Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Kröger en Kostic over het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol
Vragen van de leden Kröger (GroenLinks-PvdA) en Kostić (PvdD) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol (ingezonden 19 maart 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 1 april
2026).
Vraag 1
Kunt u toelichten wat u precies bedoelde met de uitspraak «We moeten door.» in reactie
op het vonnis van de Raad van State (RvS) op het tussen-LVB Schiphol?1
Antwoord 1
De uitspraak «We moeten door» onderstreept het belang van de ontwerpwijziging van
het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (hierna: LVB), die momenteel in het kader van
de voorhangprocedure bij zowel de Eerste als de Tweede Kamer ligt. Het is van groot
belang om de juridische basis van Schiphol op orde te brengen.
Vraag 2
Klopt het dat het nu voorliggende LVB, inhoudelijk en in de aannames, grotendeels
een voortzetting is van het vernietigde tussen-LVB? Zo nee, waar baseert u dat precies
op?
Antwoord 2
De in voorhang voorliggende LVB-wijziging is een integrale wijziging van het LVB,
inclusief onderzoek naar de milieu- en natuureffecten van het besluit. Daarbij is
ook getoetst op de gelijkwaardigheidscriteria en hebben zowel Luchtverkeersleiding
Nederland (LVNL) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toetsen uitgevoerd
op respectievelijk de uitvoering vanuit LVNL en de handhaving, uitvoerbaarheid en
fraudebestendigheid vanuit ILT. Met de ontwerp LVB-wijziging wordt het stelsel met
de baangebruiksregels en de uitbreiding van het stelsel met de handhavingspunten in
het LVB opgenomen. Het gaat hier dus om de integrale wijziging van het LVB waarmee
het anticiperend handhaven kan worden beëindigd. De milieu- en natuurimpact van de
ontwerpwijziging van het LVB wordt daarbij afgezet tegen de situatie van het LVB 2008
en het maximale gebruik onder het NNHS. Dit is enerzijds de (theoretische) situatie
waarin het huidige gebruik van de luchthaven passend is binnen de grenzen van het
LVB 2008. Anderzijds wordt de ontwerpwijziging van het LVB afgezet tegen het continueren
van het anticiperend handhaven. Deze situatie is identiek aan de bovengrens van de
voorgenomen activiteit.
In de referentiesituatie 2008, zoals opgenomen in de milieueffectrapportage (MER),
zijn de huidige grenswaarden voor geluid zoals vastgelegd in het geldende LVB voor
het etmaal (de Lden) in handhavingspunten maatgevend voor het aantal vliegtuigbewegingen dat op basis
van het huidige (zichtjaar 2024) en het toekomstige (zichtjaar 2030) verkeersbeeld
mogelijk is. Het inpasbaar jaarvolume is met de gestelde uitgangspunten voor zichtjaar
2024 vastgesteld op circa 294.000 vliegtuigbewegingen en voor zichtjaar 2030 op circa
335.000 vliegtuigbewegingen. Deze toename komt door vlootvernieuwing door de jaren
heen. Dit is als uitgangspunt gekozen omdat deze situatie inzicht geeft in de milieueffecten
die optreden in de (theoretische) situatie dat het huidige gebruik van de luchthaven
passend dient te zijn binnen de grenzen van het LVB 2008.
De versnelde LVB-wijziging had tot doel om twee van de maatregelen die volgden uit
de doorlopen balanced approach-procedure (beperking in aantal vliegtuigbewegingen
op het etmaal en in de nacht) op korte termijn vast te leggen. Zowel de inhoud als
het proces van de twee besluiten verschillen dus van elkaar.
Vraag 3
Erkent u dat de RvS met de recente uitspraak expliciet heeft bepaald dat de gedoogsituatie
van 500.000 vliegbewegingen met het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel (NNHS), onrechtmatig
als uitgangspunt is genomen?
Antwoord 3
De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 maart 2026 overwogen dat in deze procedure
de rechtmatigheid van het NNHS niet ter beoordeling staat. De Afdeling heeft wel een
oordeel gegeven of wordt voldaan aan de gelijkwaardige bescherming ten opzichte van
het eerste LVB uit 2004. Voor de onderbouwing dat aan dit wettelijk vereiste is voldaan,
is in de toelichting bij de versnelde LVB-wijziging verwezen naar een milieuonderzoek
dat ten grondslag lag aan de niet vastgestelde LVB-wijziging voor het NNHS. De Afdeling
oordeelt dat, nu dit LVB NNHS niet is vastgesteld, de verwijzing naar dat milieuonderzoek
onvoldoende onderbouwing is voor de gelijkwaardige bescherming. Aan de voorliggende
LVB-wijziging ligt wel een eigenstandig milieuonderzoek ten grondslag.
Vraag 4
Welke gevolgen heeft de RvS-uitspraak voor het nu voorliggende LVB, nu niet de milieuruimte
van het LVB-2008 als uitgangspunt is genomen, maar het Refahh, (500.000 vliegbewegingen
+ NNHS)? Op welke juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Antwoord 4
De uitspraak van de Afdeling heeft uitsluitend tot gevolg dat het besluit van 6 mei
2025 tot wijziging van het LVB is vernietigd. Dit betekent dat het LVB 2008 blijft
gelden zonder dat er (wettelijk) een maximumaantal vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar
voor het etmaal en de nacht geldt. De Afdeling heeft geoordeeld dat onvoldoende is
onderbouwd dat het besluit van 6 mei 2025 tot wijziging van het LVB voldoet aan de
gelijkwaardigheidscriteria. Hieruit volgt dat elk LVB per saldo een beschermingsniveau
moet bieden dat (minimaal) gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat
het eerste LVB bood. Ook is onvoldoende aangetoond dat sprake is van de met het besluit
beoogde verbetering van het beschermingsniveau ten aanzien van het geldend wettelijk
kader (LVB 2008). Het gaat hier om een motiveringsgebrek wegens het ontbreken van
een gelijkwaardigheidsonderbouwing. Voor de voorliggende wijziging van het LVB is
een milieueffectrapport (MER) opgesteld, inclusief gelijkwaardigheidsonderbouwing.
De Landsadvocaat heeft een procesadvies uitgebracht over de gevolgen van de uitspraak.
Bij procesadviezen is actieve openbaarmaking echter niet aan de orde. De Staat heeft
namelijk het recht om zich voor bijstand en advies vertrouwelijk tot een advocaat
te wenden.
Vraag 5
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, zoals de Afdeling besloot, wat zijn
dan de gelijkwaardigheidscriteria waaraan het nieuwe LVB moet voldoen?
Antwoord 5
In de MER, dat is opgesteld voor de voorgenomen integrale wijziging van het LVB, wordt
zowel getoetst aan de situatie in het LVB 2008 als aan de situatie onder het anticiperend
handhaven en het NNHS, zie ook de beantwoording van vraag 2. Beide situaties worden
getoetst aan gelijkwaardigheid, zijnde een toets op het beschermingsniveau dat het
voorliggende LVB moet bieden. Dit moet per saldo minimaal gelijkwaardig zijn aan het
beschermingsniveau dat het eerste LVB uit 2004 bood. De gelijkwaardigheidscriteria
veranderen dus niet als gevolg van de keuze van een referentiesituatie.
Vraag 6
Erkent u dat het LVB-2008 de referentie moet zijn? Op welke juridische adviezen baseert
u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 2. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
volgt niet wat de juiste referentiesituatie is. Dat vraagstuk lag ook niet voor in
de zaak over de versnelde LVB-wijziging. De juridische situatie rond Schiphol is complex
met een vigerend LVB 2008, de jarenlange gedoogsituatie van het anticiperend handhaven
en verschillende rechterlijke uitspraken. Om recht te doen aan alle invalshoeken zijn
in het MER beide referenties inzichtelijk gemaakt en zijn de alternatieven afgezet
tegen deze referenties. Daarmee wordt voorkomen dat bij een later oordeel over de
juiste referentiesituatie er gebreken kunnen bestaan als gevolg van een onjuiste referentie.
Voor de voorliggende integrale LVB-wijziging is in het MER getoetst aan de situatie
in het LVB 2008 en aan de situatie onder het anticiperend handhaven en het NNHS.
Vraag 7
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, moet er dan een nieuw milieurapport
gemaakt worden met een nieuwe passende beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Dit is niet aan de orde. Het MER is zowel getoetst aan de situatie onder het LVB 2008
als aan de situatie onder het anticiperend handhaven met het NNHS.
Voor de passende beoordeling geldt dat de referentiesituatie in lijn is met de passende
beoordeling bij de natuurvergunning uit 2023. In deze passende beoordeling worden
twee referentiesituaties gehanteerd, afhankelijk van het betreffende Natura 2000-gebied:
• Voor Natura 2000-gebieden aangewezen vóór 2003 wordt uitgegaan van het Aanwijzingsbesluit
2000 (AB2000) met maximaal 460.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer. Dit is
een situatie voor de ingebruikname van de Polderbaan;
• Voor Natura 2000-gebieden aangewezen na 2003 wordt uitgegaan van het LVB 2008 en behoort
het gebruik van de Polderbaan tot de referentiesituatie. Daarbij geldt dat het gebruik
is beperkt tot 480.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer.
Vraag 8
Kan het nu voorliggende LVB worden aangepast met een gewijzigde referentiesituatie
(LVB-200), zodat het niet ook sneuvelt bij een toetsing door de RvS? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 8
Dit is niet aan de orde. Bij het opstellen van de MER is zowel getoetst aan de situatie
onder het LVB 2008 als aan de situatie onder het anticiperend handhaven met het NNHS.
Vraag 9
Kunt u ingaan op de constatering van To70 van 2023, dat binnen de milieuruimte van
het nog steeds geldende LVB-2008 slechts 400.000 tot 410.000 vliegbewegingen mogelijk
zouden zijn?2 En dat dit aantal de meest recente aanscherping is van eerdere schattingen van uw
voorganger(s) en van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)? Waarom is niet
voor dit aantal gekozen als referentiesituatie?
Antwoord 9
Voor de aantallen in de (theoretische) referentiesituatie voor het LVB 2008, zie ook
het antwoord op vraag 2. Dit is echter wel als uitgangspunt gekozen omdat deze situatie
inzicht geeft in de milieueffecten die optreden in de (theoretische) situatie dat
het huidige gebruik van de luchthaven passend dient te zijn binnen de grenzen van
het vigerend LVB.
Vraag 10
Waarom is voor het tussen-LVB gekozen voor een aantal vliegbewegingen, in plaats van
hinder, terwijl de wet en de referentiesituatie hinder voorschrijven?
Antwoord 10
De balanced approach-procedure is doorlopen om tot maatregelen te komen die moeten
leiden tot het bereiken van de vastgestelde doelstelling voor de bestrijding van geluidshinder.
Het besluit van 6 mei 2025 tot versnelde wijziging van het LVB had als voornaamste
doel om een van de resultaten van de balanced approach-procedure te verankeren. Met
de wijziging werd het maximumaantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht
vastgelegd respectievelijke gewijzigd. Deze twee maatregelen zijn onderdeel van het
totale maatregelenpakket. Daarbij was het doel om in ieder geval de lagere capaciteit
als slotstuk van de balanced approach-procedure te verankeren.
Vraag 11
Waarom is voor de «balanced approach»-procedure ervoor gekozen om de gedoogsituatie
van het NNHS als uitgangspunt te nemen en niet het toen nog geldende LVB-2008, terwijl
de rechter inmiddels in de RBV-zaak had bepaald dat die gedoogsituatie moest worden
beëindigd en dus illegaal was?
Antwoord 11
Voor de balanced approach-procedure is bij de start van de procedure, eind 2022, een
referentiescenario gemaakt met daarin de verwachte situatie per november 2024. Voor
die verwachte situatie op 1 november 2024 is uitgegaan van de maximaal toegestane
aantallen onder de toen toegestane operatie: het anticiperend handhaven op 500.000
vliegtuigbewegingen, waarvan 32.000 in de nacht. Ten opzichte van die verwachte situatie
is het geluidsdoel vastgesteld. Dat sluit ook aan bij het latere arrest van de Hoge
Raad3, waarin wordt geoordeeld dat de toen voorgenomen experimenteerregeling in combinatie
met het stoppen met anticiperend handhaven leidde tot een afname in capaciteit ten
opzichte van het toegestane aantal vliegtuigbewegingen van 500.000.
Vraag 12
Kunt u ingaan op de uitspraak van de Afdeling dat voor het handhaven van het wettige
LVB 2008 geen «balanced approach»-procedure nodig is en dat dit alleen gold voor de
experimenteerregeling?
Antwoord 12
De uitspraak van de Afdeling gaat niet in op de vraag wanneer een balanced approach-procedure
moet worden doorlopen. De Afdeling heeft bij het schetsen van de context een feitelijke
verwijzing opgenomen naar de uitspraak van de Hoge Raad over het stoppen met anticiperend
handhaven en de experimenteerregeling, waarbij wel wordt ingegaan op het doorlopen
van een balanced approach procedure.
Vraag 13
Hoe komen we tot een nieuwe capaciteitsdeclaratie voor de komende periodes, nu het
tussen-LVB met 478.000 vliegbewegingen geen wettige basis meer heeft? Geldt dan automatisch
weer het LVB-2008 met een capaciteitsdeclaratie gebaseerd op de milieuruimte van het
LVB-2008?
Antwoord 13
Door de vernietiging van de versnelde LVB-wijziging wordt teruggevallen op de gedoogsituatie
van het anticiperend handhaven. Zoals in de brief van 31 oktober 2025 aan de Kamer
is gemeld, gaat de huidige aanwijzing aan de ILT uit van maximaal 478.000 vliegtuigbewegingen
per gebruiksjaar.4 De capaciteitsdeclaratie voor het komende zomerseizoen is reeds vastgesteld. Het
kabinet streeft ernaar om de algehele wijziging van het LVB in werking te laten treden
met ingang van 1 november 2026. In deze wijziging zal ook het maximumaantal voor het
etmaal en in de nacht worden opgenomen. De capaciteitsdeclaratie voor het winterseizoen
2026/2027 wordt gebaseerd op de huidige gedoogsituatie en sluit aan bij de voorgenomen
integrale wijziging van het LVB.
Vraag 14
Bent u het ermee eens dat een jaarvolume geluid of Lden’s geen goede kwantificering voor hinderbeleving is? Hoe wordt voor een nieuw besluit
hinderbeleving betrokken en nieuw gedefinieerd om tot een gelijkwaardige bescherming
te komen? Hoe wordt dit betrokken bij het vaststellen van aantallen ernstig gehinderden
en het politieke doel om te komen tot 20% minder ernstig gehinderden?
Antwoord 14
In het LVB wordt gekeken naar geluidsbelasting, dit wordt uitgedrukt in Lden niveaus. Dit betreft een gemiddelde geluidsmaat gedurende een jaar. Binnen deze contouren
wordt gekeken het aantal gehinderden en slaapverstoorden. Om een aanvullende hinderindicator
vast te leggen is een wetswijziging nodig; de Wet luchtvaart biedt hier op dit moment
geen grondslag voor. Hier wordt aan gewerkt in het kader van het nieuwe stelsel vliegtuiggeluid.
In dit stelsel wordt nagedacht over een aanvullende hindernorm. Uw Kamer wordt later
dit jaar uitvoeriger geïnformeerd over de inhoudelijke keuzes in het nieuwe stelsel.
Vraag 15
Bent u het ermee eens dat het oordeel van de RvS de juridische kaders opnieuw heeft
vastgesteld en dat het volgen van deze kaders de snelste weg naar een wettig LVB zal
zijn?
Antwoord 15
Nee, de Afdeling heeft uitspraak gedaan in een procedure die is gestart ten aanzien
van het besluit van 6 mei 2025. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat
dit besluit onvoldoende gemotiveerd is, maar heeft geen uitspraak gedaan ten aanzien
van de juridische kader van de Wet luchtvaart of deze opnieuw vastgesteld. Met de
uitspraak van de Afdeling zal verder rekening worden gehouden gedurende het verdere
traject met betrekking tot dit LVB.
Vraag 16
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het komende CD Luchtvaart?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.