling van toezicht en handhaving hierop is aan het bevoegd gezag, de
provincie Noord-Holland. Als het bedrijf ervoor kiest om in de vergunningaanvraag
een ander plafond op te nemen, zal dit vervolgens ook aldus worden gehandhaafd. De
maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd
in de beoogde maatwerkafspraak.
Vraag 5
Kan de gereduceerde productiecapaciteit van vloeibaar staal na de maatwerkafspraken
in IJmuiden worden gecompenseerd door import van slabs van andere staalfabrieken?
Wat is dan het effect van de wereldwijde CO2-uitstoot?
Antwoord 5
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2
vervangen door een DRP-EAF. TSN geeft hierover aan dat de DRP-EAF qua capaciteit zo
groot als technisch mogelijk wordt op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar
staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die
berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft daarbij
de ambitie om slabs, een halffabricaat voor staalproductie, in te zetten om de totale
productie van ruw staal op een constant volume te houden. Per saldo leidt de vervanging
door de DRP-EAF tot een aanzienlijke CO2-reductie, die uiteindelijk optelt tot de totale CO2-reductie zoals vastgelegd in de JLoI.
Vraag 6
Wat vindt u van «de ambitie van Tata Steel om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot
vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen» (deel B, p. 9)? Hoe verhoudt zich dit met de JLOI waarin subsidie wordt gegeven voor
CO2-reductie die voor 19% wordt behaald door het terugschroeven van de productiecapaciteit?
Hoe garandeert u precies dat deze CO2-reductie permanent is?
Antwoord 6
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER. Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief toe waarom de waarden in het MER en
in de JLoI kunnen verschillen. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar
vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Er is geen sprake van dat TSN een subsidie ontvangt voor een lagere productiecapaciteit.
TSN dient de vermindering van emissies te realiseren door verduurzaming.
Vraag 7
Wat vindt u ervan dat zelfs in het meest gunstige geval «De DRI-fabriek kan ongeveer 80% aan waterstof gebruiken voor de reductie, verder
aan te vullen met aardgas» (deel B, p. 43), en er dus altijd nog 20% aardgas zal worden gebruikt? Hoe strookt
dit met de ambitie van Nederland om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen?
Antwoord 7
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
In algemene zin geldt echter dat in het staalproductieproces koolstof nodig is, als
grondstof, om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof
is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. De DRP is ontworpen
om op 80% waterstof te kunnen draaien. Het ontwerp beperkt de inzet van hogere waterstofpercentages
niet, maar de mogelijkheden moeten nog getest worden. Het is in theorie mogelijk om
100% waterstof in te zetten in het staalproductieproces.
Nederland heeft inderdaad de ambitie om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen.
Om deze reden wil het kabinet ook dat TSN klimaatneutraal groen gas of waterstof gaat
gebruiken als duurzame koolstofbron ter vervanging van aardgas.
Vraag 8
Wat vindt u ervan dat Tata Steel in de MER aangeeft dat «Met Heracless gaat het aandeel schroot omhoog naar circa 28%», of 27% als de WSA-definitie wordt gebruikt (deel B, p. 48), terwijl in de JLOI wordt
afgesproken dat het aandeel schroot naar 30% gaat in 2030 (artikel 3.3.a)?
Antwoord 8
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER. De JLoI bevat streefdoelen en inspanningsverplichtingen. In de maatwerkafspraak
worden de doelen als resultaatsverplichting vastgelegd.
Vraag 9
Welke juridische borging heeft dit kabinet om te zorgen dat het aandeel schroot daadwerkelijk
tot tenminste 30% wordt verhoogd, als de vergunningsaanvraag gebaseerd wordt op de
MER waarin 27% is aangegeven?
Antwoord 9
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
De waarborgen die zien op het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak,
worden de komende tijd verder uitgewerkt in de juridische documentatie voor een maatwerkafspraak.
Vraag 10
Hoe stroken deze berekeningen met elkaar:
– MER: de jaarlijkse CO2-uitstoot zal dalen met 4,3 Mton door Heracless, plus 0,8 Mton die in eerste instantie
door een lager productievolume zal komen en in een later stadium door carbon capture and storage (CCS) (deel C, p. 25);
– JLOI: de jaarlijkse CO2-uitstoot zal dalen met 5,4 Mton plus 0,6 Mton door CCS (AMVI advies, p. 8)?
Antwoord 10
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel.
Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt
dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het
MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende
maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald.
Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Vraag 11
Wat vindt u ervan dat ook de commissie MER (p. 32)5 signaleert dat onduidelijk is hoe de CO2 emissiereductie is opgebouwd in de MER en hoe deze rijmt met de afspraken in de JLOI?
Antwoord 11
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel.
Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt
dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het
MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Vraag 12
Wie is verantwoordelijk voor het vergelijken van de afspraken in de JLOI en de vergunningaanvraag
(inclusief MER)? Hoe is dit tot nu toe gebeurd en wat wordt er gedaan met discrepanties
tussen de twee documenten?
Antwoord 12
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers
in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen.
De beoordeling van het MER gebeurt in het kader van het traject van een vergunningaanvraag
door de respectievelijke bevoegde gezagen: de Provincie Noord-Holland en de door haar
gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied voor milieuvergunningen en Rijkswaterstaat
voor lozingen op rijkswateren. De Ministeries van EZK en IenW en de provincie Noord-Holland
werken, sinds de start van de gesprekken over een eventuele maatwerkafspraak, nauw
samen.
Vraag 13
Hoe komt het dat volgens de MER de inzet van waterstof een extra CO2-reductie oplevert van ongeveer 1,1 miljoen ton ten opzichte van het gebruik van uitsluitend
aardgas (deel E, p. 6), terwijl volgens de JLOI de inzet van waterstof in plaats van
biomethaan (chemisch identiek aan aardgas) leidt tot een extra uitstoot van 0,1 miljoen ton
CO2 per jaar (AMVI, p. 8)?
Antwoord 13
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven kunnen de scopes en uitgangspunten en daarmee de cijfers in de JLoI en het MER verschillen.
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
De grafiek van het AMVI-rapport over de JLoI, waaraan de vraag refereert, gaat uit
van een situatie waarin eerst CCS toegepast wordt, en vervolgens aardgas vervangen
wordt door klimaatneutraal groen gas. Na de vervanging van aardgas door groen gas
wordt de CO2 die ontstaat door het gebruik van groen gas in de reactor van de DRP afgevangen en
opgeslagen door middel van CCS, wat negatieve emissies oplevert. In een vervolgstap
wordt een gedeelte van het groen gas vervangen door waterstof.
Aangezien er door het gebruik van deze waterstof geen CO2 ontstaat, ontstaat er minder CO2 in de DRP en daardoor wordt ook minder CO2 afgevangen. Doordat er minder negatieve emissies zijn wordt de totale CO2-reductie kleiner. Dit verklaart de toename van circa 0,1 miljoen ton CO2 zoals te zien in de grafiek op p. 8 van het AMVI rapport.
Vraag 14
Hoe strookt de opmerking «Een GER maakt echter geen onderdeel uit van het MER of van de besluitvormingsprocedures
voor Heracless» (deel D, p. 3) met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid (waaronder het advies om een gezondheidseffectrapportage
op te stellen) een harde voorwaarde moeten zijn voor maatwerkafspraken?
Antwoord 14
Het verzoek om een Gezondheidseffectrapportage (GER) op te stellen volgt uit advies6 van de Expertgroep Gezondheid. De aangenomen motie-Gabriëls cs. (Kamerstuk 28 089, nr. 286) heeft het kabinet verzocht om deze GER uit te voeren. Het kabinet voert deze motie
uit en laat een GER uitvoeren. Zoals ook toegelicht in de aanbiedingsbrief vormen
het MER en de JLoI afzonderlijke processen. Het MER wordt door het bevoegd gezag gebruikt
voor het besluitvormingsproces van de vergunningverlening voor Heracless-Groen Staal.
Het kabinet onderzoekt of, waar mogelijk, bevindingen uit de GER meegenomen kunnen
worden in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
De aangenomen motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als
harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Het kabinet heeft deze motie
uitgevoerd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn
voor alle door de Expertgroep voorgestelde stoffen (reductie)doelen opgenomen. Ook
zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende
toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen.
Vraag 15
Aangezien de Staatssecretaris heeft gezegd dat er een gezondheidseffectrapportage
(GER) zou kunnen worden opgesteld als de MER er is en de Kamer zo’n GER eist voordat
afspraken worden gemaakt, wanneer wordt het gezondheidseffectrapportage naar de Kamer
gestuurd?
Antwoord 15
Er wordt momenteel een GER-TSN opgesteld door een werkgroep samengesteld met experts
van het RIVM, de GGD Kennemerland, en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS)
van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult. Deze werkgroep
heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van een definitieve
MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag, omdat de data
dan volledig gevalideerd zijn. Zoals eerder gemeld is deze definitieve versie van
het MER nog niet beschikbaar. De exacte duur van de verdere uitvoering is niet geheel
te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer
tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Vraag 16
Waarom bestaat er een discrepantie tussen het waterverbruik zoals beschreven in deel
B (p. 32: zeewater, brak oppervlaktewater, zout grondwater, zoet water in het referentiescenario
respectievelijk 25%, 69%, 1%, 4%) en deel C (64%, 13%, 6%, 17%) van de MER? Kunt u
in een tabel weergeven in absolute getallen en percentages hoeveel water jaarlijks
wordt gebruikt per type?
Antwoord 16
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers
in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen. Voor lozingen op rijkswateren
is Rijkswaterstaat namens de Minister van IenW het bevoegde gezag. Ook hier geldt
dat Rijkswaterstaat zich op dit moment over de aanvragen en het MER buigt. De geldende
wet- en regelgeving wordt hier toegepast. De beoordeling loopt nog. Daarom kunnen
hier geen uitspraken over worden gedaan.
Vraag 17
Wat vindt u ervan dat Tata aangeeft dat de immissies van Kwik en Cadmium volgens de
MER dalen (deel C, p. 193), terwijl de emissies van diezelfde stoffen stijgen (detailstudie
luchtkwaliteit, p. 39 vs p. 48), en dat dit zou zijn omdat de emissies gebaseerd zijn
op garantiewaarden die «vertegenwoordigen doorgaans een bovengrens van de emissies die in de praktijk gehaald
worden» (deel C, p. 192)? Welke onderbouwing is er voor de daling in immissies, aangezien
de detailstudie luchtkwaliteit alleen ingaat op de stijgende emissies?
Antwoord 17
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het
is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER.
Vraag 18
Wat maakt u van de opmerking over EU ETS dat «Dit systeem dwingt bedrijven zo om hun CO2-uitstoot stap voor stap terug te brengen tot nul in 2057» (deel A, p. 6)? Is het niet zo dat bedrijven onder EU Emissions Trading System (EU
ETS) in 2040 al geen nieuwe rechten meer krijgen?
Antwoord 18
Het EU ETS systeem zorgt er inderdaad voor dat de rechtenuitgaves aflopen in 2040.
Het is echter mogelijk om rechten op te sparen en mee te nemen in de jaren daarna.
Er kunnen in 2040 en kort daarna dus nog rechten in omloop zijn. Daarbij is er de
mogelijkheid tot extra emissieruimte door compensatie via negatieve emissies, wat
bij TSN een mogelijkheid is door de combinatie van CCS en groen gas.
Vraag 19
Hoe plaatst u de opmerking over de kooksgasfabriek 2 dat «Eventuele ontmanteling valt buiten beschouwing van dit MER» (deel B, p. 83)? Welke afspraken gaat u maken in de JLOI over ontmanteling van de
Kooks- en Gasfabrieken 2 (KGF2) en Hoogoven 7?
Antwoord 19
In de JLoI is afgesproken dat Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7 vervangen worden door
de DRP-EAF. In de maatwerkafspraak worden nadere afspraken over de sluiting gemaakt.
Het is vervolgens aan TSN om bij de uitvoer van de maatwerkafspraak de ontmanteling
te regelen conform de wet- en regelgeving.
Vraag 20
Welke juridische borging heeft de Minister dat de ernstig verouderde, gifitige en
lekkende kooksgasfabriek 2 ook echt definitief dicht zal gaan? Hoe kunt u garanderen
dat hier niet, zoals bijvoorbeeld bij gaswinnnig in Groningen is gebeurd, steeds weer
productie zal plaatsvinden omdat het op dat moment nodig wordt geacht?
Antwoord 20
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 19 worden in de maatwerkafspraak nadere
afspraken gemaakt over de sluiting van Kooksgasfabriek 2. De invulling van toezicht
en handhaving is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland.
Vraag 21
Wat vindt u van de intentie van Tata Steel om toegenomen stikstofuitstoot tijdens
de aanlegfase van de nieuwe fabrieken intern te salderen, omdat «de extra stikstofuitstoot van Heracless wordt gecompenseerd door vermindering van
stikstof op andere plekken binnen het bedrijf» (deel E, p. 56)? Hoe strookt dit met de uitspraak van de Raad van State dat intern
salderen niet meer onvergund mogelijk is (graag een juridische onderbouwing)? Hoe
kan Tata Steel hierop rekenen zonder dat de vergunningen uit «mandje 3» zijn aangevraagd
voor de ingebruikname van nieuwe fabrieken?
Antwoord 21
Het is aan het bedrijf zelf om de benodigde vergunningen aan te vragen en hierbij
keuzes te maken. Het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland, beoordeelt
vervolgens of de projectactiviteiten uit te voeren zijn binnen de wet- en regelgeving.
Het bevoegd gezag beoordeelt aan de hand van de aanvraag van TSN of een natuurvergunning
nodig is en zo ja, of deze verleend kan worden.
Vraag 22
Wat vindt u ervan dat «De opgeslagen hoeveelheden ertsen, kolen en andere stoffen veranderen niet significant.» (deel B, p. 108)? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze opslagen significant
te reduceren, vooral waar de opslag niet overdekt wordt, gezien de gigantische hoeveelheid
verwaaiing van deze grondstoffen (100 miljoen kilo per jaar volgens deel B p. 31)?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 22
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies)
is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN hanteert de term verwaaiing voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen
tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen
naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende
registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing
via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en
maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt
opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Vraag 23
Wat vindt u ervan dat de productie van kolengestookte Hoogoven 6 als gevolg van Heracless
zou stijgen met 12% van 2,5 naar 2,8 Mton per jaar (deel B, p. 109)?
Antwoord 23
Het cokes/kolengebruik van Hoogoven 6 gaat juist relatief omlaag door de inzet van
meer schroot. Het verschil in volumes ontstaat doordat het MER uitgaat van hogere
productievolumes ten opzichte van de JLoI. Zie ook de toelichting in de aanbiedingsbrief.
Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende
maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden gerealiseerd.
De komende tijd worden de afspraken over het borgen van het behalen van deze doelen
verder uitgewerkt.
Vraag 24
Wat vindt u ervan dat van de 12 stoffen waarvoor nu een doel is afgesproken of in
onderhandeling is in de JLOI (arseen, benzeen, benzo[a]pyreen, cadmium, chroom, chroom
VI, dioxines, kwik, lood, mangaan, nikkel, vanadium), er maximaal 3 gehaald kunnen
worden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond (lood, vanadium,
mangaan)? Hoe strookt dit met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat het overnemen van alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid een harde voorwaarde
moet zijn voor maatwerkafspraken?
Antwoord 24
Het kabinet heeft in reactie op motie Thijssen en in de beantwoording van vraag 14
hoe zij de motie handen en voeten heeft gegeven7. Zoals in die beantwoording staat opgenomen, wordt hier ook op ingegaan in de Kamerbrief
over de JLoI8.
De motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde
in de onderhandelingen op te nemen. Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief
over de JLoI, is dit gebeurd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen.
Zo zijn voor alle, door de Expertgroep voorgestelde stoffen, (reductie)doelen opgenomen.
Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende
toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen.
Een exacte berekening van de kosten van het opvolgen van alle adviezen is niet mogelijk,
omdat de maatregelen die nodig zijn om de doelen te behalen niet altijd helder zijn
en dus geen volledige inschatting gemaakt kan worden van de benodigde kosten.
Zoals ook uit de beantwoording van vraag 7 en 8 naar voren komt, is voor het volledig
behalen van hun adviezen volgens de Expertgroep, naast de beoogde vervanging van KGF 2
en HO7 met een DRP-EAF onder andere ook sluiting van KGF 1, HO6 en de Sinterfabriek
nodig.
Vraag 25
Waarom stelt u een onafhankelijke Expertgroep in als u vervolgens driekwart van de
adviezen die zij geven in de wind slaat?
Antwoord 25
Het kabinet heeft bij de Kamerbrief9 over de ondertekening van de JLoI (en in eerdere reacties op adviezen van de Expertgroep)
uitgebreid toegelicht welke adviezen wel, niet of deels zijn overgenomen en waarom.
Bij het vaststellen van het onderhandelingsmandaat voor de maatwerkafspraak zijn veel
verschillende belangen gewogen. Het werk en de adviezen van de Expertgroep zijn daarbij
erg belangrijk geweest. Het gezondheidsbelang kan mede daardoor goed meegewogen worden
bij het toewerken naar een definitieve afspraak. De Expertgroep heeft samen met de
AMVI advies gegeven op de concept-JLoI. Dit gecombineerde advies was, alle relevante
omstandigheden afwegende, positief met enkele aandachtspunten voor bij de verdere
uitwerking in het vervolg.
Vraag 26
Kunt u bevestigen dat u voor de stoffen waar nog geen afspraken over zijn gemaakt
(Thallium, VOS, Polychloorbifenylen) zult inzetten op het behalen van de doelwaarden
in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid?
Antwoord 26
Zie het antwoord op vraag 25.
Vraag 27
Wat vindt u ervan dat de Commissie voor de milieueffectrapportage constateert dat
in het door Tata Steel ingediende MER «belangrijke cijfers en verklaringen» over processen
en de impact op het milieu en de leefomgeving ontbreken?
Antwoord 27
27naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het
MER. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft advies uitgebracht aan het
bevoegd gezag. Op 6 maart 2026 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG)
bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te
leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Vraag 28
Bent u het met de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage
eens dat voor omwonenden het glashelder moet zijn of, en welke gezondheidswinst er
precies is? Zo ja, hoe gaat u dat dan waarborgen dat er onafhankelijk in kaart wordt
gebracht wat de gezondheidswinst is, voordat er eventueel afspraken worden gemaakt?
Zo nee, waarom niet?10
Antwoord 28
Ja het kabinet hecht waarde aan een onafhankelijk onderzoek. Daarom heeft het kabinet
ook opdracht gegeven voor de GER-TSN.
Vraag 29
Wat vindt u van het feit dat de chief financial officer van Tata Steel Ltd. (TSL) (Indiase moedermaatschappij van Tata Steel IJmuiden) in
een investor call onlangs sprak over veranderingen in beleid die zij als voorwaarden
hebben gesteld aan de subsidie, waaronder nettarieven, elektriciteitskosten en een
verbod op kolen11? Waarom zegt u in eerdere beantwoording dat «De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden»12 als zij letterlijk zeggen dat ze veranderingen in beleid als voorwaarde hebben gesteld?
Welke beleidsveranderingen vraagt TSL precies en wat is uw reactie op elk daarvan?
Antwoord 29
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met
de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie
of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor
het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt
beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in
de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze
punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is
het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van
één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet
meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag
en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf
een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan.
Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken
wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld,
stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak
met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico
van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van
de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda,
zo ook in het coalitieakkoord. Dit generieke beleidsvraagstuk zal dan ook in de volle
breedte bezien worden, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.